Een cruciaal moment? (1)

1995-06-30
  • Jaargang 39
  • nummer 13
In september vorig jaar is Ds. R.R. Ganzevoort, nu Nederlands Gereformeerd predikant in Doorn, gepromoveerd op het proefschrift. Een cruciaal moment. Functie en verandering van geloof in crisis. In Opbouw heeft Ds. Smouter toen zowel aan de promotie als aan het boek aandacht besteed. Maar het boek is het meer dan waard er uitvoerig op terug te komen. De thema’s die aan de orde worden gesteld, zijn van wezenlijke bekentenis. Zij raken de kern van ons geloof: wat kan het geloof betekenen in onze geseculariseerde tijd en in crisissituaties in het bijzonder?

Inleiding
Het boek is een echte dissertatie, een studie die blijk geeft van wetenschappelijke bekwaamheid, al was het alleen al door de indrukwekkende hoeveelheid literatuur die verwerkt is.
Toch klinkt de existentiële betrokkenheid bij de vragen van het geloof, die aan het eind bij wijze van epiloog kort onder woorden wordt gebracht, in het hele boek door.
Wat Ganzevoort probeert is tweeërlei: hij doet verslag van een onderzoek naar de wijze waarop een crisiservaring en de verwerking daarvan samenhangt met geloof. Tegelijk probeert hij duidelijk te krijgen wat een crisis eigenlijk is en welke betekenis het bijbelse geloof voor de verwerking daarvan kan hebben. Het eerste onderzoek is empirisch: 39 personen die op de een of andere wijze een crisis hebben doorgemaakt, zijn door verschillende studenten uitvoerig geïnterviewd in verband met de vraag hoe daarbij hun geloof een rol gespeeld heeft. Het gaat daarbij onder anderen om kinderen van gescheiden ouders, jonge weduwen en weduwnaars, mensen met een ernstige lichamelijke handicap en ouders van dubbel gehandicapte kinderen. Ganzevoort heeft de gegevens uit deze interviews verwerkt en geprobeerd daaruit conclusies te trekken. De belangrijkste conclusie is wel dat de betekenis van het geloof voor de verwerking van een crisiservaring sterk bepaald wordt door de 'sociale context', dat wil zeggen door de vraag of in de jeugd van de betrokkenen het geloof in de relatie vooral met de ouders positief is beleefd en of in de tijd van de crisis zelf er een sterke verbondenheid is ervaren met medegelovigen.
Deze meer empirische kant van het onderzoek zal ik verder laten rusten.
De conclusie spreekt voor zichzelf: zij onderstreept nog eens het belang- van de als echt ervaren geloofsgemeenschap, in het gezin en in de gemeente. Wel had ik graag meer aandacht gezien voor de vraag in hoever de inhoudelijke kant van het geloof hierbij ook van betekenis is. Ik zal me echter beperken tot de andere kant van het boek, waarin de inhoudeljke kant wel uitdrukkelijk aan de orde komt, de hoofdstukken waarin vanuit de psychologie en de theologie verder nagedacht wordt over de verhouding van crisis en geloof, uiteindelijk gericht op het pastoraat. Daar ligt voor mijn besef het hart van het boek en van de schrijver. Dit gedeelte heeft in de besprekingen die ik heb gelezen, ook de meeste vragen opgeroepen.
De noties die in de verschillende reflecties op geloof en crisis centraal staan, zijn 'verhaal' en 'zingeving'.
Reeds in eerdere publikaties zoals Levensverhalen (1989) en Mag ik er zijn? (1990), had Ganzevoort laten merken hoe belangrijk voor hem de levensverhalen zijn, voor het verstaan van de Bijbel en voor het pastoraat. In zijn dissertatie wordt deze benadering voortgezet. In twee artikelen wil ik op de betekenis van het 'verhaal' wat dieper ingaan, ook omdat Ganzevoort in zijn benadering niet alleen staat. Zonder de positieve betekenis ervan te ontkennen wil ik toch vooral een aantal problemen laten zien. Het gaat me vooral om twee vragen: 1. Wat is de plaats van 'zingeving' in het verhaal?
2. In hoever kan de notie van het verhaal helpen om de Bijbel te verstaan?
Dit klinkt natuurlijk nogal abstract. Ik hoop dat in het vervolg zal blijken dat het wel degelijk gaat om de concrete vraag wat het geloof in onze geseculariseerde tijd en in crisissituaties in het bijzonder kan betekenen.

Het eigenlijke motief
'Wat kan God nog voor ons betekenen? Dat is de vraag die mij het meest heeft beziggehouden.' '"
'Het grote probleem waar we voor staan is niet anders dan de werkelijkheid die geschonden en gescheiden is. We zijn God kwijt, en het ergste is dat we Hem niet terug kunnen vinden.
leder antwoord dat een logisch verband aanbrengt tussen de pijnlijke werkelijkheid en de belofte van het geheelde Koninkrijk is noodzakelijkerwijs gekunsteld en menselijk. Pas wanneer we dat besef werkelijk laten doordringen in ons geloof, in de kerk, in de theologie en in het pastoraat, dan pas kunnen we opnieuw gaan zoeken naar de betekenis van het heil.' ...
'De confrontatie met de afgrond van het lijden schreeuwt om de boodschap van Gods heil. Het is mijn persoonlijke overtuiging en ervaring dat God in Jezus Christus nog steeds (en misschien wel meer dan ooit) alles voor ons kan en wil betekenen.' Deze passages komen uit de slotwoorden van het boek: 'bij wijze van epiloog - een persoonlijk perspectief' (367-368). Zij geven aan waar het Ganzevoort ten diepste om gaat. De formulering van de vraag is misschien niet zo gelukkig. Is het echt een kwestie van kunnen? Moet, gezien de formulering van het probleem, het perspectief niet ook omgedraaid worden, kritisch naar onszelf: wat willen wij God voor ons laten betekenen? En: wat willen wij nog betekenen voor God? Maar de bedoeling is duidelijk: de nood en de vragen moeten ernstig worden genomen. Pas dan kan de diepte van de boodschap van het evangelie weer worden verstaan.
Gemakkelijke antwoorden sluiten de toegang tot het horen van het woord van God af. Voor echt geloof zijn ze een hindernis geworden. We moeten daarom ook niet proberen de hedendaagse mens daarmee nog te berei ken. Als dat nog werkt, is het eerder een vlucht dan echt geloof dat we een antwoord krijgen op de vraag naar het waarom. De werkelijkheid die we ervaren wordt niet doorzichtig tot op God.

Stem en tegenstem
Ik beluister bij Ganzevoort hetzelfde motief als in de boeken Job en Prediker.
In de Bijbel als het woord van God door de Heilige Geest klinken stem en tegenstem. Zo kunnen Job en Prediker gehoord worden als reactie op een verkeerd omgaan met de wijsheid van het Spreukenboek. In dit laatste boek is het grondmotief dat vanuit de vreze des HEREN inzicht in de werkelijkheid verworven kan worden.
Vragen vinden een antwoord als op de juiste manier wordt gezocht. (Vergelijk bijvoorbeeld Spr. 2:1-6). Wie de HERE erkent als Schepper en Verlosser en luistert naar wat in zijn opdracht wordt onderwezen, vindt zijn weg in het leven. Wie in het licht van het woord van God de werkelijkheid onderzoekt, gaat dingen begrijpen. Dat is wat wijsheid wordt genoemd. Maar als dit inzicht wordt gebruikt om met pasklare antwoorden aan de diepte van de vragen voorbij te gaan, dan wordt wijsheid tot dwaasheid. Dat laten de boeken Job en Prediker zien. De antwoorden van de wijsheid zijn bij de vrienden van Job tot een dogma geworden en zij brengen daarmee Job tot een steeds grotere wanhoop. Zij jutsteren niet, zij horen hem niet in zijn klacht (Job 6). Job leert vertrouwen zonder te begrijpen. Ook in het boek Prediker wordt duidelijk hoe weinig de werkelijkheid doorzichtig kan zijn tot op God.
De wijsheid, het inzicht dat we kunnen verwerven, ook in het licht van het woord van God, blijft beperkt. De Bijbel zelf wordt misbruikt, als we voorbijgaan aan echte ervaring die in vragen, klachten, protesten en misschien wel in vloeken wordt uitgeschreeuwd.
Je kunt je afvragen of Ganzevoort met zijn tegenstem niet iets verder gaat dan Prediker en Job. Uit stelling 11 bij zijn proefschrift is duidelijk dat hij moeite heeft met de wijze waarop in Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus over Gods voorzienigheid wordt gesproken. Kunnen we van alle dingen die ons overkomen, nog zeggen dat ze ons 'van zijn vaderlijke hand toekomen'? Als ik hem goed begrijp, vindt Ganzevoort dat hier het verband tussen de gebrokenheid die wij ervaren, en God te rechtstreeks wordt gelegd. En hem moet op zijn minst worden toegegeven dat de formulering op zich voor misverstand vatbaar is. Ze mag dan ook niet worden losgemaakt van wat in antwoord 28 wordt beleden: dat niets wat ons overkomt, dat geen schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, omdat Hij alles in zijn hand houdt. Er is niets sterker dan zijn liefde. Daarom is wezenlijk voor het geloof, dat wij, wat er ook gebeurt, en met dat wat er gebeurt, in Gods hand zijn. Hij regeert!
Ondanks verzet, kwaad, zonde. Doorzichtig wordt het niet. Aan Job wordt de achtergrond van wat hem overkomt, zoals die in de eerste twee hoofdstukken wordt verteld, niet duidelijk gemaakt. Maar juist in verband met het belijden van Zondag 10 is die achtergrond veelzeggend.

Verhaal en zingeving
Ik laat de problematiek van Zondag 10 verder rusten. Het gaat ons immers om de betekenis van het 'verhaal'.
Ook daarbij speelt de vraag naar de zin van het lijden een grote rol. Wat ik wil proberen te laten zien is dat hier bij Ganzevoort een tendens aanwezig is vergelijkbaar met wat hij in verband met Zondag 10 afwijst. Daardoor ontstaat er in zijn boek een eigenaardige spanning.
Wat is de primaire betekenis van het levensverhaal? Daarmee plaatsen we de gebeurtenissen van ons leven in een zinvolle samenhang. Een verhaal is altijd meer dan een opsomming. De betekenis die de geboorte van een kind heeft voor de ouders hangt samen met de omstandigheden waarin het geboren wordt: is de relatie tussen de ouders goed? Staan ze op het punt te verhuizen? Is er genoeg te eten? Enzovoort. Iedere gebeurtenis staat in een bepaalde samenhang.
Juist daardoor krijgen ze hun bijzondere betekenis. Een verhaai laat deze samenhang zien. Zo zien we in ons levensverhaal wat we h~bben gedaan, wat ons is overkomen, de omstandigheden van ons leven, in een bepaald verband. We ontdekken een bepaald patroon - positief, negatief, meestal gemengd. We leven met bepaalde verwachtingen. En zo kunnen we het leven aan. In ons levensverhaal blijkt hoe we de zin van ons leven ervaren.
In ons levensverhaal wordt duidelijk wie we zijn, onze identiteit.
Gebeuren er nu ingrijpende dingen, zoals een ongeluk waardoor we blijvend gehandicapt raken, of het overlijden van ons kind, dan komt er heel gemakkelijk een breuk in ons levensverhaal.
Een dergelijke gebeurtenis kunnen we geen plaats geven in ons leven. Zij past niet in ons levensverhaal.
Wanneer dat het geval is, raken we in wat Ganzevoort een crisis noemt. De kern daarvan is 'een zingevingsverstoring in het levensverhaal'.
Dat houdt in dat de interpretatie van bepaalde levensgebeurtenissen 'niet in zinvolle samenhang kan worden gebracht met het geheel van het levensverhaal' (183). We kunnen geen zin of betekenis ontdekken in wat ons is overkomen. Daarom lopen we erop stuk.
Als dit het probleem is, dan is ook duidelijk waar de oplossing moet worden gezocht. Het levensverhaal moet worden bijgesteld op zo'n wijze dat die gebeurtenis er een plaats in kan krijgen.
De situatie van het eigen leven moet weer als zinvol kunnen worden ervaren (190, 359v). De crisis is vooral een zingevingsprobleem. De oplossing moet daarom ook liggen in een nieuwe zingeving. Of het in werkelijkheid echter niet ingewikkelder is dan in deze voorgestelde oplossing wordt gesuggereerd, zal in het vervolg op dit artikel bezien worden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief