De mens en de schepping (1)

1995-05-05
  • Jaargang 39
  • nummer 9
Het scheppingsverhaal begint met de bekende woorden: "In den beginne schiep God de hemel en de aarde." We kijken er niet van op, maar Israël sprak deze woorden in een wereld en in een tijd dat de volken geloofden dat er vele goden aan de touwtjes trokken.
Deze volken bedachten zelf hun goden die daardoor zeer menselijke trekken kregen: ze beconcurreren, bedriegen en bestrijden elkaar.
De goden hebben allemaal hun eigen specialiteit: de ene heerst over de zee, de ander waakt over de vruchtbaarheid van mens, dier en gewas, de ander gaat over defensie enz.

De goddelijke macht werd door de mensen verdeeld over meerdere goden en er was een soort president, premier als hoogste God en die probeert al zijn goden bij elkaar te houden.
De goden als menselijke projectie dus. De mensen toen zagen net als wij in de wereld de verdeeldheid, verwarring en elkaar tegenstrijdige krachten en ze kwamen tot de conclusie dat de wereld derhalve niet door één God, maar door meerdere machten, krachten of goden geregeerd werd. Als er iets rampzaligs gebeurde zoals een overstroming, een droogte, oorlog, dan was dit kwaad te wijten aan een god die om de ene of de andere reden vertoornd was geraakt. Zo'n God moest je dan weer tevreden stellen met gebeden, offers of door het bouwen van een tempel zodat hij niet buiten de aandacht viel. De goden moeten vrede hebben, er moet balans zijn tussen hen onderling en tussen hen en de mensen.

"Gij zijt het, die .....
Hiertegenover staat het woord van Mozes in Deuteronomium 6:4: "Hoor, Israël: de Here is onze God; de Here is één." Deze Here heeft de hemel en de aarde gemaakt, Hij alleen en van andere goden wordt totaal niet gesproken.
Die zijn er domweg niet. Dat is de belijdenis van Genesis 1. In die tijd waarin men het naast elkaar bestaan van goed en kwaad, licht en duisternis, leven en dood verklaarde uit de veelheid van goden, moet deze belijdenis verbazing en spot hebben gewekt rondom Israël (Psalm 115: 2,15; 138:1).
Immers, hoe kan alles wat er in de wereld gebeurd aan één God worden toegeschreven? Denk aan de altijd weer terugkerende vraag hoe een liefdevolle en almachtige God alle ellende in de wereld kan toelaten.
Heeft God dan meerdere gezichten?
Een Januskop? Of zijn er meerdere goden? Israël heeft met Genesis 1 temidden van de volken die vele goden dienden, het geloof in de ene God beleden. Zie ook Psalm 74:12-17: "Gij zijt het ..... " Deze God heeft de dag gemaakt, het licht, maar ook de nacht, de duisternis. Immers: "Uwer is de dag, uwer ook de nacht." Zie ook Prediker 7:14. Deze God heeft ook de gevaarlijke, grote dieren gemaakt: de Leviathan en de Behemoth (Job 38,39; Psalm 104 26) en Hij heeft ook de leeuwen de gier gemaakt en ook hun prooi (Psalm 104:21; Job 39:30-33).
God heeft geen concurrentie (Jesaja 44:8,24; 45 12,18-21).

Tweeheid
God heeft dus nacht en dag gemaakt.
Deze tweeheid zien we herhaaldelijk in het scheppingsverhaal. Hemel en aarde, water boven en water onder, land en water. God maakt scheiding met als gevolg een telkens terugkerende tweeheid. Om ons heen kijkend kunnen we dat zonder moeite herkennen: licht-donker, warm-koud, zomerwinter, mannelijk-vrouwelijk, zwaksterk enz. God voert dit nog verder door, want op de derde dag komen er allerlei bomen en planten op uit de aarde. Op de vierde dag maakt God allerlei hemellichamen voor overdag en voor de nacht en op de vijfde dag mogen de bewoners intrekken in Gods huis en maakt Hij de vogels in de lucht en allerlei dieren in de zee. Op de zesde dag is de aarde zelf aan de beurt en maakt God de landdieren.
God houdt licht en duisternis van elkaar gescheiden evenals de wateren onder en boven en ook de zee krijgt haar plek toegewezen zodat de aarde, het droge veilig is. De Here waakt daarover dat alles binnen de gestelde grenzen blijft en dan is de schepping een veilige plek (zie de artikelen van
A. van der Dussen).

Verscheidenheid
Alleen zwart en wit is echter te weinig en daarom ontstonden er vanuit het licht alle mogelijke kleuren en vanuit de aarde begon er van alles te groeien en de Here maakte allerlei soorten dieren naar hun aard. Dieren in de lucht, de zee en op de aarde. In de schepping zien we de veelkleurigheid Gods, zijn creativiteit. De schepping als een schitterend vuurwerk.
De Here heeft in de schepping ook een drang gelegd naar nog meer en nog verder. De drang naar verdere ontwikkeling.
Dat is trouwens ook een opdracht (Genesis 1:22). Die ontwikkeling zien we als God bezig is met scheppen: eerst planten en bomen en later de dieren die een zekere vrijheid en zelfstandigheid hebben waarbij de wilde dieren daarin weer wat verder zijn ontwikkeld dan de kuddedieren, het vee. Koploper hierbij is de slang waar de mens nog mee te maken zal krijgen. Deze voorwaartse drang naar meer en meer heeft de Here Zelf in zijn schepping gelegd. Alleen, wie houdt dit in de hand? Een paard moet door zijn berijder worden getemd, maar de schepping heeft ook een teugel nodig, anders gaat ze ongeremd alle kanten op. Er is dus een plan, een bestuur nodig. Ze moet dicht bij haar Maker blijven.

De mens
God schept de mens. Die mag de schepping temmen, zodat ze gehoorzaam leert te zijn en zich zal laten leiden naar haar Maker. De mens kan dat, want hij is gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis. Net als God is de mens ook één. Het is de bedoeling dat de mens al die lijnen van de schepping neemt, ze bij elkaar houdt als een teugel en ze afbuigt in de richting van God die het begin en het einde is. De mens mag van al die lijnen één lijn maken die aan het einde weer uitkomt bij het begin zodat er a.h.W. een cirkel ontstaat. Het is daarom heel wonderlijk met die mens. Die troont als koning boven de schepping en staat aan het einde daarvan en je zou zeggen dat die mens daarmee heel ver van God verwijderd is. Immers, hij is zelf iemand, maar juist daarin staat Hij weer heel dicht bij God. Een mens die oneindig ver van God verwijderd is, kan ineens een vriend van God worden, zoals Paulus. De mens is als hoogtepunt ook eindpunt. Daarom rust.
Wat God betreft is de schepping klaar.
Maar nee, toch eigenlijk ook weer niet.
In Genesis 1 wordt de mens kant en klaar geschapen: mannelijk en vrouwelijk.
In Genesis 2 echter niet. Hier is de mens eerst mannelijk en deze mens voelt zich begrijpelijk nogal verloren in de wereld, want hij ziet dat er van alles twee is: mannetje en vrouwtje. De eerste waarom-vraag waarom ben ik alleen? Hij voelt zich in deze wereld niet compleet en niet thuis. Er is niemand met wie hij als mens kan communiceren, niemand die hem begrijpt, geen gelijke. Ook hierin was hij naar het beeld en de gelijkenis van God gemaakt. Immers, God zag ook dat de planten groeien, dat het vee geduldig graast en dat de wilde dieren vrijelijk hun gang gaan, maar naar Hem vragen ze niet. Hem loven ze niet. Daarom wil God iemand met wie Hij werkelijk kan communiceren, die ook namens de schepping kan spreken en die de stem en de lofzang van de schepping zelf in de mond kan nemen en kan doorgeven aan God. Dat kan de mens niet alleen. Daarom maakt God ook de vrouw. Zij is ook gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God, maar ze is anders dan de man. En nu is het spannend dat God die spanning van de schepping, van plus en min, dat God die ook in de mens heeft gelegd.
Ook de mens werd a.h.W. in tweeën geknipt. Daardoor was de mens veel beter op zijn plaats in de schepping.
Fijn, maar tegelijk zal de mens die spanning in de schepping, die tweedeling, zelf ook gaan ervaren binnen zichzelf. D.w.z. in de relatie tussen man en vrouw. De vrouw is immers een hulp niet naast of onder hem, maar tegenover hem, een hulp die hem aanvult. Ondanks deze tweeheid kunnen man en vrouw toch één zijn (2:24). Er is vrede en harmonie mogelijk.
Maar dat gaat niet vanzelf. Dat kost soms veel moeite. Deze moeite vinden we in de hele wereld. Hier en daar is er vrede, maar het tegendeel wordt ook gevonden in oorlog en tegenstrijdige wensen en belangen.
Geen willen zoeken van elkaar, maar veelmeer een verwijderen van elkaar weg. Zo wordt de schepping een rommel en valt ze uit elkaar. Dat heersen, dat brengen van de schepping onder die ene noemer van Gods lof, dat is ons niet goed afgegaan. Het heersen werd meer mishandelen
(Jesaja 5:7).
Van scheppingswege was dit echter niet de bedoeling. God heeft de tweeheid en de enorme verscheidenheid en ontwikkelingsmogelijkheden meegegeven aan zijn schepping en het was de roeping van de mens om dat geweldige potentieel bij elkaar te houden, vrede te maken en harmonie te brengen, zodat de schepping niet doelloos als vuurwerk uit elkaar zou vallen.
Veelkleurigheid en verscheidenheid werden verdeeldheid en chaos. Is dat ook niet wat we lezen in het verhaal van de torenbouw van Babel?
De oorzaak wordt in de bijbel met name genoemd: we wilden zelf God zijn. De mens (Adam) is verder gegaan daar waar hij pas op de plaats had moeten maken en zich had moeten omkeren naar God. Dan had hij mogen eten van de boom des levens.
Het is eigenlijk het verhaal van de zoon die zijn erfenis voortijdig opeist en het huis van zijn vader uitloopt de wijde wereld in. Zo zijn wij eigenlijk het huis van Gods goede schepping uitgelopen en de deur die we opengooiden, dat was de boom der kennis van goed en kwaad. Die deur had dicht moeten blijven, want die deur mag God alleen maar open en dicht doen.
Iedereen doet die deur open leert de Prediker ons want er is niemand die goed doet zonder te zondigen (7:20).
leder mens wil van nature zelf god zijn en in het middelpunt van alle dingen staan. Het verhaal van Adam is daarom het verhaal van de mensheid en van ieder individu. Een model.
Daarover de volgende keer meer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief