Ingezonden
1995-02-24
Vorig jaar deed de pers bericht van een enquête, gehouden onder vrijgemaakte jongeren in Noord-Nederland.- Jaargang 39
- nummer 4
Maar liefst tachtig vragen moesten duidelijk maken, hoe het ervoor stond met de persoonlijke geloofsbeleving.
In diezelfde tijd werd bij onze kerkeraden onderzoek gedaan naar de kerkelijkbeleidsmatige kant van de zaak.
Nee, de onderzoeken waren niet per ongeluk verwisseld.
Je kunt er wel vanuit gaan, dat dergelijke onderzoeken niet gedaan worden in tijden van voorspoed en bloei.
We beperken ons nu verder tot onze eigen kerken.
In het jeugdwerk worden we steeds vaker geconfronteerd met desinteresse bij jongelui.
Wij van het NGJ (Ned. Geref. Jeugdwerk) zijn er, om de jeugdverenigingen te voorzien van materiaal en motivatie.
Volgens de Statuten van onze stichting is ons doel: "de bevordering van de bestudering van Gods Woord en de toerusting vanuit Gods Woord tot het leven van alledag." Dat is een mooi doel en het brengt ook mooi werk met zich mee, alleen zien we heel goed onze beperkingen. Je kunt nog zo'n aardig blad hebben (Verkenning), nog zulke goede instructie- en jeugdweekenden, maar om dat te kunnen 'verkopen', heb je adressen nodig, belangstelling, respons.
Er is behoefte aan gemeenten, die het werk van harte steunen en die kanalen weten, waarlangs het op de juiste plaats aankomt.
In het voorjaar van 1993hebben we alle kerkeraden aangeschreven. We hebben gevraagd of ze hun medewerking wilden verlenen, door een negental vragen van ons te beantwoorden.
Het doel was tweeledig.
Aan de ene kant vroegen wij ons af, hoe het jeugdwerk bedacht wordt door de leiding van onze gemeenten. Een gunstig resultaat zou voor ons meteen een morelil opsteker zijn: die steun hebben we in elk geval!
Maar omdat we bij voorbaat al niet geheel zeker waren van zo'n gunstige uitslag, had onze brief in de eerste plaats een attenderend karakter: kerkeraden, vergeet het jeugdwerk niet!
Investeer goed in de adspirant-ouders en -ouderlingen. We wilden dus in enen een beeld krijgen van kerkeraads betrokkenheid, én daarvoor nadrukkelijk de aandacht vragen.
We hebben alle 96 toenmalige kerkeraden ruimschoots gelegenheid gegeven .om onze vragen te beantwoorden. Helaas reageerde nog niet de helft op eigen initiatief! Na een herhaalde oproep in de nazomer volgde nog een aantal racties. In totaal kregen we aldus van 62% van de kerkeraden een antwoord.
Staat u ons toe om op basis van deze cijfers voorzichtig vast te stellen, dat het jeugdwerk niet op alle kerkeraadstafels aandacht krijgt. Dat is een verontrustende conclusie die we al kunnen trekken, voordat we naar het eigenlijke resultaat gaan kijken. Iemand zegt misschien, dat 60% heel aardig is voor een enquête, maar wij zeggen: in 4 van de 10 gemeenten blijven de brieven van het eigen jeugdwerk onbeantwoord.
Niet dat wij zonodig aandacht willen (al heeft, zoals ik reeds aangaf, bekendheid van het NGJ voor ons zeker waarde), maar verdient de záák niet meer dan dit?
Gelukkig reageerde de meerderheid wél. Daar willen we hartelijk voor bedanken.
De uitslagen kwamen binnen bij onze ervaren Dirk van der Molen. Hij verwerkte de gegevens die de basis vormen voor dit artikel. De complete uitslag zal verstuurd worden aan de scriba's.
De eerste vraag maakte ons duidelijk, dat (van de reagerende kerken)
40% van de jeugd tussen 16 en 25 jaar is aangesloten bij een vereniging. Wij waren al enigszins op de hoogte van dit percentage, omdat onze rayonkontaktpersonen daar jaarlijks onderzoek naar doen. Vanzelfsprekend vinden wij 40% niet veel. We stellen ons heel concreet voor, dat een vereniging die na kerktijd vergadert, zès van de tien jongelui naar huis ziet gaan.
Natuurlijk zijn er gemeenten waarbij het percentage gunstiger ligt, maar dus ook, waarbij het nog ongunstiger uitvalt.
Wij vragen ons af, of de kerkeraden zich (voor én na beantwoording van onze brief) ervan bewust zijn, dat het grootste gedeelte van hun jeugd meent zonder te kunnen. Zien ook zij die zes jongelui weggaan? Jeugd zonder jeugd, zonder gezamenlijke bijbelstudie, en straks moeten ze het met elkaar doen, als opvolgers in uw kerkeraadsbanken ...
Nu vindt de helft van de reagerende kerken desgevraagd, dat er voldoende aandacht gegeven wordt aan de jeugd.
Eén op de vijf geeft toe, dat er verbetering noodzakelijk is. De rest blijft vaag, bijvoorbeeld omdat men zegt leiding te geven aan de gemeente als geheel en niet aan afzonderlijke groepen.
Hier manifesteert zich het nadeel van het fenomeen enquête. Wat kunnen we immers precies uit deze cijfers opmaken?
De ene kerk zal zich er gemakkelijker vanaf maken dan de andere. Wat de één voldoende vindt, is bij de ander een reden om zich te verontschuldigen. Tekenend is, dat bij de beantwoording van onze brief lang niet overal de hele kerkeraad betrokken is geweest: zelfs bij meer dan de helft van de reagerende kerken niet. We hadden dat, ietwat ondeugend, gepeild in onze laatste vraag. Zes kerkeraden antwoorden openlijk, dat zelfs onze enquête geenagendapu~isgewee~.Teldaa~ bij op alle kerkeraden, die niet eens gereageerd hebben. Dan kun je constateren, dat bij een kleine minderheid van onze kerkeraden enig belang wordt gehecht aan een brief als de onze.
Noemt u dan eens vijf zaken, potentiële agendapunten, die zoveel prioriteit verdienen, dat voor het jeugdwerk en voor een enquête
daarover geen tijd is? Hoe houdt u zich dan bezig met de toekomst van de gemeente? Hoeveel ruimte is er, bij àl dat vergader, voor de eigen jeugd?
Dáár ging het ons uiteindelijk om. En dan moet gezegd, dat de kerkeraden die wél gereageerd hebben, toch niet veel ongerustheid konden wegnemen.
Zorgelijk is ook bovengenoemde gedachte, dat de jeugd geen aparte benadering behoeft. We leven weliswaar in een tijd, dat de kinderen weleens misplaatste aandacht krijgen. Maar als dáárom de jeugd niet meer als aparte groep benaderd wordt, dan lijkt dat ons een onevenwichtige reactie. Het feit dat overal in onze kerken nog wél grote waarde wordt gehecht aan de catechisaties, geeft trouwens al aan, dat de jeugd wel degelijk apart benaderd wordt.
En natuurlijk. Een voetbalclub die zichzelf respecteert, heeft al een aparte jeugdopleiding, met speciale jeugdtrainers.
Doelgerichte investering in jeugdige spelers loont.
Wij in de kerk zijn toch niet afgezakt naar een niveau, waarop het besef ontbreekt, dat zelfs bij een voetbalclub nog aanwezig is? Een kerkeraad die leiding wil geven aan het geheel, moet kunnen aangeven hoe dat dan concreet gebeurt.
Zonder toespitsing komt er onherroepelijk vervlakking.
Opmerkelijk gunstig scoort de vraag over het huisbezoek. Als ouderlingen een afspraak maken voor een huisbezoek, vragen ze dan van tevoren of de kinderen er ook bij kunnen zijn? Bijna alle kerkaraden zeggen van wel. En vrijwel nét zoveel kerkeraden vragen zèlfs, of de jeugd misschien apart huisbezoek zou willen ontvangen. Dat was ver boven onze verwachting.
En daar zien we dus 66k wel degelijk aparte aandacht voor de jeugd. Omdat wij die hier beslist niet verwacht hadden, ontbrak een
vervolg-vraag, namelijk: hoeveel thuis wonende kinderen hebben daadwerkelijk weleens een gesprek met hun ouderling of dominee?
Meer dan de helft van de kerkeraden geeft aan dat de verenigingen weleens bezocht worden. Soms zelfs één keer per kwartaal (wat eigenlijk neerkomt op twee keer per jaar). Een heel aantal kerkeraden geeft hier echter geen antwoord.
Dat kan betekenen, dat het meeleven op deze manier (nog) niet bestond.
Wij hopen echt, dat onze brief een attenderende functie heeft gehad!
Er zijn veel kerkeraden, die niet een duidelijk antwoord geven op de vraag, of de kerkeraad de totstandkoming of de groei van een vereniging bevordert. Ook dat is verontrustend.
In gunstig contrast daarmee staan andere reacties. Sommige kerkeraden zeggen dat stimulering nauwelijks nodig is. In bepaalde gemeenten lijkt de liefde voor het verenigingswerk inderdaad aangeboren, dat is ook de ervaring van het NGJ. Ook zijn er kerkeraden, die zoveel creativiteit en slagvaardigheid vertonen, dat resultaat niet kàn uitblijven! Er wordt op een aantal plaatsen veel gedaan en veel bereikt.
Jeugdouderlingen en -commissies coördineren het nodige.
Uit de antwoorden bleek wel, dat met· enige inventiviteit iédere gemeente een jeugdvereniging kan hebben. AI moet de jeugd van een naburige of van een 'aanverwante' kerk benaderd worden, om tot gezamenlijke activiteiten te komen.
Misschien is het goed, dat kerkeraden hun licht opsteken bij elkaar, of positieve ervaringen uitwisselen. Wij bemiddelen graag!
Met de bekendheïd van het NGJ is het wat ongelukkig gesteld. Kerkeraden zelf kennen ons redelijk, maar de jeugd beduidend minder. Dat kon natuurlijk beter omgekeerd wezen - in die zin ongelukkig. Uit de kale cijfers kunnen we al opmaken, dat slechts de helft van de jeugdverenigingsleden op de hoogte is van NGJ-activiteiten. Zo denken althans hun kerkeraden.
Een enkele raad meent, dat dat aan het NGJ zelf te wijten is. Inderdaad moeten wij toegeven, dat onze propaganda altijd voor verbetering vatbaar is.
Toch laten we u graag weten, dat er jaarlijks enkele duizenden guldens wordt uitgegeven, om via advertenties, posters e.d. op onze activiteiten te wijzen. Regelmatig vragen we.ons af, of we misschien onszelf moeten gaan presenteren op gemeente-avonden.
Wellicht.
De kwaliteit van ons werk wordt over het algemeen gelukkig op prijs gesteld.
De schetsenbundels vinden aardig àftrek. De organisatoren van de laatste jeugddagen krijgen behoorlijk complimenten.
Er klinken ook enige kritische noten.
Men signaleert, dat het ons moeite kost om alle afstand met de jeugd weg te nemen (het bestuur is altijd een stukje ouder dan de doelgroep, zoals u kunt begrijpen). Ietwat stoffig, domineesgebeuren, en dergelijke kwalificaties.
Dat laatste kan ik mezelf aanrekenen, aangezien ik de enige dominee in de club ben...
AI met al moeten we concluderen, dat deze onderneming ons matig bekomen is. Misschien moeten we het nog eens over doen: onszelf in de toekomst nog eens opdringen aan al die drukke kerkeraadsagenda's.
En nog eens. Tenzij ons van alle kanten wordt duidelijk gemaakt, dat er andere prioriteiten zijn.