Hoe nieuw is de nieuwe wijn?
2007-05-25
Beste Willem, - Jaargang 51
- nummer 11
Toen ik je boek las, kreeg ik weer dat gevoel van vroeger, toen ik als catechisant in Rijswijk bij jou catechisatie volgde. De bijbel gaat open, de doorgaande lijn in Gods openbaring wordt zichtbaar en tegelijk geef je regelmatige prikkelende, actuele doordenkers. Als catecheet ben je eraan gewend dat catechisanten op hun beurt ook wel eens een uitdagende vraag kunnen stellen. Beschouw het onderstaande als zo´n vraag van een oud-catechisant, die veel respect heeft voor de inhoud en de toonzetting van jouw boek over het werk van de Geest.
Als ik de inhoud van je boek probeer samen te vatten, kom ik op het volgende uit: De Geest herstelt de geschapen werkelijkheid. Hij doet dat sinds de eerste komst van Jezus, totdat het herstel zal zijn voltooid bij Jezus´ tweede komst. Vandaar de titel van je boek: ´Herstelwerk´. Een van de pijlers van je betoog is dat je het werk en de gaven van de Geest niet wilt betitelen als ´bovennatuurlijk´. Alleen God is bovennatuurlijk. De Geest werkt in de geschapen werkelijkheid en zijn gaven sluiten daarom nauw aan bij ons mens-zijn, tenminste, zoals God ons bij de schepping had bedoeld. De winst van deze benadering is dat je het gesprek over het werk van de Geest haalt uit de sfeer van het bijzondere en het extra. De gaven zijn geen bijzonder verschijnsel uit de eerste eeuw en geen extra ervaring voor sommige christenen nu, maar een genadegave voor iedereen die in Jezus Christus gelooft. Vandaar dat je ernaar verlangt dat alle christenen meer zullen ontvangen van de gaven van de Geest. Ik ben blij met deze benadering. Het geeft mijzelf en onze kerken ruimte om op een ontspannen manier gericht te zijn op het werk van de Geest.
Toch heb ik een vraag: Zet je op deze manier niet te sterk in op de continuïteit van schepping naar herschepping?
Telkens weer benadruk je dat het werk van de Geest betrekking heeft op het herstel van de schepping. De nieuwe schepping is bij jou een ´vernieuwde schepping´. Ik ben het daarin wel met je eens, maar is het niet eenzijdig?
Je haalt meerdere keren de bekende tekst van Paulus aan: Wie in Christus Jezus is, is een nieuwe schepping (2 Korintiërs 5:17). Als ik het goed lees, dan ben jij geneigd om het laatste woord te accentueren: nieuwe schepping. De nieuwe schepping is een herstelde en voltooide oude schepping. Maar Paulus lijkt in hetzelfde vers meer de tegenstelling te benadrukken: Het oude is voorbijgegaan, het nieuwe is gekomen. Ik zou – niet als tegenstelling, maar als tegenwicht – het eerste woord willen benadrukken: nieuwe schepping. Dankzij de dood en de opstanding van Christus breekt een nieuwe werkelijkheid door in ´deze wereld´ (vgl. 2 Korintiërs 5:14-19). De oude toestand van de zonde en de dood maakt in Christus plaats voor iets nieuws. En zou dat nieuwe niet typisch horen bij het werk van de Geest?
Bij alle waardering die ik heb voor jouw nadruk op het werk van de Geest als ‘herstelwerk’, zou ik toch aandacht willen vragen voor het nieuwe van de vernieuwde schepping. De Geest doet ook nieuwe dingen en opent nieuwe wegen en mogelijkheden. Al sinds de schepping is hij betrokken bij Gods creativiteit. Hij gaf Besaleël uitzonderlijke talenten voor de bouw van de tabernakel en schakelt mensen in als levende stenen voor de bouw van de gemeente uit joden en heidenen. Waar de Geest werkt gebeuren nieuwe, ongedachte dingen. Zijn werk is dus scheppingswerk. Inderdaad, herschepping – herstelwerk. Maar dat lijkt me eerder een kwestie van transformatie dan van restauratie. Hij is betrokken bij het werk van de God die zegt: ´Alles maak ik nieuw!´
En is het dan zo dat alle gaven van de Geest herstelde scheppingsgaven zijn?
Misschien zijn het wel toekomstgaven: Een voorproefje van een andere, verloste en verheerlijkte werkelijkheid.
Als voorbeeld denk ik aan 1 Korintiërs 7:7, waar Paulus het heeft over de gave (charisma) van het ongehuwd zijn. In het hoofdstuk over het ´volk van God´ leg je een verband tussen de opdracht aan Adam en Eva om vruchtbaar te zijn en de groei van de nieuwe gemeenschap, ´die vruchtbaar is en talrijk wordt, in Christus en door de Geest´. Jij ziet dus vooral continuïteit van schepping naar verlossing - van het huwelijk naar de gemeente van Christus. Volgens mij kun je bij dit thema net zo goed benadrukken dat God in het Nieuwe Testament een nieuw begin maakt. Jezus leerde: ´Bij de opstanding trouwen de mensen niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, ze zijn dan als engelen in de hemel.´ (Matteüs 22:30). Natuurlijk bedoelde Jezus niet dat we in de opstanding als anonieme en geslachtsloze wezens zullen zijn. Maar ik denk wel dat de natuurlijke, schepselmatige aanleg tot voortplanting er in de komende eeuw niet meer zal zijn. Zoals het er bij de engelen nooit is geweest.
Als we in dit licht horen dat Paulus zijn ongehuwde staat ziet als een charisma (1 Korintiërs 7:7) dan krijg ik sterk het vermoeden dat de Geest gelovigen laat delen in die toekomstige werkelijkheid. Dat is te zeggen: sommige gelovigen laat delen in een stukje van de toekomst. Voor de één is dat misschien: leven in bijzondere toewijding aan God en zijn gemeente, waardoor het natuurlijke verlangen naar een intieme relatie met een medemens minder wordt. Zoals dat voor Paulus realiteit was. Voor de ander is het misschien een bijzondere kennis van Gods bedoeling met de wereld. Onze kennis van God zal straks volkomen zijn, nu is onze kennis nog beperkt. Maar sommige gelovigen kunnen, gevoed door het woord en geleid door Geest, nu al woorden van kennis spreken. Zoals de nieuwtestamentische profeten. In ieder geval lijkt het me te schematisch om alle charismata te willen duiden als herstelde scheppingsgaven.
Hartelijke groet, Daniël Timmerman
Ds. Daniel Timmerman is parttime-predikant van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Breukelen.