Jezus als charismaticus
2007-05-25
De hernieuwde belangstelling voor het werk van de Heilige Geest brengt ook met zich mee, dat met andere ogen naar de persoon van Jezus Christus wordt gekeken. In de vernieuwing die ‘New Wine’ voorstaat en waarover Willem Smouter zijn ‘Herstelwerk’ schrijft, wordt aan dat gezichtspunt veel waarde gehecht. Op verzoek van de studenten heb ik daaraan aandacht gegeven tijdens een NGP-college over ‘charismatische vernieuwing’. In dit artikel wil ik daaruit enkele dingen doorgeven.- Jaargang 51
- nummer 11
Wie is Jezus nu eigenlijk? Wij zijn gewend aan het aloude kerkelijke antwoord: ‘De Zoon van God, die evenzeer God als mens is.’ (vgl. de Geloofsbelijdenis van Athanasius 28). Dat antwoord heeft sterke papieren.
Tegelijk heeft het iets eenzijdigs, doordat het zwijgt over de Heilige Geest. Dat is opmerkelijk, omdat op veel plaatsen in het Nieuwe Testament wordt aangegeven, dat juist de actieve aanwezigheid van de Geest de levensgang van Jezus zo uniek maakte.
Bij het begin van zijn publieke optreden, nadat de Geest bij zijn doop op Hem was neergedaald, verwijst Jezus zelf naar Jesaja 61:1,2: ‘De Geest van de Heer rust op mij.’ (Lucas 4:18). In zijn toespraak tot Cornelius verklaart Petrus, dat ‘God Jezus uit Nazaret met de Heilige Geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed.’ (Handelingen 10:37,38). De Geest staat aan het begin van Jezus’ leven: Maria krijgt de boodschap, dat haar kind ‘heilig’ zal worden genoemd en ‘Zoon van God’ omdat de heilige Geest over haar zal komen (Lucas 1:35). De Geest staat ook aan het einde van Jezus’ leven op aarde: in Romeinen 1:4 schrijft Paulus, dat Jezus is ‘aangewezen als Zoon van God en door de Heilige Geest bekleed met macht toen hij opstond uit de dood.’ Kunnen wij zo gezien het geheim van de persoon van Christus wel op het spoor komen, wanneer wij de persoon en het werk van de Heilige Geest buiten beschouwing laten?
De charismaticus bij uitstek
Steeds meer theologen menen van niet, en bij hen sluit Willem Smouter zich aan. Voor hem is de ontdekking, dat de zalving met de Geest kenmerkend is voor Jezus, van groot belang.
Hij leidt daar uit af, dat Jezus ‘zijn tekenen en wonderen hier op aarde deed als waarachtig mens, vervuld met de Heilige Geest.’ (Herstelwerk 12). Hij vat dat zo op, dat Jezus zijn wonderen kon doen, doordat Hij tal van gaven van de Geest ontving. Smouter noemt Jezus dan ook ‘de charismaticus bij uitstek’ (Herstelwerk 106). Hij hecht daaraan zo veel waarde, omdat daarmee voor hem de gaven van de Geest op hun plaats vallen. Zij vormen ‘een integraal deel van Jezus’ zending’ (Herstelwerk 106) en kunnen dus onmogelijk beschouwd worden als een bijkomstigheid die de kerk eventueel ook zou kunnen missen. Integendeel, doordat ook de gemeente met de gaven van de Geest is toegerust, is zij in staat Jezus als charismaticus na te volgen. ‘Omdat Jezus zijn wonderen deed als een mens die de Geest ontvangen heeft, is het principieel mogelijk dat ook anderen hem navolgen. En dat blijkt ook Jezus’ bedoeling te zijn. Van bijna elk wonder dat hij doet, kun je lezen dat de leerlingen hem moeten nadoen.’ (Herstelwerk 77).
Jezus is God
Dat roept natuurlijk de vraag op, hoe het zit met die belijdenis dat Jezus ‘evenzeer God als mens is’. Veel theologen die onder de indruk zijn van de inwerking van de Geest op Jezus’ leven, benadrukken dat zij die belijdenis trouw willen blijven. Jan Veenhof bijvoorbeeld erkent, dat Jezus in een unieke relatie leeft tot God de Vader, zo dat hij op één lijn staat met Hem. Maar volgens Veenhof is het minder bijbels, om die unieke relatie aan te duiden met de leerstelling dat Jezus een ‘goddelijke natuur’ heeft. Hij meent dat zulke begrippen ons in de weg staan, om Jezus te zien in zijn onderscheidenheid van zijn Vader en in zijn echte menselijkheid. Veenhof vraagt daarbij speciaal aandacht voor de ontwikkeling die Jezus doormaakt (Lucas 2:40). Want als er iets karakteristiek is voor een mens, dan wel het dynamische proces van groei. Maar hoe kun je daaraan recht doen, als je er van uit gaat dat Jezus in zijn goddelijke natuur van meet af aan onveranderlijk de Zoon van God was?
Ziedaar het belang dat er voor theologen als Veenhof mee gemoeid is, om acht te slaan op de inwerking van de Geest op de mens Jezus. Het Woord is op zo’n manier vlees geworden (Johannes 1:14), dat Jezus zich, dankzij het werk van de Geest, om zo te zeggen steeds verder ontplooid heeft tot Zoon van God.
Twee naturen
Deze kritiek op het dogma van de goddelijke natuur van Jezus neemt Smouter niet over. Hij blijft vasthouden aan de op het concilie van Chalcedon vastgestelde leer, dat Christus twee naturen heeft, een goddelijke en een menselijke. Tegelijk hecht hij er waarde aan, om Jezus niet te beschouwen als ‘een verklede God’, maar ‘als waarachtig mens’ (Herstelwerk 12,15). Daarmee maakt hij het zichzelf niet gemakkelijk.
Want Veenhof heeft dunkt mij wel gelijk: het is niet eenvoudig om binnen die tweenaturenleer het volle pond te geven aan Jezus’ menselijke groeien in wijsheid en aan zijn menselijke bidden tot God. Smouter zoekt de oplossing in het onderscheid tussen ‘zijn’ en ‘doen’. ‘Voor onze studie lijkt het me beter om helemaal aan Chalcedon … vast te houden als het gaat over de vraag wie Jezus ís. Wat we hier bespreken, is veeleer wat Jezus dóet: namelijk dat hij ervoor kiest om als een werkelijk mens de duivel te weerstaan, zieken te genezen en hete lijden te verdragen; als een mens die vervuld is van de heilige Geest.’ (Herstelwerk 103).
Maar gaat het aan, om zo ‘natuur’ en ‘handelen’ uit elkaar te halen? Is het overtuigend, om het werk van de Geest enkel op het doen van Christus te betrekken en niet op wie Hij is? Ik zou denken van niet, alleen al omdat de Geest blijkens Lucas 1:35 alles te maken heeft met Jezus’ identiteit als Zoon van God. De moeilijkheden nemen nog toe, doordat Smouter lijkt te willen zeggen dat gedurende Jezus’ leven op aarde zijn goddelijke natuur ‘in ruste’ was. Uit Filippenzen 2:6-8 leidt hij af, dat het ‘de volgehouden keuze van de Heer was, zijn leven lang’ afstand te doen van zijn goddelijke kracht.’ De krachten van het Koninkrijk die Jezus doet, moeten worden toegeschreven aan zijn menselijke natuur: ‘Het is zijn volgehouden zondaarsliefde om gedurende zijn leven te handelen vanuit de menselijke natuur, waarin hij de krachten van de Geest ontvangen heeft.’ (Herstelwerk 103).
Nu ben ik er niet zeker van dat deze dogmatische uitspraak gedekt wordt door de genoemde verzen uit Filippenzen 2. Daarnaast vraag ik me af, of Smouter er zo in slaagt het spookbeeld van de ‘verklede god’ te verdrijven.
Want hoe menselijk is iemand, die de keuzevrijheid heeft om geen gebruik te maken van goddelijke krachten waarover hij van nature wel zou kunnen beschikken? In de derde plaats krijg ik ook niet de indruk, dat de evangeliën consequent Jezus’ menselijkheid benadrukken, wanneer zij berichten over de tekenen en wonderen die Hij doet. Smouter zelf erkent dat Johannes die tekenen heel anders benadert (Herstelwerk 104). Maar wijst ook bijvoorbeeld het verhaal van de wonderbare visvangst in Lukas 5:1-8 niet in een andere richting? Smouter schrijft over de toeschouwers van de wonderen die Jezus doet: ‘Wat deze mensen schokt … is dat een méns deze dingen doet.’ (Herstelwerk 76). Maar is er niet meer aan de hand, wanneer Petrus na de wonderbare visvangst op zijn knieën valt voor Jezus en Hem vraagt van hem weg te gaan (Lukas 5:8, vgl. 8:28)? Dat is een gebaar van onderwerping en vrees, waarin zich de goddelijke heiligheid van Jezus weerspiegelt. Het brengt tot uitdrukking dat de afstand tussen Petrus en Jezus van een andere orde was dan die tussen bijvoorbeeld de charismatische Elisa en zijn volgelingen.
Imitatio Christi
Nu heeft ook Smouter oog voor dat verschil. Hij zegt het de belijdenis van Nicea en Constantinopel na: ‘Jezus Christus is God uit God, licht uit licht en wij zijn zondige mensen – een groter onderscheid is er niet.’ (Herstelwerk 103). Ook erkent hij, ‘dat Jezus álles van de Geest heeft en wij slechts een beetje.’ (Herstelwerk 99). Tegelijk hamert hij op de overeenkomst tussen Jezus en ons: als Jezus in zijn menselijkheid door de Geest van God wonderen deed, dan wij ook. Zijn punt is, dat Jezus als charismaticus ons ten voorbeeld strekt, zijn wonderen aan zijn leerlingen ‘voor doet’ (Herstelwerk 82). Zo geeft hij aan het oude kerkelijk motief van de imitatio Christi een verrassende toespitsing.
Daarmee maakt hij zich echter ook kwetsbaar. Want als in de kerkgeschiedenis op dat ‘nadoen’ van Jezus gefocust werd, verloor men nog al eens uit het oog hoe ánders Jezus is en blijft in zijn eenheid met de Vader.
De Deense ethicus Niels Søe wijst erop, dat men vaak voor de verleiding bezweek om zich dat voorbeeld van Jezus voor te stellen naar zijn eigen levensideaal. Zo hebben revolutionairen die in Jezus hun ‘voorbeeld’ zagen, Hem – zonder zich daarvan bewust te zijn – gemodelleerd naar hun eigen ‘ideaal’ van ‘revolutionair’.
Zou dat bij het voorbeeld van ‘Jezus als charismaticus’ ook kunnen gebeuren? Ongetwijfeld is dat niet Smouters bedoeling. Dat belet hem niet om, in navolging van Bruce Collins, Jezus bij zijn genezing van de verlamde (Marcus 2:1-12) te beschrijven ‘als degene die luistert naar God en bij alles wat hij doet afhankelijk is van wat de Geest hem aan gaven geeft.’ (Herstelwerk 106). Smouter herkent in deze geschiedenis ‘vrijwel elk van de ons bekende gaven van de Geest’ (Herstelwerk 106, cursivering van mij, vdD) en voelt zich door deze benadering dan ook erg aangesproken. Maar in alle voorzichtigheid zou ik willen vragen: wordt hier Jezus als charismaticus – onbedoeld – niet gemodelleerd naar de praktijk van New Wine? En van de andere kant komende: onthult deze bijzondere geschiedenis niet dat Jezus een geheim met zich mee draagt van onvergelijkelijke heerlijkheid (Johannes 1:14b)?
Profeet, priester en koning
Omwille van dat geheim voel ik mij nog altijd thuis bij de manier waarop de Heidelberger Catechismus spreekt over de betekenis van de Geest voor de persoon en het werk van Jezus. Ik doel op zondag 12, door Smouter merkwaardigerwijze niet genoemd. Daar wordt in alle helderheid beleden dat Christus door de Heilige Geest gezalfd is tot profeet, priester en koning, en dat wij deel krijgen aan die zalving. Maar opvallend is, dat de Catechismus de overeenkomst niet uitwerkt met behulp van het imitatiemotief.
Als het gaat om het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt van Christus worden andere dingen genoemd dan wanneer het gaat over de wijze waarop dat drievoudig ambt in óns leven gestalte krijgt. Ik stel voor, om deze asymmetrie aan te houden bij het nadenken over de gaven van de Geest. Wat mij betreft blijft in antwoord 31 over Christus staan: ‘en gezalfd tot onze eeuwige Koning, die ons door zijn Woord en Geest regeert en ons in de verworven verlossing beschermt en bewaart.’ Antwoord 32 over ons christenen zou dan als volgt kunnen worden aangevuld: ‘gezalfd … opdat ik tegen de zonde en de duivel strijd, open voor de gaven van de Geest die de Heer in zijn vrijheid schenkt wanneer en aan wie Hij dat wil.’
Dr. Ad van der Dussen is als kerndocent systematische vakken verbonden aan de NGP en als predikant werkzaam in de Nederlands Gereformeerde Kerk van Eindhoven.