Vragen van toen - vragen van nu
1995-04-21
"De mens - zowel de dwaze als de wijze mens - heeft het niet in zijn macht van het leven te maken wat hij wil."- Jaargang 39
- nummer 8
Wat je probeert op te bouwen, ploft in elkaar; waarvan je probeert los te komen, blijft als een loden gewicht aan je hangen. Aldus ds Van den Berg in het eerste van dit artikel.
(red.)
Waarom zou je je nog druk maken?
Zo werkt het ook in het groot. Met veel moeite bouwt men aan vrede en dan ineens kraakt de wereld in haar voegen van het oorlogsgeweld. Soms lijkt er geen vuiltje aan de econom'ische hemel te zijn en dan ineens doet zich een crisis voor waar niemand op gerekend had, waardoor de hele economie instort. Zo onberekenbaar en ten diepste ook onbeheersbaar is het leven. En ook als zich in je leven niet van die scherpe caesuren hebben voorgedaan en het zonder al te grote schokken verlopen is, dan nog komt aan het eind de dood en moet je alles wat je hebt opgebouwd, achterlaten in de handen van iemand die er niet zelf krom voor gelegen heeft zoals jij.
Tegenwoordig hoef je voor dat overdragen van wat je hebt opgebouwd, niet meer te wachten op de dood. Wat in de tijd van de Prediker nog niet mogelijk was, kan nu wel: mensen kunnen met de VUT, met pensioen, met emeritaat gaan en moeten dan al veel overdragen aan een ander. Soms is dat iemand die het beter doet dan zijzelf. Dat kan voor sommigen heel pijnlijk en moeilijk te verwerken zijn.
In andere gevallen is het iemand die het slechter doet. Dan zie je wat je zelf hebt opgebouwd, afbrokkelen, verschrompelen en te gronde gaan. Dat kan je diep raken. En in alle gevallen is het iemand die het anders doet dan jij. Dat alleen al kan voldoende zijn om je erover op te winden of je er aan te ergeren. Want jouw methode en aanpak waren volgens jou natuurlijk veel beter.
Er wordt heel wat uitgerukt wat aanvankelijk met veel zorg en liefde geplant was. Er wordt heel wat afgebroken wat met veel energie en enthousiasme was gebouwd. Er wordt veel weggegooid wat ooit door iemand met ijver en vasthoudendheid was verzameld.
Er wordt heel wat aan flarden gescheurd wat met grote creativiteit was gemaakt. Soms gebeurt dat zonder dat het nodig is. In andere gevallen is het absolute noodzaak. Maar hoe dan ook, het dringt je tot de vraag: waarom zou je je eigenlijk druk maken en uitsloven? Wat je tot stand brengt, wordt vroeg of laat, in de kringloop van de tijd, toch weggevaagd. Opgaan, blinken en verzinken, daar komen we niet bovenuit. We kunnen die cyclus niet omzetten en er niet uit wegbreken.
Waarom zou je je dan nog te sappel maken? Kun je niet beter het bijltje erbij neergooien?
De eeuw in het hart
Dat een mens over dit alles nadenkt en dergelijke zin-vragen stelt, is niet toevallig.
Het is geen bevlieging, geen hobby van een paar zonderlingen, maar heeft te maken met twee dingen.
In de eerste plaats hangt het samen met het feit dat God alles harmonieus gemaakt heeft op zijn tijd. De vertaling 'harmonieus' is m.i. een betere vertaling dan 'voortreffelijk'. Maar het is wel een harmonie waar wij niets van zien. Wat wij zien is een chaotische wirwar van gebeurtenissen, waaraan we geen touw kunnen vastknopen. En dan komen de vragen los: waar is die harmonie dan? Als God alles harmonieus, in mooie samenklank, op zijn tijd gemaakt heeft, waarom horen we dan zoveel dissonanten? Dat is het eerste waardoor een mens tot die zin-vragen komt.
Maar er is ook nog een tweede punt.
God heeft de eeuw in het hart van de mens gelegd, zegt de Prediker. Dat wil zeggen: de drang om wat er in zijn leven en in de wereld om hem heen gebeurt te verstaan, is door God in de mens gelegd. De drang om de zin van het leven en van het gebeuren te begrijpen, vindt zijn oorsprong in God.
Zo is de mens door God geschapen.
Hij móet zichzelf en de gebeurtenissen narekenen. Hij wil zijn tijd verstaan.
Hij wil weten wat zijn leven betekent en welke zinvolle functie het vervult binnen dat grote geheel. Hij kan die vragen wel eens een tijdje onderdrukken en van zich afduwen, maar nooit voorgoed. Na verloop van tijd steken ze toch de kop weer op. Want het is een drang die door God in zijn hart gelegd is en die er daarom bij hem ingebakken zit. Maar hoe diep de mens ook boort en hoe fanatiek hij ook speurt naar een antwoord op die vragen, hij vindt nooit het láátste antwoord.
Want welk antwoord er ook gegeven wordt, het roept altijd weer nieuwe vragen op.
Genieten in de chaos
Dat is overigens ook geen wonder, want - gaat de Prediker verder - zowel in ons eigen leven als om ons heen is de hand van God actief. Hij is daarin aan het werk. En een mens kan God nu eenmaal niet narekenen. God en zijn werk ontsnappen aan elke menselijke analyse. Een mens kan van het werk dat God doet, helemaal niets ontdekken. Hij kan er geen vinger achter krijgen. Het enige wat hij ziet, is een grote wirwar van goed en kwaad, van zwart en wit, van vreugde en verdriet van haat en liefde, van leven en dood. Dat alles loopt onontwarbaar door elkaar heen en sleurt ons met zich mee als in een maalstroom. We maken zelf deel uit van die wirwar.
Daarom missen we het overzicht en kunnen we Gods werk erin niet naspeuren.
Wat moet je dan? Moet je het dan maar laten bij de constatering dat dit leven ondoorzichtig is en dat je Gods werk niet kunt napluizen? Dat zou niet best zijn. Want dan zou elke motivatie uit ons leven en handelen verdwijnen.
Dan zouden we vervallen in apathie, in een houding van onverschilligheid die zegt: waarom zou je je druk maken. Je bereikt er immers toch niets mee!
Gelukkig laat de Prediker het dan ook niet bij die constatering. Hij voegt er iets aan toe en zegt: de mens kan inderdaad zijn leven niet zelf maken, maar als hij bij alles wat hij doet weet te genieten van wat hem ten deel valt aan goeds en aan eten en drinken, dan is dat een geschenk van God. Middenin de tumultueuze chaos van je eigen bestaan en van het wereldgebeuren mag je genieten van eten en drinken, van je man, je vrouw, je kinderen, van een bloem, van de zon en de regen, van het zingen van een vogel.
Aanvaard dat maar als een geschenk van God.
Naar God toegedreven
En wat betreft die ondoorzichtige, voor ons besef zo grillige, maalstroom van goed en kwaad waarop we zelf geen enkele invloed hebben, moeten we één ding goed vasthouden en nooit vergeten: God doet dat alles opdat men voor zijn aangezicht vreze. De HEREvrezen betekent niet: bang voor Hem zijn. God doet dat alles niet om ons bang te maken. Daar is geen sprake van. Het is wel: onder de indruk zijn van zijn van zijn majesteitelijke grootheid en je door alles wat er gebeurt, op Hem terug laten werpen.
Dat is wezenlijk in dit leven. De Prediker heeft alles wat er maar aan onrecht en ellende in de wereld te vinden was, gesignaleerd. Hij heeft zich er niet voor afgesloten. Het heeft hem geraakt tot op het bot. Hij kon er geen touw aan vastknopen. Hij begreep er niets van waarom dat alles gebeurde en waarom het zó gebeurde. Gods handelen daarin bleef volstrekt ondoorzichtig voor hem. Maar – en dat is het geweldige – het dreef geen wig tussen hem en God los. Het weekte hem van God los. Hij verloor zijn vertrouwen in God niet. Integendeel: Het dreef hem juist naar God toe. En de goede dingen aanvaardde hij dankbaar als gaven van God. Ziet u waarom de Prediker zo actueel is? Zijn vragen zijn de vragen van onze tijd. Net als in zijn tijd is ook vandaag het antwoord op die vragen niet te geven. We staan met de mond vol tanden als we moeten uitleggen waarom er zoveel verschrikkelijke dingen gebeuren. Maar laat je in je verlegenheid daarover niet bij God vandaan jagen. Laat je naar Hem toe drijven, temeer omdat wij vandaag dankzij Christus een perspectief mogen hebben met veel scherpere contouren dan de Prediker in zijn tijd had.
Op de kleine steentjes
Heel veel mensen denken dat er in onze tijd meer onrecht en ellende in de wereld is dan vroeger. Ik denk niet dat dat het geval is. Het volume ervan blijft alle eeuwen door wel ongeveer gelijk. De ellende zelf is niet toegenomen in vergelijking met vroeger, maar heeft voor een deel wel andere oorzaken en we hebben er ook veel meer weet van door de moderne communicatiemiddelen.
Alle eeuwen door verwachten de mensen telkens weer van hun politieke leiders en van de wetenschappers dat die een hefboom in werking stellen, waardoor de wereld uit die fatale kringloop wordt gelicht.
Soms geloven de leiders zelf dat ze daartoe in staat zijn of het zelfs al gedaan hebben en een nieuwe wereldorde gecreëerd hebben. Zo'n hefboomis er niet, zegt de Prediker. Geen mens kan iets aan dat grondpatroon van opgaan, blinken en verzinken veranderen.
Als gelovigen moeten we leren op de kleine steentjes te lopen. Heb maar geen wereldverbeteraars-neigingen, zegt de Prediker, en geen wereldvernieuwers-illusies. Want meer dan cosmetische veranderingen kun je niet tot stand brengen. Het blijft altijd dweilen met de kraan open. Die kraan kan geen mens dichtdraaien.
Daarom moet je maar gewoon doen wat je hand vindt om te doen op je eigen bescheiden plekje. Blijf maar gewoon dweilen op je eigen stoepje.
Ga daar stug mee door, zonder te verflauwen. En wees dankbaar voor de goede dingen die je van God krijgt, voor je eten en drinken en voor wat je verder aan goeds ontvangt. Geniet daar maar van: van muziek, van een mooie zonsondergang van een schilderij.
En bovenal: klem je vast aan God. Blijf in alles, dwars door alles heen, aan Hem en aan Christus toevertrouwen.
Verlies je vertrouwen in Hem niet.
Want aan Hem behoort de toekomst.
Hij beschikt over de hefboom waarmee deze wereld en wijzelf weggetild kunnen worden uit die dodelijke kringloop waarin we gevangen zitten. En er komt een dag waarop Hij die hefboom zal overhalen. Toch overwint eens de genade.