Erfelijkheid en evolutie
1995-02-24
Naar aanleiding van de artikelen over Genesis 1 van - Jaargang 39
- nummer 4
ds. A. van der Dussen in de laatste Opbouw-nummers van 1994
(24 + 25 + 26, en mede op zijn verzoek) wil ik graag iets schrijven over de vraag of de erfelijksheidsleer al dan niet steunpunten biedt, die de evolutietheorie aannemelijker zouden kunnen maken.
Mijns inziens is dat namelijk niet het geval.
De evolutietheorie is de veronderstelling dat alle ontwikkelingstrappen in de dierenwereld (om ons daartoe te beperken) van lager ontwikkeld tot hoger ontwikkeld autonoom uit elkaar 'ontstaan' zijn. Van lager ontwikkeld tot hoger ontwikkeld wil zeggen: van ééncellige organismen via meercelligen, weekdieren, vissen, amfibieën, reptielen en vogels tot zoogdieren.
Het woord 'evolutie' betekent niet anders dan 'ontwikkeling', en een of andere ontwikkeling is er zeker geweest. Alleen die verticale ontwikkeling van lager naar hoger is niet meer dan een theorie die slechts gebaseerd is op veronderstellingen.
Maar dat iedere trap zich horizontaal ontwikkeld heeft in vele soorten en vormen kan niet ontkend worden.
Ik zal nu proberen mijn argumenten zo objectief mogelijk weer te geven in de volgende vier paragrafen:
1 Om duidelijk te maken hoe het mogelijk was dat men tot dergelijke evolutie-gedachten kwam, is het nodig om eerst iets over de voorgeschiedenis te vertellen.
2 Vervolgens vertel ik iets over het ontstaan van de
evolutie-gedachte en de conflictsituatie die daardoor ontstond tussen de wetenschap en de kerk.
3 Daarna zal ik iets zeggen over enkele fundamentele wetten van de erfelijkheid.
4 In de laatste paragraaf zal ik de evolutie-gedachte met die erfelijke wetten confronteren.
En daarna zal ik in de conclusie mijn eigen opvatting weergeven.
Een stukje historie
Als wij ons gaan verdiepen in de situatie vóór het opkomen van de evolutiegedachte, ontdekken we allereerst het merkwaardige feit dat de kerk zich ten aanzien van het hoe van de schepping altijd heeft aangesloten bij de (toenmalige) wetenschappelijke opvattingen daarover.
En het belangrijkste onderdeel van die opvattingen was de leer van de zogenaamde spontane generatie, dat wil zeggen de gedachte dat levende organismen spontaan ontstonden uit afval en rottende bladeren e.d. Natuurlijk wist men van hogere wezens dat ze geboren werden uit andere dieren of uit zaad van andere planten. Maar desondanks meende men dat zij tevens spontaan konden ontstaan! Deze leer was afkomstig van Aristoteles en heeft stand gehouden - met enkele wijzigingen naar aanleiding van nieuwe ontdekkingen tot Louis Pasteur in 1862het steriliseren ontdekte, dus ruim 20 eeuwen lanq Die gedachte van een spontane generatie werd helemaal niet in strijd geacht met Genesis 1. Men veronderstelde namelijk dat de levende wezens geschapen waren in de vorm van 'kiemen' in de aarde of het water, want er staat immers in Genesis 1 "dat de aarde voortbrenge"
enz. Welnu, van die 'kiemen' waren er - zo dacht men - een heleboel 'overgebleven', die onder bepaalde 'gunstige' omstandigheden alsnog konden genereren.
De leer van de spontane generatie heeft wel een paar crises meegemaakt. De eerste in de zeventiende eeuw toen bij nader onderzoek bleek dat muizen, kikkers, egels, vissen, wormen, luizen, slangen, hagedissen, enz. allemaal uit eieren of soortgelijke wezens voortkwamen.
Maar nauwelijks was het vrij algemeen aanvaard dat alle met het blote oog zichtbare levende wezens biologisch gegenereerd werden, of men vond het microscoop uit en ontdekte de micro-organismen waardoor de gedachte aan een spontane generatie weer terug kwam. En hieraan heeft Pasteur dus een eind gemaakt. Toch heeft zelfs in het beqin van deze eeuw die gedachte nog éénmaal de kop opgestoken toen de virussen ontdekt werden.
De evolutie-gedachte
Nog voordat de leer van de spontane generatie helemaal ontzenuwd was, waren geologen en paleontologen al tot de conclusie gekomen dat de aarde veel ouder moest zijn dan de ongeveer 5000 jaar die men uit de bijbel berekend had.
Bovendien hadden zij de fossielen ontdekt en vastgesteld dat de verschillende diersoorten niet allemaal tegelijk voor het eerst opgetreden zijn maar in een bepaalde volgorde namelijk ongeveer in een rechte lijn wat de tijd betreft van
lager-ontwikkelden tot hoger-ontwikkelden, dus vissen, amfibieën, reptielen, enz.
Toen dus de gedachte aan een spontane generatie verworpen moest worden en de wet dat 'leven slechts uit leven ontstaat' erkend werd, was het een bijna logisch gevolg dat men op de gedachte kwam dat dan ook alle diersoorten in de gen-oemde volgorde uit elkaar voortgekomen waren. En toen kwamen de conflicten met de kerk want die had - evenals de wetenschap trouwens - altijd aangenomen dat alle diersoorten bij de schepping kant en klaar op de wereld gezet waren en sinds dien nooit veranderd waren. Dit principe van de 'soortconstantie' is door Darwin omver gegooid toen hij tijdens zijn wereldreizen ontdekte dat bepaalde soorten in verschillende delen van de wereld verschillende eigenschappen vertoonden. Op grond daarvan verkondigde hij dat verschillende soorten door natuurlijke selectie uit elkaar konden ontstaan.
Het is bijzonder tragisch dat Darwin, die aanvankelijk zeer gelovig was en zelfs voor predikant gestudeerd heeft, door zijn eigen werk zijn geloof volledig kwijt geraakt is!
De erfelijkheidsleer
Reeds halverwege de vorige eeuw was Gregor Mendel de eerste die met erwten en bonen gerichte kruisingsproeven deed om het erfelijkheids-mechanisme te ontdekken. Aan de hand van de resultaten daarvan maakte hij berekeningen over de getalsverhoudingen waarin bepaalde kenmerken in de nakomelingen terugkwamen. En hij ontdekte daarbij bepaalde wetmatigheden. Ook ontwikkelde hij als eerste een theorie over het bestaan van zogenaamde genen, speciale orgaantjes waarin erfelijke .
eigenschappen besloten zouden liggen.
Hij publiceerde zijn werk in 1865,maar tot zijn verbazing werd er door de wetenschappelijke wereld totaal niet op gereageerd. Pas in 1900- toen drie andere onderzoekers onafhankelijk van elkaar dezelfde resultaten boektenherinnerde men zich het werk van Mendel.
Gelukkig heeft men hem toen de eer gegeven die hem toekwam en de gevonden wetmatigheden de 'wetten van Mendel' genoemd.
Deze wetten waren het startsein voor de ontwikkeling van de erfelijkheidsleer. In tegenstelling tot de evolutie die slechts een theorie is, is de erfelijkheidsleer een exacte wetenschap die proefondervindelijk bewezen kan worden.
Mendel ontdekte dus dat men door kruisingen eigenschappen in de soorten kon veranderen en zelfs nieuwe soorten ontwikkelen. Nu is het woord 'soort' in dit verband eigenlijk niet juist: het zijn nieuwe rassen of variëteiten die men kweekt. Maar Mendel's erwten bleven wél erwten. En zo kan men bijvoorbeeld vele honderassen kweken, maar het blijven wél honden.
Na de wetten van Mendel volgden in snel tempo nieuwe ontdekkingen. O.a.
de chromosomen als dragers van de door Mendel voorspelde genen, en ook de mutaties. Dit zijn spontane veranderingen - waarschijnlijk onder invloed van kosmische straling - die op gezette tijden optreden in bepaalde genen. De betekenis van deze mutaties bleek te zijn: de mogelijkheden voor de soort om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden, en zodoende te kunnen overléven.
Een leuk voorbeeld daarvan is de berkenvlinder.
Dit is een nachtvlinder die zich overdag 'schuilhoudt' op de stammen van berken. Door zijn 'camouflagekleuren en patronen' is hij op die stammen practisch niet te vinden voor zijn roofvijanden, voornameiijk vogels. Deze berkenvlinder produceert op gezette tijden een volledig zwarte mutant, die zich echter in de normale omstandigheden niet kan vermeerderen omdat hij op de berkestammen wél enorm opvalt.
Niettemin komen die zwarte mutanten steeds weer terug en op een gegeven moment ontdekte men hele populaties van zwarte berkenvlinders in industriegebieden waar alles door een laag roet zwart geworden was, ook de stammen van de berken! Hier waren de zwarte exemplaren wel beschermd en de normale niet. Zo heeft de berkenvlinder zich dus aan kunnen passen aan een veranderd milieu door 'zwart te worden' waardoor de soort in die gebieden behouden kon blijven.
Deze mutanten kunnen door menselijk ingrijpen - namelijk terugkruising met de 'natuurlijke' vorm - ook tot nieuwe rassen verder gekweekt worden. Men kan mutaties zelfs opwekken door middel van bijvoorbeeld röntgenstralen en op die manier heeft men vele variëteiten kunnen kweken, bijvoorbeeld van de bananenvlieg, hét experimenteerobject van de genetica. Door menselijk ingrijpen is tegenwoordig nog veel meer mogelijk sinds de technische ontwikkelingen bij de genetische manipulatie. Ik heb echter de indruk dat de mens daarmee bezig is zijn ethische en morele grenzen te overschrijden.
Erfelijkheid contra evolutie
Bekeken vanuit het standpunt van de evolutie-gedachte bieden de resultaten van de erfelijkheidsleer dus twee mogelijkheden voor een spontane verandering van soorten, namelijk de mutatie en de kruising.
Dat mutanten spontaan ontstaan en zich kunnen vermeerderen door terugkruising met de oorspronkelijke soort hebben we in de vorige paragraaf gezien.
En waarschijnlijk is op deze manier de enorme variatie in de natuur gekomen.
Maar helaas voor de evolutionisten is het ook in dit geval zo dat een vlinder altijd een vlinder blijft en een hond een hond en een eend een eend, enz. Dat er uit een bepaalde diersoort door mutatie een hogere vorm tevoorschijn zou komen is vrijwel onmogelijk. Temeer omdat men ontdekt heeft dat mutaties altijd zogenaamde verlies-mutaties zijn. Verlies in de zin van verlies aan vitaliteit en vruchtbaarheid.
Bij de tweede mogelijkheid: spontane kruising tussen twee soorten, moet ik al direct zeggen dat de waarschijnlijkheid daarvan zeer gering is. Er zijn namelijk in de natuur twee mechanismen werkzaam, die het optreden van spontane kruisingen zeer doelmatig verhinderen.
Dat is ten eerste het specifieke baltspatroon - dat is het speciale gedrag dat .
aan een paring voorafgaat - dat een paring van een mannetje van de éne soort met een vrouwtje van de andere soort verhindert omdat zij elkaars signalen niet begrijpen.
En ten tweede is gebleken dat wanneer de mens kunstmatig dergelijke kruisingen forceert, de nakomelingen steriel zijn, dat wil zeggen zich niet verder kunnen voortplanten. Een bekend voorbeeld daarvan zijn de muilezels en muildieren, kruisingen tussen paarden en ezels. Zo heeft men meerdere kruisingen gemaakt en daarbij is gebleken dat de mate van vruchtbaarheid van de nakomelingen kan gelden als een maat voor de verwantschap tussen de oudersoorten.
Dus ook in dit geval is het hoogst onwaarschijnlijk dat er 'spontaan' hogere vormen uit lagere zouden 'ontstaan'. Daarvoor moet men te veel . toevalligheden aannemen!
Conclusie
Wil men dus aannemen dat de verschillende ontwikkelingstrappen uit elkaar 'ontstaan' zijn, dan moet men daar toch een ingreep van bovenaf (of van buitenaf) voor aannemen.
Mijn strikt persoonlijke opvatting is dan ook dat God inderdaad iedere hogere ontwikkelingstrap door een nieuwe scheppingsdaad uit de vorige geschapen heeft. Men kan zich daarbij een soort 'genetische manipulatie' voorstellen die voor iedere nieuwe trap éénmalig heeft plaatsgevonden.
En het is interessant om je dan te realiseren dat daar van 'buitenaf' niets van te zien is! Zodat het kan lijken alsof het 'vanzelf' gegaan is.
Waarschijnlijk zullen ongelovige wetenschappers dat een te gemakkelijke oplossing vinden. Maar zo gemakkelijk is het niet, want er zitten aan dat geloof een heleboel consequenties vast, die niets met wetenschap te maken hebben. Zoals: Christus als persoonlijke verlosser aanvaarden, leven naar Gods wil, aansluiting bij een kerk zoeken, enz. die dingen die maken dat de schepping en je eigen plaats daarin een diepe zin krijgen en niet meer op doelloze toevalligheden berusten.
En ik denk dat het juist die consequenties zijn waar de aanhangers van de 'moeilijkere' oplossingen niet aan willen!
En ik denk dat God die schepping met opzet zó heeft laten verlopen dat degenen die zich ermee bezig zouden houden, gedwongen. werden tot een keuze vóór of tegen God. Want zoals ds. Van der Dussen al betoogd heeft: zonder een of ander 'geloofsvooroordeel'of het nu geloof in God is of geloof dat God niet bestaat - kan men deze kwestie niet oplossen. Daarom vind ik het beeld van Genesis 1 als evangelieverkondiging zoals ds. Van der Dussen het geschetst heeft, ook zo mooi.
Tenslotte wil ik er nog op wijzen dat al die natuurwetten die gericht zijn op het overleven van de soorten en het verhinderen van vermenging van soorten toch ook door God geschapen zijn. Hoe zouden die uit zichzelf ontstaan moeten zijn? In Zijn wet verbiedt God zelfs het menselijk ingrijpen in de erfelijkheid als Hij zegt: Gij zult van Uw vee niet twee verschillende soorten laten paren! (Lev. 19:19).
(de auteur heeft biologie gestudeerd met als hoofdrichting erfelijkheidsleer)
Noot
1 A.van der Beek, Hedendaagse schuld in bijbels-theologisch perspectief. In: Kontekstueel (tijdschrift voor gereformeerd belijden nu), 8e jaargang nr. 2 (Oktober 1993). In hetzelfde nummer is ook een artikel opgenomen van W. Dekker, Schulden schuld besef in preeken pastoraat.
Met dank aan ds. J. de Jonge (Hengelo) voor de tip.