Identiteit en fusie
1995-06-02
Christelijke instellingen hebben het moeilijk. In meer dan één opzicht. Ook - soms juist (mede) daardoor - als ze door de overheid worden gesubsidieerd.- Jaargang 39
- nummer 11
Gedwongen én vrijwillige fusies en samenwerkingsverbanden zijn aan de orde van de dag. Schaalvergroting is in. Met alle consequenties van dien. De enkele tientallen jaren geleden begonnen golf van fusies in het bedrijfsleven overspoelde sindsdien ook andere maatschappelijke terreinen.
Dat dan bij christelijke instellingen hun identiteit vaak op de tocht komt te staan, kan een ieder constateren.
Naast het verlies aan identiteit als gevolg van de om zich heen grijpende verwereldlijking komt nu deze ontwikkeling.
Simpel liggen de problemen zeker niet. Er is niet één oorzaak. Wel is duidelijk, dat voor een herbezinning alle reden is. Een herbezinning over onze opstelling midden in die ontwikkelingen, over de rol van de overheid in dat geheel en over hetgeen t.a.v. die identiteit nu echt essentieel is.
Een grote verscheidenheid
We leven in een gesaeculariseerde wereld. In een wereld, waarin het woord christelijk vaak (nog) wel in het 'vaandel', in de statuten, stáát, maar feitelijk soms nauwelijks meer betekenis heeft. Verkiezingsuitslagen maken niet alleen duidelijk, dat politiek en politieke partijen, waarvoor Gods Woord nog een reëel gegeven is, voor velen een al lang gepasseerd station zijn. Ze zijn vaak ook een bevestiging van ontwikkelingen die zich op een veel breder niveau reeds lang voltrokken hébben. In de kerken, in de maatschappij, in de gezinnen, in het onderwijs.
Een instelling, een school kan nog wel christelijk héten, de Bijbel in haar statuten als grondslag vermelden, maar dat is geen garantie dat de identiteits'vlag' die lading dekt. Niet alleen kleuren 'verschieten'. Het aantal scholen dat mede als gevolg van het schaalvergrotingsproces van richting verandert is vrij aanzienlijk. Zoals er in de jaren 1992-1994 in het voortgezet onderwijs maar liefst 25 scholen hun protestants-christelijke richting veranderden in een protestants-christelijk/rooms-katholiek richting. En zo is er wel meer te noemen.
Identiteitscrisis
Maar laat ik hier beginnen met enkele, vrij willekeurige maar heel concrete voorbeelden.
1. Er waren sinds jaar en dag een vijftal instellingen op het gebied van de lectuurvoorziening van blinden en slechtzienden. O.a. de Christelijke Bibliotheek voor Aangepaste Lectuur en Informatie te Ermelo en de Rooms-
Katholieke Bibliotheek 'Le Sage ten Broek' te Nijmegen. In een brief van 13 juli 1993 liet de toenmalige Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur hen weten dat het haar voornemen was de vijf bestaande instellingen te laten opgaan in één 'Blindenbibliotheek Nederland'. De minister had ook een stok achter de deur: De bestaande subsidies voor de afzonderlijke instellingen zouden worden beëindigd. Per 31 december 1994 zou slechts de nieuwe 'Blindenbibliotheek Nederland' nog voor subsidie in aanmerking komen.
Een voornemen dat overigens dank zij de opstelling van de toenmalige meerderheid van de Tweede Kamer in die vorm toch gelukkig niet niet werd gerealiseerd, al zal men op een aantal punten toch wel meer moeten samenwerken. Soms kan dat ook.
2. Een tweede voorbeeld. Vorig jaar sprak ik een docente aan een in het westen gelegen christelijke basisschool.
Van een school met een bestuur, dat zich nog wilde inzetten voor het christelijk onderwijs. De leerlingen van haar klas bestonden, zo vertelde ze, voor een kwart uit leerlingen, afkomstig uit redelijk meelevende christelijke gezinnen en voor een kwart uit leerlingen, die de Bijbel nog van horen zeggen kenden. Voorts uit een aantal, afkomstig uit gezinnen die in het geheel geen band meer met een kerk hadden. De rij werd dan nog gesloten door een kwart, dat bestond uit vlak daarvoor in Nederland gearriveerde moslimkinderen. Voor een goed begrip van de situatie: Het schoolbestuur had, alvorens de laatstgenoemden toe te laten, wel eerst een gesprek gevoerd met de ouders en daarbij o.a. de eis gesteld, dat de kinderen bij het godsdienstonderwijs en bij kerstfeestvieringen e.d. zich niet aan de lessen zouden mogen onttrekken. Een voorwaarde, die ook werd geaccepteerd.
3. Een derde voorbeeld. Een vanouds als christelijk bekend staand ziekenhuis breidde zich uit. Het aantal personeelsleden bedroeg na jaren een veelvoud van het aantal waarmee was begonnen. Het probleem was: Waar haal je het personeel vandaan, dat zich nog echt wil inzetten, niet alleen voor de verpleging als zodanig, maar ook voor de christelijke identiteit van het ziekenhuis. Ze wáren er eenvoudig niet én - dat moet er worden bijgezegd' - meerderen van wie er wel waren, gelóófden..... het wel. Het ziekenhuis kreeg bovendien te maken met de noodzaak van herbouw én met een overheid, die het wilde laten fuseren met een rooms-katholiek en een 'neutraal' ziekenhuis.
Twee aspecten
Je kunt daar natuurlijk heel veel over zeggen. Maar laat ik me hier beperken tot twee, wel van elkaar te onderscheiden, aspecten. Bij het eerste staat de rol van de overheid centraal en de grenzen die deze daarbij toch wel in acht zal moeten nemen. Bij het tweede gaat het om ónze taak, ónze verantwoordelijkheid, ónze opstelling.
Overheid en identiteit
Dat eerstgenoemde aspect komt uitvoerig aan de orde in een onlangs verschenen brochure van het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, het zgn. C.I.O. Die brochure draagt tot titel 'De identiteit van instellingen in de samenleving'. (De brochure is verkrijgbaar via het secretarisaat van het R.K. kerkgenootschap, tel. 030-334244.) Wie overigens veronderstelt, dat deze materie urgent is geworden, omdat we nu een 'paars' kabinet hebben, trekt een te gemakkelijke conclusie. Al of niet gedwongen fusies, waarbij de identiteit van de instellingen in gevaar komt, komen al veel langer voor. Ook onder kabinetten, waarin het CDA nog wel iets had in te brengen. Wie pas wakker wordt omdat we nu een geheel ander kabinet hebben, heeft al te láng geslapen. Wel kun je constateren, dat bij dit kabinet het respect voor de identiteit van instellingen bepaald niet groot is. Het voorstel van staatssecretaris Nuis tot verandering van de mediawetgeving is slechts één voorbeeld.
In die brochure, waarin het onderwijs overigens buiten beschouwing werd gelaten, omdat er vele andere instanties zijn die zich daarmee bezighouden, wordt nog eens opnieuw sterk benadrukt, dat de 'invulling' van de identiteit van de instellingen een zaak van die instellingen zelf is. Niet van de overheid. Daarbij wordt er o.a. op gewezen, dat het ook van belang is om in het oog te houden wat bedoeld wordt met de wel gebruikte uitdrukking dat de staat godsdienstig en levensbeschouwelijk neutraal is. Die stelling wordt, aldus de brochure, wel eens gebruikt "als aanduiding van een algemene, niet godsdienstige identiteit, die voor iedereen voldoende en acceptabel zou moeten zijn". Zelfs wel eens in die zin, dat aan het woord neutraal de bijbetekenis wordt gehecht van "onverschillig of zelfs van afstandelijk vijandig, waar het godsdienst of levensbeschouwing betreft". Het doet je dan denken aan de in het verleden wel
gebruikte kreet: "onverdeeld naar de openbare schooi". En dat is een associatie, die duidelijk maakt, dat ogenschijnlijk kleine verschuivingen soms grote gevolgen kunnen hebben.
De overheid, aldus de brochure, "heeft geen inhoudelijke bemoeienis met identiteit". Uitgezonderd dan situaties, waarin de instelling qua doelstelling of in haar activiteiten in strijd komt of dreigt te komen met de openbare orde.
Maar dat laatste is een ander verhaal.
Het voorgaande betekent ook, dat een instelling op zich zelf genomen wel van kleur kan 'verschieten', in de loop van de tijd kan komen tot andere keuzes en voorkeuren. Daar kun je best kanttekeningen bij maken maar dan als betrokkene bij die instelling zelf.
Intern. Niet als overheid. Omdat dat niet haar taak is. Waarbij wij, voor onze taak gesteld, ons kunnen afvragen of we in het verleden niet wel eens samenwerking hebben afgewezen in situaties, waarin het wél had gekund.
Meelopen kan niet meer
De ruimte die tegenover de overheid zo terecht mag en moet worden geclaimd ontslaat ons echter niet van onze plicht. Want ook al zou die overheid die ruimte wél respecteren, dan is daarmee nog niet gezegd, dat wij daar ook een goede invulling aan weten te geven en goede keuzes weten te maken. Keuzes, die metterdaad 'coram Deo', voor het aangezicht van God kunnen bestaan.
Voor een herbezinning daarover is te meer reden omdat keuzen vanuit de traditie zéker niet meer werken. De tijd, dat we als christenen welhaast 'automatisch' kozen voor de 'school met de Bijbel', voor het christelijk ziekenhuis, een christelijk bejaardencentrum e.d. ligt achter ons. Automatismen en vanzelfsprekendheden die niet op een bewuste geloofskeus gebaseerd zijn, geven geen blijk van een bewust geloofsleven. Voor herbezinning is metterdaad alle reden. De tijd van meelopen is definitief voorbij.
De grote vraag is alleen: hoe stellen we ons dan op? In een andere situatie, onder andere verhoudingen. Komen we metterdaad uit ons hoekje? Doen we onze mond open als dat nodig is?
Zijn we bereid om binnen de ook nu nog bestaande mogelijkheden ons in te zetten in bijvoorbeeld een adviesraad, een bestuur, een medezeggenschapsraad e.d.? Toegegeven, het is misschien niet de gemakkelijkste weg maar Christus vraagt ons Hem te dienen, niet ons zelf.
Je kunt dan, al doende, stuiten op vragen als: Kun je deel uit blijven maken van dat bestuur? Kun je bij die instelling blijven werken? Of zelfs: Geeft het niet meer duidelijkheid, als je er een openbare instelling van maakt? Zoals je je ook kunt afvragen, of de keuzen en beslissingen, waarover je je druk maakt of druk maakte wel de echt belangrijke zijn?
De verkeerde identiteit
Soms praten we nl. ook wel eens over een identiteit en identiteitsvragen, die in wezen helemaal niet zo essentieel zijn. Dan wordt de identiteit van de instelling, de school of de kerk beoordeeld aan de hand van criteria, die daar toch weinig mee te maken hebben.
Een keuze voor een christelijke school "omdat de leerlingen daar uit wat nettere families komen" heeft met de eigenlijke identiteit van de school weinig te maken. Het kiezen voor of verlaten van een kerkelijke gemeente, omdat er al of niet op hele of halve noten en of er wel of niet uit het Liedboek wordt gezongen, heeft met het wezen, de echte identiteit van die kerk eveneens weinig te maken.
Een aardig voorbeeld van wat voor een kerk toch niet essentieel is kon men onlangs lezen in het Centraal Weekblad. In het kader van het Samen-op-weg-proces van de Nederlands Hervormde kerk, de Gereformeerde kerken en de Evangelisch Lutherse kerk zouden, zo kon men in dat artikel lezen, de diverse opleidingen over en weer erkend worden.
Ondanks die erkenning zou toch iemand die bij voorbeeld in de Gereformeerde kerken een predikantsopleiding had gevolgd maar in een Hervormde kerk beroepen zou worden dan eerst nog een Hervormde 'identiteitscursus' moeten volgen. Of in een ander geval een Gereformeerde of een Evangelisch Lutherse 'identiteitscursus'.
Een 'identiteitscursus' . Natuurlijk kunnen daarbij best zinnige aspecten aan de orde worden gesteld maar of dát nu echt bepalend is voor de identiteit van een kerk? Bepalend voor de identiteit van Góds kerk, want dat moet een kerk toch zijn?
Zodat je de vraag kunt stellen, of een cursus als hier bedoeld, in feite toch niet méér te maken heeft met zoals een van onze predikanten het onlangs met een glimlach uitdrukte 'de kerkelijke nestgeur'.
Wie echt over identiteit wil nadenken zal toch dieper moeten graven.