Vragen van toen - vragen van nu

1995-03-24
  • Jaargang 39
  • nummer 6
Godsverduistering
In onze taal kennen we de uitdrukking: een roepende in de woestijn. Daarmee bedoelen we iemand naar wie niet geluisterd wordt. Iemand heeft iets heel belangrijks te vertellen. Hij trekt aan de bel bij talloze instanties. Maar nergens is er iemand bij wie zijn boodschap aankomt en die hem gehoor geeft. En dan zegt hij: ik voel me als een roepende in de woestijn.
Die uitdrukking is ontleend aan Jes. 40:3 in de oude Statenvertaling, waar staat: een stem des roependen in de woestijn.
Maar wie dat vers zou interpreteren vanuit de nederlandse betekenis van die uitdrukking, gaat helemaal de mist in.
Want in de eerste plaats wordt hier helemaal niet geroepen in een woestijn en in de tweede plaats is er geen sprake van dat er niet naar die stem geluisterd wordt. De vertaling van het NBG van dit vers is dan ook beter: iemand roept: bereidt in de woestijn de weg des HEREN.
Jes. 40 verplaatst ons naar de situatie van de joodse ballingen in Babel. Ze bevinden zich daar al lange tijd. De kinderen van degenen die in ballingschap werden gevoerd, zijn er opgegroeid en hebben er zelf weer kinderen gekregen. Ze hebben zich daar een bestaan opgebouwd en materieel gezien hebben ze het niet echt slecht meer.
Maar religieus gezien waren ze er niet zo best aan toe. Ze vonden dat ze in een tijd van Godsverduistering leefden, een tijd waarin God zich had teruggetrokken en zich niets meer aan hen gelegen liet liggen (40:27).Het gevolg daarvan was, dat zich een matheid meester had gemaakt van hun geloofsleven (40:28-31).
Het geloof zei hun allemaal niet zoveel meer. Het was niet helemaal weg, maar zette hen niet meer in beweging. Ze waren sceptisch geworden.
Als ze in de psalmen lazen dat Jahwe koning is van het heelal en het wereldgebeuren beheerst, haalden ze hun schouders op en zeiden: mooie woorden, maar je kunt er niets mee. En al die verhalen over zijn daden in het verleden zijn wel spannend, maar je hebt er niets aan voor vandaag. Vandaag kun je niets van God ontdekken.

Wrakhout
Vroeger was dat anders. Toen was Hij aanwezig. Toen waren er mannen als Mozes en David die in zijn naam grote dingen deden. Toen waren er profeten als Elia en Eliza die Hem tastbaar maakten.
Toen was er de tempel in Jeruzalem, waar je Hem kon ontmoeten en gemeenschap met Hem hebben in de offermaaltijden. Toen was zijn aanwezigheid geen probleem. Weliswaar was Israël maar een klein volkje, een miezerig notedopje in de volkerenzee. Maar als je in dat notedopje zat, sprak alles van Hem. Dan waren zijn aanwezigheid en zijn macht eigenlijk vanzelfsprekend.
lets daarvan hebben wij ook nog gekend, vóór de tweede wereldoorlog en ook daarna nog wel. Het kerkelijk leven bloeide. En wat er buiten onze kring gistte en kookte, ging grotendeels langs ons heen. Dat raakte ons niet wezenlijk.
We zaten in een notedop. En in die beslotenheid van eigen kring was het een vanzelfsprekende zaak dat God er was en het wereldgebeuren in zijn hand had.
Zo was het ook bij Israël geweest. Maar toen waren ze andere goden gaan dienen.
En tenslotte waren de catastrofes gekomen. Het notedopje zonk in het noodweer van de volkerenzee, eerst het ene stuk, de voorsteven, Samaria. Het werd stukgebeukt door de assyrische vloedgolf. Daarna zonk het andere stuk, de achtersteven, Jeruzalem. Het had zich nog een tijdje drijvend weten te houden, maar toen was de babylonlsche vloedgolf gekomen en was ook dat stuk in de golven verdwenen. De opvarenden waren deels verzwolgen, deels meegesleurd als wrakhout. Sommigen spoelden aan in Egypte, de anderen in Babel.
Maar van de notedop was niets meer over. Jeruzalem was verwoest. Kanaän was in het bezit van andere volken. De tempel was een puinhoop. Het volk van God was geminimaliseerd. En de offerdienst was radicaal afgebroken. En dat betekende een enorme klap voor het geloofsleven. Want een godsdienst zonder offerdienst was in die tijd net zoiets als een auto zonder motor vandaag. Je kon er niets mee aanvangen. De offerdienst stond zo centraal, dat het eigenlijk ondenkbaar was God te dienen zonder offers. Het verdwijnen van de offers betekende zoiets als het verdwijnen van God.

Vragen
En toen was alles niet zo vanzelfsprekend meer. Gods aanwezigheid was een probleem geworden. Er was geen ontmoetingsplaats meer en geen gemeenschapsoefening met Hem. Waar was Hij nu? Waar kon je Hem ontmoeten? Dat waren nijpende vragen geworden. En zijn macht was zo mogelijk nog problematischer.
Was Jahwe niet uitgerangeerd, uitgeschakeld door andere goden? Waren het niet de Assyriërs, de Babyloniërs en de Perzen die het verloop van de wereldgeschiedenis bepaalden, aan de touwtjes van de wereldpolitiek trokken en Hem van het wereldtoneel hadden weggeduwd?
Speelt Jahwe nog wel een rol? Is Hij door de ontwikkelingen niet op nonactief gesteld? Die vragen knaagden aan hun hart en maakten hen moedeloos.
Er lag over hun geloof een moeheid, een matheid. Het inspireerde hen niet meer. Alles werd even dof en grauw.
Herkennen we dat vandaag ook niet? De kerken lijken op schepen die door de golven stukgebeukt zijn en langzaam wegzinken. Tallozen hebben de zinkende schepen al verlaten. Ze hebben er geen fiducie meer in. Ze zien God niet meer zitten.
Van de nog aanwezige opvarenden worden velen geplaagd door vragen.
Waar is God? Waar is zijn macht? We signaleren Hem niet meer. We kunnen Hem nergens meer ontdekken.
Dat alles knaagt aan het hart van talloze christenen. Het vreet zich een weg dwars door alle kerken heen. En er heeft zich een moeheid, een matheid, meester gemaakt van veler geloof. De glans is eraf. Er gaat niets meer van uit. En wat men zelf niet meer ziet, kan men natuurlijk ook niet aan anderen doorgeven.

Sensationeel nieuws
In een soortgelijke situatie stuurt God een profeet tot zijn gedecimeerde volk en laat Hij aankondigen, dat Hij alle macht heeft op het wereldtoneel en voor aller oog reddend en verlossend zal gaan optreden.
Die boodschap klinkt belachelijk in de oren van allen die God hebben afgeschreven en niets meer van Hem verwachten.
Dat Hij de grote machthebber is, is eigenlijk iets waar niemand nog serieus rekening mee houdt. De machtige babylonische heerser en zijn rijksgroten doen dat natuurlijk helemaal niet, maar ook bij Jahwe's eigen volk is dat geloof uitgedoofd. Misschien zegt hun mond de woorden nog wel, maar in hun leven speelt het geen rol meer. En dan klinkt daar ineens die stem. Van wie die stem is, wordt in de tekst van Jes. 40 niet duidelijk. Het is een anonieme stem.
Ineens is hij er. En wat hij zegt is opmerkelijk en verrassend. Het verdient alle aandacht. Het is zo opmerkelijk, dat je je buurman wel een por in de ribben moet geven en moet zeggen: stil eens even!
Luister nu eens!
Bereidt in de woestijn de weg voor Jahwe, effent in de wildernis een heerbaan voor onze God, zegt die stem. En dan besef je dat het de stem is van een heraut die de komst van een koning aankondigt. Want zo gebeurde dat in die tijd. Als een koning op statiebezoek wilde komen, ging een heraut voor hem uit. Die riep de bevolking op verwaarloosde wegen te herstellen, kuilen en gaten te dichten en stenen te verwijderen, zodat de koning ongehinderd en zonder oponthoud zijn doel kon bereiken.
Dat is inderdaad een verrassende boodschap die je helemaal uit je lethargie kan wakker schudden. Ze impliceert namelijk: Jahwe is koning. Hij is de grote machthebber. En Hij gaat triomfantelijk de wereld doortrekken.
Dat is sensationeel nieuws. Jahwe gaat zijn heerlijkheid openbaren. Hij zal in al zijn luister voor de dag komen (vs. 5).
Zijn arm zal heerschappij voeren over de machthebbers der aarde (vs. 10).En dat alles ten behoeve van zijn gedecimeerde volkje Israël. Dat gaat Hij namelijk verlossen en het dwars door de woestijn, de steppe, leiden. Daar zal Hij zijn volk weiden als een herder zijn kudde, met speciale aandacht voor de lammeren en de zogenden (vs. 11).

Belofte
Dat is inderdaad wereldnieuws van de eerste orde. Bij 'woestijn' moeten we niet alleen denken aan een woestijn in de letterlijke betekenis. Die valt er natuurlijk wel onder, maar wat Jahwe gaat doen reikt veel verder. Dat blijkt ook wel uit de woorden van vs. 4: dalen zullen worden opgehoogd en bergen vlak gemaakt.
Dat gebeurde natuurlijk niet in letterlijke zin. We mogen bij die bergen dan ook in overdrachtelijke zin aan immense struikelblokken denken, zoals bijvoorbeeld de grote wereldmachten.
Dat waren voor Israëlonpasseerbare rotsformaties.
En zo zat de weg naar terugkeer naar het beloofde land stikvol hindernissen en weerstanden.
Maar hoe zal zo'n machteloos hoopje mensen als de ballingen al die hindernissen uit de weg ruimen? Je hoort het ze al zeggen: dat is onbegonnen werk!
Dat kunnen we niet! Het is een mooie droom, maar onuitvoerbaar. En dan is dit het verrassende: zij hoeven het ook niet te doen. In tegenstelling tot vs. 3 staat vs. 4 niet meer in de gebiedende wijs. De oude Statenvertaling is hier correcter dan de vertaling van het NBG: alle dalen zullen verhoogd worden en de bergen en heuvels zullen geslecht worden. Jahwe zelf zal het doen. Het is een belofte. En voor Hem zijn al die machten en machthebbers geen serieuze belemmeringen. Voor Hem stellen ze niet meer voor dan gras en veldbloemen.
Als die even de hete adem van de wind over zich heen voelen gaan, verdorren ze (vss. 6,7). Zo verschrompelen ook die machthebbers met heel hun machtsapparaat, als de hete adem van Jahwe over hen heen strijkt.
Gras verdort en bloemen vallen af, maar het woord van onze God is blijvend. Wat mensenookhebbenopgebouwd,aan macht bezitten en aan gigantische projecten hebben opgezet op politiek, cultureel en wetenschappelijk terrein, het brokkelt een keer af en het stort ineen, hoe duurzaam het ook leek. Maar het woord van God, zijn belofte, overleeft alle aanvallen en stormen. Soms lijkt het helemaal uitgerangeerd en vergeten te zijn. Maar dat is schijn. Het is blijvend.
Het kan niet omver geblazen worden.
Het trotseert alle aanvallen erop.

Vreugdebode
Dat is ook vandaag nog zo. Gods Woord lijkt achterhaald te zijn door de ontwikkelingen, door ideologieën, door het vernuft en het kunnen van de mens. We leven in een wereld waarin Gods Woord en de belofte van Christus' komst niet meer meetellen. Er wordt geen rekening meer mee gehouden. MenhaaHde schouders erover op. En veel christenen zijn aangetast door moedeloosheid en matheid. Ze doen niet veel meer dan nog een beetje voortsudderen.
In precies zo'n situatie klonk die stem: bereidt in de woestijn de weg des HEREN.
En als je die boodschap gehoord hebt, moet je die ook doorgeven, zegt vers 9. De vreugdeboodschap wil ons tot vreugdeboden maken. Klim op een hoge berg, vreugdebode Sion, verhef uw stem . met kracht, vreugdebode Jeruzalem, zeg tot de steden van Juda: zie hier is uw God.
Er is iets heel bijzonders met deze tekst.
Want Jeruzalem, dat hier wordt opgeroepen luidkeels Gods reddende aanwezigheid te proclameren, bestaat op dat moment niet eens. Het is een puinhoop waar jakhalzen en uilen huizen. Een dode stad moet vreugdebode worden.
Dat betekent dat met de opdracht ook het leven meekomt, de opstanding uit de dood. Want God is een God die doden levend maakt. Matheid en doodsheid worden overwonnen door de boodschap van de verlossing en van Christus' komst uit te dragen en door te geven.
Als iemand klaagt over matheid van zijn geloofsleven, moet hij daar maar eens mee beginnen. Niet bang zijn, zegt vers 9. Gewoon doen. Het betekent niets minder dan een opstanding uit de doodsheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief