... Hoe de oorlog is verdwenen ...
1995-04-21
2. Werken in het verzet - Jaargang 39
- nummer 8
"We woonden in Harkstede, bij Groningen, toen de oorlog begon. Mijn vader was 'het hoofd ener bijzondere lagere schooi'. Mijn oudere broers studeerden theologie in Kampen. We behoorden bij de school van het Reveil in de Gereformeerde Kerken; voor ons waren grote namen Schilder, die al heel gauw in de gaten had hoe het met het Nationaal Socialisme gesteld was, en Janse van Biggekerke, die al in 1934 een brochure geschreven heeft tegen de NSB. We hadden veel kennissen in Kampen; mijn broers kenden weer dominees in Oost Friesland.
Ook waren we bevriend met mensen als Holwerda en Veen hof en als gezin kenden we vooral ook Frits Slomp goed; die zou later als 'Frits de Zwerver' een prominente rol spelen in het Gereformeerde verzet. (Mijn vader zat in het onderwijs en had een keer op verzoek van een van de meesters Frits Slomp een pak slaag gegeven! Dat heeft een hechte band gelegd tussen onze families!
Als later een van mijn broers in Kampen ging studeren, kregen we bij het ontgroenen in Kampen van hem 'een ritueel pak slaag'. Dat ging allemaal in goede harmonie. Ook later verbleef hij wel op zijn zwerftochten bij een oudere broer die in de buurt van Zwolle woonde.) Toen de oorlog begon, zei onze plaatselijke predikant meteen: "Nu gaan de Joden eraan!" Dat was het eerste dat ik over de oorlog hoorde, op de morgen van de inval. We waren over zo'n opmerking niet verbaasd, want we waren wat dat betreft wel op scherp gezet. Ik /' herinner me dat mijn broers ook Rosenbergs Der Mythos des zwanzigsten Jahrhundert hadden, het ideologisch handboek van de Nationaal Socialisten; we waren meer dan gemiddeld in onze argwaan t.a.v. de Duitse bezetter."
Aan het woord is drs. Gijs Roukema, emeritus predikant van onze kerken en woonachtig in Ede. Hij is in de oorlog in het verzet aktief geweest, als (zoals hij het zelf noemt) 'sjouwer' bij de LO-KP.
Reden om hem thuis op te zoeken en dit gesprek over de oorlogsjaren op te tekenen.
Hoe waren uw ervaringen in Kampen?
Een jaar na het begin van de oorlog gingen we naar Kampen. Als schoolhoofd kon mijn vader buiten inmenging van de Duitsers worden opgevolgd. Hij ging al gauw met pensioen. Zo belandde ik op het Kamper Gereformeerd Gymnasium.
Daar is me altijd bijgebleven een indrukwekkend gebeuren dat schril afsteekt tegen wat elders gebeurd is. Zo was er een Joods meisje dat eindexamen deed en bij de diploma-uitreiking aan haar docenten de vraag stelde: "Wat moet ik nu gaan doen?" Ze had een oproep gehad zich te melden. Professor Presser, die in zijn werk over de Jodenvervolging dat verhaal vertelt, meldt dat de docenten aan de andere kant van de tafel met gebogen hoofd zaten en op die vraag geen antwoord hadden ... Ontstellend!
Dat staat in contrast met die unieke geschiedenis die ik zelf heb meegemaakt.
Ik deed examen en stond ook voor zo'n tafel. De rector, dr. Roelof van Dam, sprak ons toe. Hij was natuurlijk geflankeerd door rijksgecommitteerden, van wie je nooit kon weten hoe die politiek stonden. Hij zei bij die gelegenheid tegen ons: "Jongelui, jullie weten dat we betrokken zijn bij een totalitaire oorlog.
Ik wens na de oorlog niet te horen dat jullie daarbij achteraan gestaan hebben!"
Zo simpel was dat. Geen woord te veel. Als wij in ons wereldje de kans kregen om in het verzet te gaan, beschouwden we dat als een voorrecht...
In onze wereld was er een grote antichristelijke dreiging uit het Oostenen die moest bestreden worden. Zo zagen we dat. Het Reveil in de kerk zat buiten het establishment en dat was ook een gunstige positie. Mijn moeder was een aartsvijandin van H.H. Kuyper, Abraham Kuypers zoon en een 'machthebber'; die had ze wel ontmoet bij hen op de boerderij.
Die was niet goed, vond ze. We stonden dus ook argwànend tegenover het Gereformeerde establishment. Die reaqeerdesorns zo gemakkelijk op de Duitse inval en wat er daar allemaal verkeerd in was. Wij waren daar niet gevoelig voor. Zo zat mijn wereld in elkaar.
Hoe raakte u betrokken bij het werk van de LO-KP?
Betrokkenheid bij het verzet lag in Kampen nogal voor de hand. De genoemde dr. Roelof Dam heeft veel aan de organisatie ervan bijgedragen. Douwe Buwalda, die in Kampen docent was, heeft veel gedaan aan de organisatie van het verzet in Friesland. Wij waren bevriend met Slomp; een van m'n oudere broers was een van de 'founding fathers' van de LO en de LKP; hij hield zich o.a. bezig met de verspreiding van bonkaarten.
Er waren wel andere mensen in Kampen die in 't verzet bekend geworden zijn. In Gereformeerde verzetskringen werd veel bepaald door het hebben van de juiste kontakten. Er was een zeer grote beweging in de Gereformeerde wereld tegen het Nationaal Socialisme.
Je deed dus wat je hand vond om te doen. Ik ben er ook zelf zo in terecht gekomen.
Ik begrijp dat de LO vooral is opgericht om mensen te helpen onderduiken, die niet in Duitsland wilden gaan werken. Is dat een goede omschrijving? Heeft het Gereformeerde ondergrondse werk vooral gelegen op het weigeren van steun aan de Duitse oorlogsindustrie?
Ja. We hebben naar mijn schatting zo'n half miljoen mensen uit Duitsland gehouden.
Er zijn ook ongeveer een half miljoen mensen wel gegaan. Dat zijn vuistregels, wat hogere getallen dan algemeen gebruikelijk is, overigens. We hadden bij de LO, waar ik werkte, het gevoel dat er op de distributiekantoren net zoveel bonkaarten 'geritseld' werden als er moesten worden gestolen.
Je snapt, als mensen onderdoken, moesten ze bonkaarten hebben om te kunnen overleven. Omdat die natuurlijk niet aan hen op hun officiële adres konden worden uitgereikt, moesten kaarten worden gestolen. Wij stalen ongeveer 300.000 kaarten, voor de onderduikers, maar ook voor b.v. Joden. Vooral met die taak, het redden van levens, waren Gereformeerden en Rooms-Katholieken bezig. Zoals Prof. Henk van Riessen, die in de LO-KP een prominente rol gespeeld heeft, wel heeft gezegd: "We waren vooral bezig met het tweede gebod, maar dat vloeide voort uit het eerste gebod". Wij zagen een antichristelijke macht bezig. Voor jongeren lag het accent wel meer op het bestrijden van die macht, voor wat ouderen was het meer het gebod van de naastenliefde, het tweede gebod.
Tante Riek, degene die aan de wieg van dit verzetswerk gestaan heeft, staat dan ook.afgebeeld in haar woonplaats Winterswijk met een hert naast zich. Het ging immers om de bescherming van opqejaaqde mensen.
Ik herinner me dat Tante Riek tegen Frits de Zwerver gezegd heeft: "Als jij nu omkomt in dit werk, maar zoveel jongens worden gered, is dat nou zo erg?" Is dat een beetje de sfeer waarin jullie opereerden? Was men zich de risico's bewust?
Ik denk dat men in het begin zich dat niet zo bewust was. Toch hoorden we al voor ik in Kampen kwam, dat mensen die verzet boden er het leven bij konden inschieten. Maar dat was een vanzelfsprekend iets. Zo'n opmerking als u citeert was een volstrekt natuurlijke opmerking. Dat had niets pathetisch.
Als je dat nu als buitenstaander hoort, denk je 'Tjonge jonge'. Mensen kunnen zich vandaag de dag het klimaat van toen ook erg moeilijk voorstellen. Om daarvan een voorbeeld te noemen, toen studenten de 'loyaliteitsverklaring' moesten ondertekenen, werden mijn ouders daarvan op de hoogte gehouden door Kampense kennissen. Op een gegeven ogenblik kwam men zeggen dat er ook risico was dat de ouders van jongelui die weigerden te tekenen zouden worden opgepakt. Die mensen stonden aan de deur, naar ik me herinner, f en mijn moeder pakte meteen haar jat van de kapstok. Mijn moeder was bang, maar zou nimmer iets hebben gedaan waardoor die jongens zouden tekenen!
Dus ze ging onmiddellijk op pad. Dat was de manier waarop men reageerde.
Het werk begint dus met de gedachte: die mensen moeten niet naar Duitsland en vervolgens was er het besef: we moeten hen laten onderduiken en dan ook verzorgen! De knokploegsituatie vloeide dus vanzelfsprekend uit het eerste voort?
Ja. In het begin kregen we natuurlijk wel bonkaarten van boeren met grote gezinnen.
Die hadden hun kaarten feitelijk niet nodig; ze konden zelf in hun onderhoud voorzien. Thee of suiker wilden ze misschien, maar de rest stonden ze af.
Dat kwam wel voor. Globaal moest alles van andere kant komen. Zo ontstond er een hele organisatie. We kregen ervaring in het overvallen van distributiekantoren!
Ik schat dat dat een paar honderd keer is gebeurd. Er is er maar één niet door ons gedaan - dat is min of meer per ongeluk door anderen gedaan, in Dinteloord. Merkwaardig is dat dat de enige overval is die ooit door Radio Oranje is gemeld. Die was onkundig van veel wat er in Nederland gebeurde.
De laatste serie kaarten die we kraakten kwam in augustus 1944, dat waren 300.000kaarten. Daarna zijn de kaarten aangeleverd per district - die kreeg je alleen als je je vorige vel kon inleveren -, Gelukkig hebben we er zoveel gekraakt dat we die niet meer hoefden te stelen ...
We konden er de hele oorlog mee uitzingen; dat was heel vermakelijk. Het had gevolgen voor het distributiekantoor in Amsterdam. Daar had men teveel kaarten 'geritseld' en dat dreigde uit te komen.
Toen hebben wij hun drieduizend kaarten gegeven om hun administratie weer in orde te brengen. Zo gingen er dus nota bene kaarten terug ...
Ook mooi trouwens om te vertellen wat L ons overkwam bij drukkerij Enschedé, ,.. waarde bankbiljetten gedrukt werden.
Er is destijds een hele grote kraak geweest in Groningen, in het voorjaar van1944. De buit: 31.000 kaarten. Van de maand juni hebben de Duiters de hele oplage naar de firma Enschedé gestuurd, om die kaarten ook aan de achterkant te drukken. Dus tien miljoenkaarten werden ook aan de achterkantbedrukt. Op de een of andere manier hebben we dat gehoord; een van onze . mensen is er toen heen geweest. Hij kwam bij de directeur en zei: "Meneer Enschedé, ik heb 51.000kaarten van juli waar ik mee bezig ben. Zou het te regelen zijn dat ik dat matrijs ook krijg?" ,Waarop die meneer zei: "We hebben u al verwacht en ze staan al voor u klaar.
We hebben ze maar meteen in duplo gemaakt!" Dat is een leuk voorbeeld vandie we kregen; we hadden zo'n 15.000 medewerkers; in elk gehucht van tand hadden we wel een vertegenwoordiger zitten. Maar zelfs dan, zonder zulke steun als van Enschedé, kon je natuurlijk niets klaar maken.
Wat was uw eigen rol in dit alles?
Ik maak vaak onderscheid tussen de 'plakkers','sjouwders' en 'organiseerders'. overigens een eigen onderscheid.
De 'plakkers' waren onze communistische vrienden die overal hun antifascistische kreten kalkten en plakten., De organiseerders waren mensen van de OD, de Orde Dienst; die moesten bij de bevrijding de zaak in de hand houden. Zij beschouwden zichzelf soms niet echt als verzetsmensen en moesten zich soms ook ver houden van onderduikers en Joden; zij moesten gespaard worden voor straks. Wel, daarnaast had je de 'sjouwers' die ervoor moesten zorgen dat we onze onderduikers kwijtraakten en onze bonkaarten op de plek van bestemming kwamen. Ik 'sjouwde' dus met de kaarten die gekraakt waren.
Dat heb ik trouwens maar kort gedaan, want eigenlijk was het meer business van een oudere broer. Ik heb zelf een jaar lang boodschappen gedaan voor de plaatselijke leider in Kampen. Later ben ik ook bezig geweest met vervalsingswerk en na de Spoorstaking heb ik les gegeven in het omgaan met wapens. Ik had erbij gezeten hoe die wapens werden schoongemaakt; de meisjes hadden ze gehaald en ik zag hoe dat werkte.
Toen werd ik geacht erin instructie te kunnen geven.
Ik had intussen kinderverlamming gehad; dat was aantoonbaar en ik had daarom alle mogelijkheden om niet naar Duitsland te hoeven. Ik was een jongen op de fiets, had een 'Ausweis' voor dit en een 'Ausweis' voor dat. Ik kon als 'sjouwer' en ook later als 'wapeninstructeur' ongehinderd overal komen.
Is het leven toen wel eens riskant geweest?
Had u het leven erbij kunnen inschieten?
Ja, maar dat realiseerde ik me natuurlijk niet. We waren ook wat lakoniek, in die zin dat we er wat meer van wisten dan de anderen. Ik herinner me dat er alarm kwam - ik moest gauw weg, want m'n naam was genoemd bij de Sicherheits Dienst in Arnhem. Ik zei: "Maar onze naam wordt elke dag genoemd bij de SD; daar hoef ik niet voor op pad!" Mijn broers waren er bekend als de bonte hond. We waren er lakoniek onder.
Je stond er dus niet bij stil. Aan de andere kant waren we ons bewust dat, als je gepakt werd, niemand kon garanderen dat je niet zou doorslaan. Ik heb een heilig ontzag voor mensen die bij verhoren niet hebben doorgeslagen. Dat kan ik me haast niet voorstellen! Als jou als koerier dus iets overkwam, door b.v. moeite tijdens het transport, was een hele ploeg mensen meteen op weg naar een andere basis, want 'het kind was zoek'! Dat je daar nu zelf zo gespannen onder was, kan ik niet zeggen, want ik heb de eigenschap dat ik wat secundair ben. Mijn broer vond wel dat ik na een paar weken op het CDK, 't Centraal Distributie Kantoor, veel ouder geworden was. Dat was mijn zwaarste funktie in het verzet. Zelf vond ik dat zo niet.
Natuurlijk kon er van alles gebeuren. Je zat een hele dag in de trein. Nu hadden we wel een sleutel van NS. Dus je ging naar de wc, draaide daar allemaal vakken los en stopte de kleine pakketten die we bij ons hadden daarin. Later was' onze professionaliteit veel hoger ontwikkeld.
Je reisde met de zoon van de directeur van de Spoorwegen. Dan legden we de pakketten in de bagage-afdeling en wij zaten met ons.tweeën in het bestuurdersappartement van de trein. Die jongen kon namelijk komen waar hij wou. Dus Herman legde me uit op welke knop je moest drukken, als je het tweede stel van de trein kwijt wilde raken. Dat waren allemaal leuke dingen, als je 19,20 jaar oud bent!
Heeft het Christelijk geloof met dit alles te maken gehad, ook bij terugblik?
Mijn vriend v.d. Kamp heeft het zo beschreven, maar daar stond je in die tijd niet altijd zelf zo bij stil. We hebben grote risico's gelopen en het feit dat niemand van al die sjouwers gevallen is, is opmerkelijk! Op dat niveau van de organisatie is niemand omgekomen. Hij wijst erop dat dat een merkwaardige zaak is en schrijft dat toe aan het voortdurend gebed van ouders, familie en verloofdes van de betrokkenen. Dat deed je natuurlijk zelf ook wel. Ik herinner me wel dat we daar mee bezig waren.
Toch vooral, we moesten aan de slag! Wij hadden veel meer een 'basisvertrouwen' in God, zoals een kind dat hebben kan. Wij zaten nu eenmaal in 'het Werk'. We hadden ook niet het gevoel dat we als we thuis zouden komen bij de Heer, Hij tot ons zou zeggen: "Zet u neder aan tafel en gebruik de maaltijd met Mij", maar dat Hij zou zeggen: "Maak eerst de maaltijd voor Mij gereed en daarna, als Ik gegeten heb, mag u ook de maaltijd gebruiken". Wij waren immers slechts onnutte dienstknechten, en hadden slechts gedaan wat we moesten doen. In die context moet je ons geloofsvertrouwen stellen.
Mijn ouders hadden dat ook. Dan zie ik toch ook een verschil tussen mijn vader en mijn moeder. Dat zijn dingen die in je geloofsherinnering gegrift staan. Mijn moeder zei: "Het zal wel moeten" en mijn vader zei: "De Heer zij met u!" Dat klinkt wat formeel misschien. Het ging bij hem echter om wat er in de Schrift staat: "De zaak des konings heeft haast". Als ik dat zeg en aan hem denk, word ik nog geëmotioneerd. Mijn moeder zei: "Het zal wel moeten" en huilde erbij. Mijn vader had het over de zaak des koriings en kwam tot de uitspraak: "De Heer zij met u!"
Als u nu terugkijkt, zegt u dan: Het was toch een goede tijd? .
Ja, we hebben ook ontzettend veel gelachen.
Er zat ook iets in van "we zijn ze te vlug af". Zeker toen we een hoge graad van perfectie hadden bereikt, beseften we dat we een half miljoen mensen uit Duitsland hielden. We ontmoetten ook mensen uit het verzet waarvan we ook in die tijd beseften dat dat mannen van aanzien waren. Daar waren kopstukken bij, soms schilderachtige en soms heel gewone mensen. Het was een voorrecht hen te mogen kennen.
En daarnaast, ik kwam, bij Roomse mensen, mensen die ik helemaal niet kende; dat was soms heel bijzonder. ook om hun geloofsbeleving van nabij mee te maken