Een cruciaal moment? (2)

1995-07-14
  • Jaargang 39
  • nummer 14
De gedachtegang van Ganzevoort heb ik in het eerste artikel natuurlijk heel kort weergegeven. Toch heb ik geprobeerd me zo nauw mogelijk bij zijn eigen formuleringen aan te sluiten. De indruk die daaruit gemakkelijk kan ontstaan. is dat aan een gebeurtenis die eerst niet als zinvol wordt ervaren, in tweede instantie toch een zinvolle betekenis moet worden toegekend. Als ze niet past bij het geldende levensverhaal, moet dit verhaal zo herschreven worden dat die gebeurtenis daarin wel een zinvolle plaats kan krijgen.

Levensverhalen
In Levensverhalen spreekt Ganzevoort van een nieuwe oriëntatie die zin aan de gebeurtenissen geeft, van nieuwe bakens waardoor gegevens uit het leven een andere betekenis krijgen (103-104). Moet dit niet betekenen dat aan de ingrijpende gebeurtenissen die de crisiservaring hebben veroorzaakt, toch een positieve betekenis moet worden gegeven? Dat het verhaal zo wordt herschreven dat zij daarin een zinvolle plaats kunnen ontvangen? Dat zou echter in strijd zijn met de ernst van de gebrokenheid die Ganzevoort steeds benadrukt. Dat er geen rechtstreeks verband tussen God en het lijden kan worden gelegd, hangt er nauw mee samen dat aan het lijden juist niet altijd een zin kan worden gegeven.
Er lijkt hier een spanning te bestaan tussen de functie van het verhaal juist in verband met de ervaring van de zin van het leven en de ernst van de gebrokenheid of wat Ganzevoort met een meer filosofische term vaak contingentie noemt. Het beeld dat ik heb opgeroepen moet echter genuanceerd worden. De Iijn die ik heb geschetst is duidelijk aanwezig, maar als Ganzevoort de betekenis van het verhaal voor het pastoraat gaat uitwerken, dan blijken andere elementen een belangrijke rol te spelen. Om dat duidelijk te maken moet ik eerst iets zeggen over de relatie tussen het 'verhaal' en de Bijbel zoals die door Ganzevoort wordt gezien.

Het bijbelse antwoord
Uitgangspunt is de Bijbel 'als een bundel geschriften waarin God zichzelf aan ons mede deelt' (241). Daarbij ligt de nadruk op de verhalen die in de Bijbel verteld worden. De Bijbel heeft 'een narratieve structuur, waarin zowel narratieve als niet-narratieve elementen zijn opgenomen' (243). Bepalend voor de Bijbel is 'de geschiedenis van de mens voor Gods aangezicht, geschapen, in zonde gevallen, hersteld, en onderweg naar de voleinding' (245). Binnen deze verhaalstructuur zijn echter ook andere elementen opgenomen zoals de brieven van Paulus en de wet in het O.T., die de verhalende grondstructuur vooronderstellen maar zelf een wat ander karakter hebben (243). Van wezenlijke betekenis voor het verstaan van de benadering van Ganzevoort is nu dat de genoemde elementen van schepping tot voleinding enerzijds in een chronologisch verband staan: zij komen in de tijd na elkaar. Anderzijds komen ze als motieven ook naast elkaar voor. Ganzevoort spreekt van vier verhaallijnen. Hij gebruikt daarvoor bij voorkeur ook meer algemene termen dan de genoemde: wording, breuk, herstel en toekomst. Zij typeren verschillende soorten van verhalen die we in de Bijbel aantreffen (245). Ze betreffen alle de relatie van de mens tot God. Maar het gaat dan eerder om verschillende aspecten van die relatie die tegelijk kunnen voorkomen, dan om een volgorde in de tijd.
Zo kan aan het eigen karakter van elk verhaal beter recht gedaan worden.
De bedoeling daarachter is zeker ook dat we de verschillende kanten van ons eigen bestaan dan beter in de bijbelse verhalen kunnen herkennen. De vraag is nu natuurlijk: als de verschillende verhalen in de Bijbel op deze wijze naast elkaar komen te staan, is er dan nog een motief dat ze onderling verbindt? Geven ze alleen uitdrukking aan de veelkleurigheid van de verhouding tussen de mens en God of vormen ze ook een eenheid?
Het laatste is het geval. Er is een kernwoord dat alle vier de verhalen serieus neemt: genade (342). In de wordingsverhalen 'kan de genade gezien worden in Gods liefdevolle toewending en de schepping van de mens, die plaats vindt zonder voorwaarden en verdiensten vooraf.' 'In de breukverhalen is het de genade dat de breuk niet zo volledig is, dat er geen menselijke klacht of gebed meer mogelijk zou zijn.' En zo kan in elk verhalencluster in de Bijbel de aanwezigheid van Gods genade worden gezien. Nauw daarmee verbonden is het motief van de hoop. De hoofdlijn in de Bijbel is verwachtingsvol, omdat 'de donkere verhalen hun plaats krijgen binnen het grote verhaal van de hoop' (348). Daarmee komt het chronologische moment natuurlijk weer terug: de breuk heeft niet het laatste woord (267). Zij wordt in de Bijbel overschaduwd door de belofte.
Het is deze verhouding van enerzijds de verschillende verhaallijnen naast elkaar en anderzijds de genade en de hoop als het uiteindelijke perspectief die voorkomen dat in het pastoraat aan crisisgebeurtenissen een positieve betekenis moet worden toegekend. Het gaat er niet om dat de gebrokenheid wordt overwonnen, opgelost, maar dat zij een plaats krijgt in een groter geheel waarin ondanks alles het zicht op Gods genade en de hoop domineert. Het doel van het pastoraat is 'de hoop te doen herleven' (360, vgl. 364). Zoals in de Bijbel zelf de verschillende verhaallijnen naast elkaar voorkomen en tegelijk in een chronologisch verband staan, zo kan ook in het mensenleven de gebrokenheid blijven staan en tegelijk gezien worden in een perspectief van hoop.

De vraag die opkomt is: in hoever is er nu nog sprake van het herschrijven van het levensverhaal? Is er echt een breuk in het levensverhaal die door een andere interpretatie van de crisisgebeurtenis wordt hersteld - het verhaal dat wordt herschreven - of gaat het erom weer zicht te krijgen op de hoofdlijn die er altijd al was - die van de hoop? De breuk blijft dan een breuk. De gebeurtenis krijgt niet direct een nieuwe betekenis. Zij wordt niet zinvol door er op een andere manier naar te kijken. Alleen de verhaallijn waarbinnen de breuk een plaats heeft, wordt weer gezien als opgenomen in een groter verhaal, de hoofdlijn die verwachtingsvol is.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er hier een spanning blijft in het boek van Ganzevoort. Ik vermoed zelfs dat er in dit opzicht een ontwikkeling in zijn denken heeft plaatsgevonden.
In Levensverhalen wordt heel sterk de indruk gewekt die ik hierboven eerst heb geschetst. Kort gezegd: wat eerst niet als zinvol geplaatst kan worden in een levensverhaal, moet zo worden geherinterpreteerd dat er betekenis aan gegeven kan worden. Geleidelijk is het besef steeds sterker geworden dat op deze wijze aan de gebrokenheid, aan de ernst van sommige ervaringen, geen recht gedaan kan worden. Dan wordt het naast elkaar voorkomen van de verschillende verhaallijnen belangrijk en het vasthouden van de hoofdlijn van de hoop. Het is de vraag of de eerste opvatting dan nog wel gehandhaafd kan worden. Gaat het niet eerder om afstand nemen van de eerste benadering dan om een nuancering?

Contingentie en zingeving
Ik wil het probleem dat ik hier zie ook nog van een andere kant benaderen. Daarvoor moet ik terugkomen op de vier verhalenclusters die Ganzevoort, overigens heel herkenbaar, in de Bijbel onderscheidt. Hierboven heb ik uiteengezet hoe het motief van de hoop de overheersende plaats krijgt, als het gaat om de onderlinge verhouding van de verschilende verhaallijnen. Vandaaruit wordt de crisiservaring gerelativeerd. Vanuit een ander gezichtspunt komen echter de verhalen van de breuk op de voorgrond te staan.
In onze tijd is de ervaring van de gebrokenheid van het leven heel sterk. Er is weinig eenheid in ons bestaan.
Er wordt heel verschillend gedacht over wat uiteindelijk de zin van het leven is. Er is een sterk besef dat we zelf zin aan het leven moeten geven. Ganzevoort vat dit alles samen met het woord 'contingentie' (259v). De vragen rond contingentie geven aan de verhalen van de breuk een zekere prioriteit (263-264). Opvallend is nu hoe het thema van de zingeving verbonden wordt met het onderscheid tussen de verschillende soorten van verhalen. Bij zingeving kan gedacht worden aan de zin die wij zelf aan bepaalde feiten verlenen. Dan wordt de term letterlijk genomen. Zij kan echter ook breder worden gebruikt. Dan omvat zij ook het ontdekken van zin. In dit geval is de zin iets dat gegeven is. Ze moet dan worden gevonden. Zo is het bijvoorbeeld bij een boek of een gedicht. In het algemeen geldt dat bij een kunstwerk. Maar soms wordt ook uitdrukkelijk van een schilderij gezegd dat iedere toeschouwer vrij is er zelf een bepaalde betekenis aan te geven. Het schilderij vormt dan alleen het materiaal waarvan de toeschouwer uitgaat, maar wat hij er in ziet of wil zien, wordt verder aan hem zelf overgelaten. Zo wordt de werkelijkheid soms opgevat als in zich zinvol. Het gaat er dan om die zin te ontdekken. Maar ook wordt vaak gedacht dat wij mensen het zijn die zin aan de werkelijkheid moeten geven. Op zich hebben wat de 'feiten' genoemd wordt, geen zin. Zij zijn neutraal. De betekenis die ze voor ons hebben, hebben we er zelf aan toegekend.
Ganzevoort zegt: vanuit het gezichtspunt van de wording is de zin gegeven. Dat geldt zeker voor het scheppingsgeloof.

'De werkelijkheid bestaat niet door zichzelf, om zichzelf en in zichzelf, maar is gerelateerd aan God.' Daarom is met de schepping een bepaalde orde, samenhang en zin gegeven. Anders ligt het met de verhalen van de breuk. 'Daarin hebben we te maken met de fundamentele afstand tussen deze wereld en de transcendente werkelijkheid. Het gevolg daarvan is dat de orde en samenhang verloren zijn gegaan, en er geen directe verbinding mag worden gelegd tussen God en de gebeurtenissen in deze werkeijkheid. Binnen dit aspect kunnen we niet meer spreken van de zin die in de werkelijkheid zelf ligt, maar kan het alleen nog maar gaan om door mensen toegekende zin, om door ons aangebrachte orde' (263).
Het heeft er alle schijn van dat deze situatie in eerste instantie tot uitgangspunt is genomen bij de bepaling van wat een verhaal is. Daarin wordt immers samenhang in de gebeurtenissen aangebracht, zodat deze betekenis krijgen (294). Zin en samenhang zoals de gebeurtenissen die binnen een verhaal hebben, worden niet op dezelfde wijze in de werkelijkheid zelf aangetroffen. Het gaat steeds om onze interpretatie (295v). Uitgangspunt voor het zingevende verhaal is dus de contingente werkelijkheid, het materiaal van de feiten waaraan wij betekenis moeten geven. Daarop slaat in de eerste plaats het levensverhaal.
Maar betekent dat niet ook dat daarmee de breuk tussen de mens en God tot uitgangspunt voor het verhaal wordt gemaakt?
Bedoelt Ganzevoort echt dat als de zin niet meer ontdekt kan worden, omdat de relatie met God verstoord is, dat dan wij zelf de zin aan de dingen moeten geven? Betekent de breuk dan dat wij op de plaats van God komen te staan? Bijbels gezien zou dat een bevestiging van de breuk betekenen. Geen wonder dat dan binnen het christelijke pastoraat deze lijn niet kan worden volgehouden. Het zou erop neerkomen dat we ons zelf zouden moeten helpen in plaats daarvan dat we weer zicht krijgen op God en zijn beloften. Ik heb sterk de indruk dat onkritisch gebruik van de grote hoeveelheid literatuur die hij heeft verwerkt, Ganzevoort hier parten heeft gespeeld. In de moderne filosofie heeft grote invloed gehad de gedachte dat de werkelijkheid van de feiten op zich geen zin of betekenis heeft. Het is in de menselijke cultuur dat zin en betekenis aan de dingen gegeven worden. Zoals bij dat eerder genoemde schilderij waarbij iedere toeschouwer zijn eigen interpretatie mag bedenken. Natuurlijk wordt wel erkend dat, als het gaat om betekenisgeving in het algemeen, niemand helemaal op zichzelf staat. We staan in een traditie waardoor we worden gevormd. Maar deze samenhang doet er niets aan af dat de oorsprong van zin en betekenis uiteindelijk in de mens en nergens anders gezocht wordt. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze gedachte ook doorwerkt in de opvatting van verhaal zoals die op verscheidene plaatsen in zijn boek door Ganzevoort wordt ontwikkeld.
In het verhaal staat de zingeving in de beperkte betekenis op de voorgrond. Maar dat kan niet anders betekenen dan dat in deze opvatting van het verhaal de breuk met God wordt bevestigd. Dat is stellig niet zijn bedoeling. Maar het veroorzaakt wel een diepgaande spanning in zijn verhaal.

Existentiële en filosofische zinvraag
Ik kan het ook nog anders formuleren. In de verbinding van verhaal en zingeving lopen eigenlijk twee vragen door elkaar: de existentiële en de filosofische zinvraag. Bij de eerste gaat het om de gebrokenheid waarmee ik dit artikel ben begonnen: het lijden en het kwaad. Daarmee wordt al in het boek Job en in het boek Prediker geworsteld.
De kracht van het boek van Ganzevoort is dat hij deze vraag volop serieus wil nemen. Deze vraag ontstaat omdat we geen zin vinden waar we zin verwachten. Uitgangspunt is de aanwezigheid van de zin, niet als door de mens tot stand gebracht maar als voor ons gegeven. De vragen ontstaan omdat het anders is. Op deze vragen gaat Ganzevoort in als hij de ervaring van de gebrokenheid plaatst in het perspectief van de hoop en de belofte. Dat is voluit bijbels verantwoord.
Bij de filosofische zinvraag gaat het duidelijk om iets anders. Deze betreft niet in de eerste plaats het kwaad en het lijden, maar het bestaan van de dingen als zodanig. Eigenlijk is deze vraag pas echt naar voren gekomen in de moderne tijd toen het geloof in God als Schepper werd losgelaten. Zoals Ganzevoort duidelijk maakt is voor het scheppingsgeloof de zin van de dingen gegeven, juist omdat ze door God geschapen zijn. Pas wanneer van dit geloof afstand wordt genomen, wordt· de zin van de dingen een probleem. Aanvankelijk leek het erop dat de mens als een soort ideaal subject vrij gemakkelijk de plaats van God als oorsprong van de zin kon innemen. Maar dat wordt steeds meer problematisch. De gedachte dat de zin niet gegeven is, maar door menselijke interpretatie van de feiten nog moet worden verleend, heeft als filosofische gedachte dus een heel bepaalde achtergrond die moeilijk te verbinden is met het bijbelse geloof in schepping en verlossing. Maar het is juist deze gedachte die op de achtergrond meespeelt bij de betekenis die aan het verhaal wordt toegekend als het verband waarin de feiten hun zin ontvangen. Want van dit verhaal is de mens zelf de auteur. Daarom staat dit verhaal ook in spanning met de verhaallijn van de hoop waarbij duidelijk is dat de belofte van God daarvoor de grondslag vormt.
Het is terecht als de gebrokenheid in de existentiële zin in zekere zin prioriteit krijgt bij het verstaan van onze situatie. Maar het juiste zicht op deze gebrokenheid kan dan niet los staan van schepping en belofte. Daarom kan vanuit deze gebrokenheid ook niet worden gezegd dat wij het zelf zijn die de zin tot stand moeten brengen. Dan is de gebrokenheid uit het bijbelse verband losgemaakt en verbonden met de filosofische zinproblematiek die juist van de verwerping van het bijbelse geloof uitgaat.
De achtergrond van de eigenaardige spanning die ik eerder noemde, ligt daarom mijn inziens in de vermenging van de existentiële met de filosofische zinproblematiek. Daardoor wordt aan de bijbelse spankracht van het boek afbreuk gedaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief