Hoe houden we de jeugd bij de kerk? (1)
1995-07-28
Onderstaand artikel is het eerste deel van de inleiding die de heer Lakerveld (jeugdouderling en tot voor kort leraar Nederlands aan een Chr. Scholengemeenschap) gehouden heeft op de Landelijke Ouderlingenconferentie van 12 november 1994. In dit eerste deel gaat het over de wereld waarin jongeren – en wij – opgroeien; in het tweede deel over een aantal concrete mogelijkheden om jonge mensen te begeleiden.- Jaargang 39
- nummer 15
De titel van ons onderwerp is niet zo gelukkig gekozen; maar de commissie had hem al geformuleerd toen de inleiders nog gezocht moesten worden. Er zijn in elk geval drie bezwaren tegen in te brengen: In de eerste plaats: het gaat er niet om dat de jeugd bij de kerk blijft, maar bij de levende Heer, de Here Jezus .. Bovendien: het klinkt zo negatief tegenover de jeugd: 05 Smouter heeft er al eens op gewezen dat we niet in iedere jongere een mogelijke kerkverlater moeten zien. 1 De titel is in elk geval suggestief in die richting. Als laatste: de titel klinkt zo pretentieus: alsof uitsluitend van onze activiteit afhangt of de jeugd bij de Here blijft! We hebben zo juist gezongen:
Als Gij het zelf niet vast blijft houden, nu het in onze handen is, dit kind voor 't licht bestemd, - hoe zouden wij 't hoeden voor de duisternis? (Lied 333:2)
Het is de Here die onze kinderen vasthoudt. Hij wil ons als ambtsdragers wèl gebruiken, daartoe heeft Hij ons zelfs geroepen. Over ons aandeel in Zijn werk gaat het vandaag. Hoe gaan we als kerk en in het bijzonder als ambtsdragers om met de jonge schapen van de kudde van de Here Jezus. Hoe kunnen we ze helpen dat ze gaan inzien dat het fijn is om bij Hem en zijn kudde te horen en met de kudde mee te gaan lopen.
Verdwenen grenzen
Over het probleem zullen we het wel eens zijn. Er zijnveel jongeren die de band met de Here losmaken en zelfs doorsnijden. Wat is er veranderd in de afgelopen jaren dat het aantal afhakers zo groot geworden is?
Wat bezielt hen; waardoor wordt het veroorzaakt? De meesten van ons zijn nog opgegroeid in een tijd dat de grenzen tussen kerk en wereld vrij duidelijk waren. Je wist dat buiten kerk en gezin anders gedacht en geleefd werd en qua levensstijl deed je niet met de 'wereld' mee. Bovendien, je zat op een christelijke school, was lid van christelijke verenigingen, je had vrienden uit die kringen en dat betekende dat denken en doen wel aardig overeenkwamen met wat je van huis uit kende. Anno 1994 zijn door de verwereldlijking de grenzen vervaagd, misschien moet je zelfs zeggen: weggevallen. Kon je de vroegere samenleving nog wel een beetje christelijk noemen, onze kinderen groeien op in een wereld die zich steeds verder van de Here en zijn dienst af verwijdert. Ook veel in de christelijke wereld waar ze o.a. op school middenin leven, is wezensvreemd geworden aan wat thuis en in de kerk geleerd en beleefd wordt. Thuis beleefd wordt? Via kranten, radio en vooral tv is de wereld op een verwarrende manier onze gezinnen binnengedrongen. Dag in dag uit worden we op de tv geconfronteerd met mensen die zich om niets anders druk lijken te maken dan om geld of bezit. Materialisme en vermaak schijnen de hoogste waarden in het leven. We krijgen slechts mensen te zien die leven alsof de Here niet bestaat; die het gek vinden dat je gaat trouwen i.p.v. samenwonen. En via de radio predikt de popwereld oorverdovend de vrije liefde en sex. Op die manier kan de tijdgeest vrij gemakkelijk bezit nemen van onze jongens en meisjes.
Tijdgeest
Wat is kenmerkend voor die tijdgeest? In het kader van het onderwerp meen ik te kunnen volstaan met het noemen van een paar karakteristieken.
- Een van de meest in het oog springende kenmerken is het individualisme. Je leeft in je eigen wereld; met je walkman op sluit je je af voor je medemens.Je maakt je uitsluitend druk voor je eigen ontplooiing, een leuke baan, geld verdienen. De kreten zijn: 'Don't worry, be happy!' (Maak je geen zorgen, geniet!) en 'Heb succes, leef lekker.' Een gevolg van het individualisme is dat er nauwelijks meer betrokkenheid is bij wat er in de wereld gebeurt. Zelfs de milieuvervuiling deert ons niet meer. Afstantitis noemt mediaprofessor Anne van der Meiden dat.
- Er heerst een geweldige oppervlakkigheid. Je moet niet te veel nadenken, zeker niet over een diepere zin van je leven.
Maatschappijkritiek is er nauwelijks meer: het gaat goed zoals het gaat.
- Een ander kenmerk van deze tijd is dat het leven niet meer gezien wordt als een eenheid, maar als een verzameling losse elementen: ieder segment van de samenleving heeft zijn eigen cultuur, 105 van de andere. Op de sportclub ben je een ander dan op school en daar ben je weer anders dan thuis of in de kerk. Dat het geloof heel je doen en laten in alle sectoren van je leven zou bepalen, is wezensvreemd aan het denken van onze tijd.
- Trouwens dat geloof laat ik me niet voorschrijven, ook niet door de kerk. Dat zoek ik zelf uit. Als in de supermarkt graai ik links en rechts van de schappen wat me aardig lijkt tot mijn karretje vol is. Echte godsdienst is godsdienst waar ik me prettig bij voel.
Kerkjeugd
En hiermee zijn we dicht bij huis gekomen. Want het is een illusie te denken dat het gedachtengoed van onze tijd aan de kerkjeugd voorbij gaat. Binnen de Vrijgemaakte kerken waar je het duidelijkst een voorbeeld van een reincultuur hebt, heeft men dat heel pijnlijk ervaren. Het individualisme kenmerk onze jongeren ook. Het in partjes opgedeelde leven is hun leven: ze zijn het wel eens met wat ze in de kerk horen, maar het heeft geen consequenties voor hun dagelijkse leven. Een onderzoek onder de chr. ger. jeugd van Zwolle is daar een duidelijk voorbeeld van: de geënqueteerden gingen trouw naar de kerk, deden in alles mee, maar in hun opvattingen over bij voorbeeld sexuele omgang voor het huwelijk, stemden ze overeen met niet-gelovigen. Jongens en meisjes van nu leven in het functionele tijdperk (Van Peursen); bij alles vragen ze: 'Wat heb ik er aan?' en wat ik niet kan gebruiken, leg ik naast me neer. (En de dogma's waar wij ons zo graag druk over maken, landen niet bij ze.)
Driedeling
Ik kan me voorstellen dat u nu denkt: gelukkig valt het bij ons nog wel wat mee; hij generaliseert wel erg.
Dat laatste is waar. Daarom nu iets genuanceerder: Ik denk, dat we grof genomen, onze jeugd in drie groepen kunnen indelen:
- jongeren die heel bewust kiezen voor de Here en de consequenties daarvan voor alle terreinen van het leven accepteren.
- de tweede groep bestaat uit wat ik zou willen noemen de meegaande jeugd. Ze gaat trouw naar de kerk, doet mee, zonder er echt zelf overtuigd voor gekozen te hebben.
- de derde groep bestaat uit de zeer kritischen; het zijn de nee-zeggers, degenen die het meeste kans lopen van de Here los te raken.
Vandaag hebben we vooral de tweede en de derde groep op het oog. Ook de tweede, die van de meegaanden, want juist die groep is zeer vatbaar voor allerlei invloeden.
Achterhoedegevechten
Deze jongeren groeien op in een kerk die zich vooral bezighoudt met heel andere zaken; een kerk die er, mijns inziens, veel te veel van uitgaat dat onze jeugd grotendeels behoort tot de eerste categorie, waarbij we de tweede groep maar bij de eerste onderbrengen. Voor de jongeren van de derde groep hebben we wel oog, maar we kunnen er weinig mee, we schuiven ze liever naar de jeugdouderling toe; ze staan zeker niet in het centrum van onze belangstelling.
We zijn in de kerk ontzettend druk met andere dingen, terwijl het hier gaat om het voortbestaan van de gemeente, nee sterker nog, om het behoud van onze kinderen, hun eeuwig geluk. Als je je dat realiseert is het toch vreemd dat je er nauwelijks iets van terugvindt op de agenda's van de kerkeraden en van de Landelijke Vergadering?
Satan is druk bezig onze kinderen bij de Here weg te halen. Dààr is het front; ik denk dat wij teveel met achterhoedegevechten bezig zijn. Laten we naar de Here Jezus luisteren.
Als Hij de gelijkenis van het verloren schaap vertelt. De goede herder liet alle andere schapen in de steek om die ene weggelopene te redden. Het lijkt er soms op dat wij er meer zorg voor hebben dat de 99 een rustig leven kunnen leiden.
Als we echt begaan zijn met de jongeren die afhaken zullen we als kerkeraden in navolging van de Here Jezus andere prioriteiten moeten durven stellen.
Ook de oudere kerkleden
Op zoek naar de eerste prioriteit stuiten we nog op iets anders: Er zijn de laatste jaren diverse onderzoeken gedaan naar de motièven van jongeren die de kerk verlaten hebben. Ik noem Van der Ploeg 3 en De Hart'.
U heeft daar ongetwijfeld over gelezen. De resultaten wijzen alle in dezelfde richting: Er zijn er die hebben afgehaakt, omdat ze thuis en in de kerk waar ze opgroeiden niet echt ervaren hebben dat de Here aanwezig was, dat Hij de allesbeheersende was in het leven van de ouders. De Hart spreekt concluderend keihard over de schraalheid, onvruchtbaarheid van het geloof bij de ouders. Een van de jongeren bij Van der Ploeg: "Och, het geloof: dat was bij ons thuis een gewoonte; dat hoorde er bij: bidden, bijbellezen, kerk. 't Is net zoiets als: je eet drie keer op een dag, je hebt daar een vast systeem in; dat wordt een gewoonte. En zo was het nou vroeger thuis ook: 't was een gewoonte en niet meer dan dat."
Een ander zegt: "Het was er wel, maar ik kreeg het nooit te zien, er werd te weinig over gepraat."
Met andere woorden: het levend, uitstralend geloof is in de gezinnen, onder de oudere kerkleden oök atqenornen, Wat we in het begin gezien hebben als kenmerkend voor de tijdgeest heeft niet alleen de jeugd van nu, maar ook de generatie die er aan voorafgaat, de ouders van nu, in bezit genomen. (Op grond van een onderzoek van Felling onder 18 tot 29-jarigen uit '79 lijkt dit een gerechtvaardigde conclusie: de oudsten uit die enquete zijn al 44!). Alleen, doordat de vormen nog in acht genomen worden, wordt het wat versluierd.
Speerpunt
Daarom, als we antwoorden zoeken op de vraag 'Hoe behouden we de jeugd voor Christus' moeten we hier beginnen. Speerpunt van ons kerkeraadsbeleid moet zijn dat we er aan gaan werken dat alle gemeenteleden - en in de eerste plaats ouders - ook van kleine kinderen - veel meer dan tot nu toe een levende gemeente gaan vormen.
We zijn het er - dwars tegen de tijdgeest in - toch over eens, dat het leven wèl één moet zijn? Het evangelie is radicaal, het betekent een totaal ander leven - Gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen; dat betekent vanuit de liefdesrelatie met Christus. We moeten de gemeenteleden aanvuren tot liefde zegt Hebr. 10, dat is: enthousiast maken; ze voorhouden dat ze hun liefdesrelatie met de Here moeten voeden en dat die relatie hun doen en laten moet bepalen.
Echt nieuw klinkt het niet, alleen, we zullen het veel concreter moeten invullen, verder durven gaan, er intensiever mee aan de slag gaan dan we gewend zijn.
Noten
1. Opbouw, 34e jg.nr 16, pag. 278.
2. Te publiceren in het volgende nummer van Opbouw.
3. Ploeg, P van der, Het lege Testament. Franeker 1985.
4. Hart. J.J.M. De Levensbeschouwelijke en Politieke Praktijken van Nederlandse middelbare Scholieren, Kampen 1990.