Brutaal geloof
1995-02-24
Consumptie-artikel- Jaargang 39
- nummer 4
Onze ervaringshorizon is eigenlijk verschrikkelijk beperkt. Het is goed ons dat te realiseren. Vaak staan we er niet zo bij stil en denken we dat we heel wat weten. En we kunnen ook erg onder de indruk komen van de menselijke prestaties.
We kunnen versteld staan van de ongelooflijke hoeveelheden kennis, van de enorme schat aan inzicht en levenservaring die je bij sommigen aantreft.
Als heel die scala van menselijke mogelijkheden zich voor je ogen ontvouwt en je fascineert, vergeet je gemakkelijk je beperktheid en begrensdheid. Toch is die er wel degelijk. Juist de grote denkers hebben telkens weer met verbazing ontdekt, dat met het groeien van hun kennis en inzicht ook het besef van hun beperktheid groeide. Als het erop aan komt, weten we bar weinig.
Dat geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag wat leven is en in nog sterkere mate ten aanzien van de dood.
Wat weten wij mensen uit ervaring van de dood? Helemaal niets! En toch worden we elke dag met de dood geconfronteerd.
Meestal gebeurt dat op afstand, via de krant en de tv. De doden verschijnen bij tientallen en honderdtallen tegelijk op de beeldbuis. Dat werkt afstompend. Een enkele keer, bij bijzonder grote rampen en hartverscheurende beelden, grijpt het ons nog even aan en knijpt het onze keel misschien nog even dicht. Maar wijzelf leven nog.
En de koffie smaakt nog steeds goed.
En we lachen al weer als iemand een mop vertelt over de Belgen die volgens 'ons zo stompzinnig kunnen zijn. Op het televisiescherm wordt de dood een consumptie-artikel. In politie- en detectivefilms wordt de dood een middel om ons te ontspannen. Zo beleven we de dood op een afstand, als een kijkspel, als een boeiend en spannend gegeven.
We krijgen een dikke laag eelt om onze ziel. Het raakt ons niet of nauwelijks meer.
Metgezel
Een enkele keer komt de dood dichter bij huis: vlak voor onze ogen op straat of op de snelweg bij een ongeluk. Dan kunnen we er met grote starende ogen nachten van wakker liggen. Of we schrikken er met een gil wakker van, soms nog tijden erna. Andere keren komt de dood nog dichter bij: in de kring van onze familie, van ons gezin: een vader, een moeder, een man, een vrouw, een kind. Dat kan je zo aangrijpen, dat je het nooit meer kwijtraakt en het veroorzaakt een blijvend litteken.
Soms slaag je erin het te camoufleren en weg te moffelen, maar andere keren komt het weer in alle scherpte op je af.
En ook bij jezelf, in je eigen lijf en bestaan, voel je de dood soms naderen.
Natuurlijk kan hij je ook onverhoeds overvallen, maar vaak kondigt hij zich lang van tevoren aan, eerst nog heel subtiel, maar geleidelijk aan steeds nadrukkelijker. En je beseft: ik loop rond met de dood in me. Hij is mijn metgezel.
Er is een lied (Gez. 359) met de volgende beginregels:
Middenin de dood zijn wij in het leven.
Dat is een geloofservaring. Maar wat we menselijk gezien elke dag ervaren, is juist het omgekeerde:
Middenin het leven zijn we door de dood omvangen
(Gez. 272). Dat is constateerbare werkelijkheid.
De dood is van het begin van ons leven af onze metgezel. Het leven is eigenlijk een langzaam sterven, zegt het oude formuliergebed voor de doop.
Dat klinkt niet prettig in onze oren, .maar het is wel eerlijk en nuchter.
Een kwestie van geloof
Zo worden we onophoudelijk met de dood geconfronteerd. En toch, wat weten we er bitter weinig van. We kunnen de dood constateren, aan den lijve ondervinden, maar er niet doorheen kijken. Met al onze ervaringen kunnen we de dood niet begrijpelijk maken. De meest diepzinnige beschouwingen maken de dood niet doorzichtig. Niemand van ons kan uit eigen ervaring vertellen wat het is' dood te zijn en wat er na het sterven komt.
Juist het feit dat niemand over ervaringskennis beschikt over de situatie na het sterven, brengt velen ertoe te zeggen: dood is dood. Wie dat zeggen, menen zich te baseren op feiten. Zo liggen de feiten, zeggen ze. Dood is dood. En daar lijkt geen speld tussen te krijgen. Maar toch is dat nietwaar. Ze komen niet tot hun conclusie op grond van feitenkennis. Ze baseren hun uitspraak niet op feiten, maar op een geloof, een visie. Wie zegt 'dood is dood', kan dat evenmin op ervaringsfeiten baseren als wie zegt: 'de dood heeft niet het laatste woord; met de dood is het niet afgelopen.' Beiden gaan uit van bepaalde vooronderstellingen, van een bepaald geloof.
Ik las eens een artikel van een predikant: de gerichtheid van de mens is veranderd. Vroeger ging men ervan uit dat het eigenlijke niet hier op aarde was maar nog komen moest. Bij die gerichtheid paste de gedachte: met de dood is het niet afgelopen. Maar nu denken mensen anders en zeggen ze: we moeten het hier en nu maken.
Daarom is er een nieuwe doodsleer nodig. Dood is dood.
Deze auteur geeft dus onomwonden toe, dat de nieuwe doodsleer niet gebaseerd is op feiten, maar op een veranderde instelling van de mensen, op een nieuwe visie, een nieuwe blikrichting, een ander geloof. Daar zit 'm de kneep.
Wat wij over de dood weten te zeggen komt voort uit een bepaald geloof. Als christenen zijn we ervan overtuigd dat alleen het evangelie ons een juist zicht kan geven op de dood. Alleen het evangelie geeft mij betrouwbare, normatieve lntorrnatievook op dit punt.
Afgesneden van God
Het eerste wat dan opgemerkt moet worden is dit, dat de dood in de Schrift veel meer inhoudt dan de biologische dood. Dood zijn wil ten diepste zeggen dat alle levensdraden met God doorgesneden zijn. Als zodanig is de dood een gevolg van de zonde. De zonde is het mes waarmee de verbinding met God wordt afgesneden. En de situatie die dan intreedt, is de dood. Als Jezus zegt: 'laat de doden hun doden, hun gestorvenen, begraven', doelt Hij op datdood zijn. De mensen over wie Hij het heeft, eten en drinken nog, ze lopen nog over straat, doen inkopen op de markt, lachen en verwekken kinderen.
En toch zijn ze doden, want ze hebben geen levensrelatie met God.
Het is als bij een belegerde stad die volledig is afgesneden van de toevoer van levensmiddelen. Zo'n stad kan het nog een tijdje uitzingen met de voorraad voedsel die nog aanwezig is.
Maar als er geen verandering in de situatie komt en de verbindingen met de buitenwereld niet worden hersteld, is het enige uitzicht de dood.
Zo was de situatie in het paradijs. De mens hanteerde zelf het mes waarmee hij de levenslijn met God doorsneed.
Toen hij dat gedaan had, trad, op hetzelfde moment, de dood in. Zodra de verbinding met God, die het leven garandeert, verbroken is, is er sprake van de dood. Toen God de mens waarschuwde, zei Hij dan ook: op de dag waarop je van de boom eet, moet je sterven. Er wordt wel eens gezegd, dat dit niet gebeurd is en dat God zijn dreigement niet uitvoerde. Want Adam en Eva zijn immers niet op diezelfde dag overleden. Maar wie zo redeneert, houdt geen rekening met de bijbelse' betekenis van de dood. Adam en Eva hebben de levenslijn met God doorgesneden.
Op datzelfde moment nam de dood bezit van hen. Dat blijkt ook uit hun reactie. Ze verstoppen zich voor God. Ze kruipen voor Hem weg en zijn bang voor Hem geworden. Dat is de dood: voor God wegkruipen, Hem niet meer onder ogen kunnen komen.
Herstelde verbinding
Aan die dood kan alleen een eind gemaakt worden door God. De verbinding met Hem kan alleen van zijn. kant uit hersteld worden. Van ons uit kan dat niet, want wij zijn dood in zonden en misdaden. Wie dood is, kan geen contacten leggen en geen verhoudingen herstellen. Alleen God kan door de doodsbarrière heen breken en weer leven schenken. Dat heeft Hij ook gedaan. Hij heeft Adam en Eva opgezocht, het gordijn van de dood opzij geschoven en weer contact gemaakt. Weliswaar zou de dood als koning heersen en zich in elk mens nestelen en zijn macht in elk mensenleven manifesteren, maar de situatie is niet hopeloos meer. Doordat God ging ingrijpen, werd het mogelijk middenin de dood weer te leven.
Dat ingrijpen van God culmineerde in Jezus Christus. Hij heeft zich vrijwillig in de doodssituatie begeven om ons van de dood te redden. Hij is door de dood in de volle zin van het woord heengegaan. Hij schreeuwde het uit: mijn God, waarom hebt U me verlaten?
Dat was de dood. Elke levensgemeenschap met God was doorgesneden.
Onze zonden sneden Hem van God af.
Toen, op dat moment, verkeerde Hij in de greep van de dood. Dat gebeurde niet pas toen Hij stierf. Zijn biologische dood was de consequentie van zijn dood, niet het begin ervan.
Zo heeft Christus de dood ondergaan om ons van de dood te bevrijden. Hij droeg de dood voor ons. Door Christus over te geven in de dood maakte God weer contact met ons en herstelde Hij de levenslijn met ons weer. Christus' striemen en wonden brengen ons genezing.
Zijn dood brengt ons het leven.
Die herstelde verbinding met God is vandaag echter nog niet ongestoord.
Paulus spreekt daar uitvoerig over in zijn brief aan de Romeinen. Eerst (in hoofdstuk 6) laat hij zien, dat we met Christus ondergegaan zijn in de dood.
Toen jullie gedoopt werden, schrijft hij, werden jullie ondergedompeld in Christus' dood en werden jullie met Hem begraven. Onze oude mens is met Christus gekruisigd. Dat betekent de doodsteek voor de dood. Door de dood die Christus gestorven is, heeft Hij voorgoed afgerekend met de zonde.
Doordat wij ondergedompeld zijn in zijn dood, zijn ook wij dood voor de zonde en levend voor God. God heeft het contact met ons weer hersteld. Middenin de dood zijn wij weer in het leven.
Er is weer een nieuw begin gemaakt.
Maar het is nog slechts een begin. We zijn nog niet waar we wezen moeten.
Zuchten en steunen
Dat werkt Paulus verder uit in hoofdstuk 7. Naar de innerlijke mens schep ik behagen in Gods wet, maar ik ben me er ook van bewust en ervaar het ook telkens opnieuw, dat er in mijn vlees niets goeds woont. Het nieuwe begin van God wordt telkens weer doorkruist door de oude doodssituatie, en wel in zo'n mate dat Paulus uitroept: ik, ongelukkige, ik, stumper, wie zal me verlossen van dit doodsbestaan! Telkens weer speelt het op, laat het zich gelden en werkt het als een stoorzender op de golflengte waarop het contact tussen ons en God plaatsvindt. Zo is voor ons het nieuwe leven met Christus wel begonnen, maar de dood werkt nog na.
Dat geldt ook ten aanzien van het lijden en het sterven (hoofdstuk 8). We zijn door Christus kinderen van God. We hebben de Geest als geboortebewijs van ons nieuwe leven ontvangen. Toch zuchten en kreunen we nog onder de zinloosheid, de vergankelijkheid en de afbraak van ons bestaan. Ook als kinderen van God, als mensen voor wie Christus gestorven is, moeten we nog sterven. Ons bestaan wordt nog dagelijks afgebroken. We takelen elke dag verder af. Dat is de harde realiteit. We moeten ervan zuchten en steunen, zegt Paulus.
Maar die afbraak is niet onherroepelijk, niet definitief. Buiten Christus om is dat wel het geval. Buiten Hem is dood werkelijk dood. Dat is dan al het geval vóór het moment van het sterven. Buiten Christus om is iemand ten diepste al dood tijdens zijn leven. Maar als Christus ons leven geworden is, gaan we nog wel dood en tast de vergankelijkheid ons nog wel aan, maar zijn we toch middenin de dood en in ons gestorven zijn al in het leven.
Daar kan de dood niets meer aan af of toe doen. Wie in Christus is, kan niet meer worden gescheiden van Gods liefde, zelfs niet door de dood. Ook al wordt zijn aardse tent afgebroken en valt er een graf boven hem dicht, dan wordt het contact met God toch niet verbroken. Ook als dode is hij met Christus, in het paradijs. Dat weten we niet uit ervaring, maar God zegt het in zijn Woord. En wat Hij zegt, is betrouwbaarder dan onze ervaring. Voor wie in Christus is, is dood niet dood. Nu niet, en straks als hij sterft ook niet.
Tandeloos
Daarmee is de dood zelf geen positieve zaak geworden. De dood kan nooit-een positieve zaak zijn, want hij staat lijnrecht tegenover het leven en vierkant tegenover God. De dood blijft een vijand, een taaie vijand die het weet uit te houden tot de komst van Christus.
Maar evenals het nieuwe leven in Christus nu nog gestoord wordt door de zonde en de dood, zo wordt nu de dood al gestoord door het leven van Christus.
De dood heeft zijn prikkel verloren, schrijft Paulus in
1 Kor. 15. Zijn tanden zijn al uitgevallen. Want Christus is voor ons gestorven. Hij heeft de dood in de volle zin van het woord gedragen en was van God verlaten, opdat wij nooit meer van God verlaten zouden worden, zelfs niet in de dood. Daarom mogen we tot elkaar zeggen:
Zet
met één been
in het graf
brutaal
het andere in
het leven
dat uit het gat
van de dood opstond
om voorgoed
vaste grond
onder onze beide voeten
te zijn.