Petrus over de Zondvloed
1995-03-10
(5) Want opzettelijk gaan ze voorbij aan het feit dat er van oudsher hemelen waren en een aarde, uit water en temidden van water bestaande door het woord van God, (6) door welke (wateren) de toenmalige wereld, overspoeld als ze werd door water, is vergaan.- Jaargang 39
- nummer 5
2 Petr. 3, 5.6
Petrus' bericht over de zondvloed, zoals we dat vinden in zijn tweede brief, heb ik hierboven laten afdrukken in een weergave die, naar ik meen, aan de grondtekst recht doet.
In v. 6 heb ik 'wateren' tussen haakjes toegevoegd. Dit om duidelijk te laten uitkomen, dat het betrekkelijk voornaamwoord 'welke' in de' Griekse tekst in de meervoudsvorm staat. Het kan dus niet terugslaan op een enkelvoudig water, zoals we dat in de voorafgaande zin tweemaal tegenkomen.
Met de vertaling 'waardoor' verdoezelt men dit gegeven, omdat 'waardoor' zowel op een enkelvoud als op een meervoud kan slaan.
De onontwijkbare conclusie lijkt dus deze, dat het in de voorafgaande zin over twee verschillende wateren gaat, aan welke beide v. 6 de ondergang van de wereld in Noachs dagen toeschrijft.
Nu is er in het zondvloedverhaal uit Gen.7 inderdaad sprake van twee watermassa's: "op die dag braken alle kolken der grote waterdiepte open en werden de sluizen des hemels geopend"
(v. 7). Het ligt dus voor de hand aan te nemen, dat Petrus die beide watermassa's - boven in de hemel en diep onder de aarde - voor ogen hebben gestaan.
Het probleem is alleen: hoe rijmen we die voorstelling met de wijze waarop de apostel zich uitdrukt? De bepaling 'uit water en temidden van water bestaande' is namelijk - gezien de uitgang van het deelwoord 'bestaande'grammaticaal betrokken op het zelfstandig naamwoord 'aarde'. Nu gaat de bepaling 'temidden van1 water bestaande' voor de aarde wel degelijk op naar de oude voorstelling die men van haar heeft: dat ze nl. rondom is omgeven door de oceaan, waarin ze rust op pijlers (vgl. Job 38, 6 en Ps. 75, 4); als een soort boorplatform dus.
Maar dat de aarde tevens 'uit water' zou bestaan, lijkt ongeloofwaardig. Dat zou veeleer van de hemelen gezegd kunnen zijn. Wij lezen immers in Gen.
1, 7 van 'de wateren die boven het uitspansel waren": En het is ook inderdaad dáár, in de hemelen, dat er bij de zondvloed 'sluizen' worden geopend.
Ik denk dus, dat wij Petrus' bedoeling aanzienlijk zouden verduidelijken, als wij de bepaling 'uit water en temidden van water bestaande' zouden laten voorafgaan door het woord 'respectievelijk'.
Dan wordt duidelijk, dat de bepaling 'uit water (bestaande)' bij 'hemelen' hoort, en de bepaling 'temidden van water bestaande' bij 'aarde'.
Wat hier tot misverstand aanleiding geeft is het ontbreken van het woord 'bestaande' in de manlijke meervoudsvorm, te betrekken op het manlijk meervoudige 'hemelen', na de woorden 'uit water'. Maar zo'n vereenvoudiging is in het Grieks niet ongebruikelijk.
Als aan twee verschillende onderwerpen - zoals hier aan 'hemelen' (manl. meerv.) en 'aarde' (vrouw. enkelv.) - eenzelfde bepaling ('bestaande') wordt meegegeven, volstaat men vaak met die maar éénmaal uit te schrijven, en daaraan een grammaticale vorm te geven die op het dichtstbijzijnde onderwerp in geslacht en getal correspondeert". En dat is hier het vrouwelijk enkelvoudige 'aarde'.
Noten
1 Voor dit gebruik van 'dia' vergelijke men LiddeI1-Scott-Jones, s.v. A 13.
2 Vgl. ook Ps. 104,2.3: "Hij spant de hemel uit als een tentkleed, Hij zoldert zijn opperzalen in de wateren".
3 Zie Kühner-Gerth 181 Anm. 3. Soortgelijke vereenvoudigende combinaties vindt men ook elders in het NT: Hd. 5, 29 'antwoordend (enkelv.; "dus alleen op Petrus betrokken) zeiden Petrus en de apostelen: ...'': MI. 18,8 "als uw hand (vrouw. enkelv.) of uw voet (manI. enkelv.) u tot zonde verleidt, hak hem (manl.
enkelv.) af"; Gal. 1,8 "zelfs wanneer wij (meerv.) of een engel (enkelv.) uit de hemel u een evangelie verkondig (enkelv.) ...".