VRAGEN - In memoriam 6 -
1995-03-24
We hebben vragen. En we gaan ze niet uit de weg. We proberen er een antwoord op te vinden. Niet met onze eigen woorden, maar met woorden van de Heer zelf.- Jaargang 39
- nummer 6
Eerste vraag: hoe rijm je dat met je geloof - het plotselinge sterven van een jong meisje drie maanden na de even plotselinge dood van haar moeder?
Achter deze vraag ligt de gedachte dat het reisbureau van het Koninkrijk failliet is. En de kerk toch maar reizen naar de hemel slijten!
Antwoord: het Koninkrijk lijkt altijd failliet. Het is zwak en dwaas. Maar dat is het, opdat zijn kracht en zijn wijsheid des te beter uitkomen.
Wij krijgen de opdracht om een ellendig volk te troosten. 'Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe dat zijn lijdenstijd volbracht is ... ' (Jesaja 40:2a, 6-11; 61-1-3a, 52:7-10).
Tweede vraag: waarom? waarom?
We weten natuurlijk heel goed, dat wij mensen zelf een grote puinhoop van het leven maken. Het goede komt van boven, het kwade van onszelf, en met het goede kan Hij nog iets goeds. Hij vergeet zijn volk niet. 'Zie, ik heb u in mijn handpalmen gegrift'.
Dit is de tekst die haar moeder in het ziekenhuis heeft genoemd. Dit is de tekst die boven de rouwbrief van het meisje zelf staat. Hij heeft Jeruzalem en zijn inwoners in beide handpalmen getatoueerd. Niet maar even met een viltstift of een potlood - zoals wij wel eens doen met een adres of een telefoonnummer.
Maar getatoueerd. Als je daar een keer in staat, kom je er nooit meer uit. Zo staat ook zij in de handen van God. (Jesaja 40:27-31; 49:14-23).
Derde vraag: is dit een straf, voor onszelf of voor de gemeente?
Antwoord: dan slaan we onszelf en de gemeente te hoog aan. Alsof wij de straf voor onze zonden zouden kunnen dragen!
Van de Knecht des Heren - en wij weten dat het Jezus Christus is, die aan deze profielschets volledig beantwoordt - zegt de profeet: onze ongerechtigheden heeft Hij gedragen.
Ons zusje heeft zich niet uitgesproken over zichzelf. Maar de troost die we hebben is veel groter: God heeft zich uitgesproken over haar. Zie, Ik heb je in beide handpalmen gegraveerd.
(Jesaja 53:4-5, 10b-11).
Laatste vraag: slaapt ze?
Ja, beste jongen. De Here Jezus zei het zelf van het dochtertje van Jaïrus.
De grote mensen lachten Hem uit, omdat ze wisten dat ze gestorven was.
Maar Jezus zei: 'Ze slaapt'. En Jezus ging erheen om haar wakker te maken.
Je zusje slaapt zo diep, dat alleen de Here Jezus haar wakker kan maken.
Dat doet Hij ook, als Hij terugkomt.
(Jesaja 41:13-14,17-20; 65:17-20a, 23-24).