Een cruciaal moment? (3)

1995-07-28
  • Jaargang 39
  • nummer 15
In de nu volgende artikelen wil ik de vraag stellen of Ganzevoort de notie van het verhaal niet een te grote plaats toekent. Ik bespreek in dit en het komende nummer die vraag in verband met zijn visie op de mens en op de bijbel en eindig met een opmerking over het pastoraat.

In de eerste artikelen naar aanleiding van de dissertatie van Ds. R.R. Ganzevoort ging het vooral om de vraag of we vanuit het christelijk geloof moeten zeggen dat het lijden altijd zin heeft. Ik heb geprobeerd duidelijk te maken dat er op dit punt een merkwaardige spanning bij Ganzevoort aanwezig is. Aan de ene kant geeft hij duidelijk een negatief antwoord op deze vraag: we kunnen de gebrokenheid van het leven niet altijd doorzichtig maken tot op God. Aan de andere kant zit in de notie van verhaal zoals hij die hanteert, een element dat de indruk wekt alsof we aan alles wat ons overkomt een zinvolle plaats in ons levensverhaal moeten kunnen geven, omdat er anders van een zingevingscrisis sprake is. In het vervolg gaat het dus over het verhaal als zodanig.

De betekenis van het levensverhaal
Wie ben ik? Waarom reageer ik zoals ik dat doe? Als antwoord op deze vragen kan ik wijzen op bepaalde karaktereigenschappen. Ik ben opvliegend of reageer secundair. Ik ben optimistisch of juist niet. En zo zou er een heleboel te noemen zijn. Op deze manier kan ik een beeld geven van mijzelf, aantrekkelijk of minder aantrekkelijk, mee afhankelijk van de vraag hoe eerlijk ik ben en hoe goed ik mezelf ken. Toch blijft zo'n beeld in zekere zin in de lucht hangen. Het is als het ware losgemaakt uit de tijd. Mijn eigenschappen zeggen niets over waar ik geboren ben. Wat mij in mijn jeugd overkomen is. Hoe diep ingrijpend bepaalde gebeurtenissen mijn leven hebben beïnvloed. Als ik het verhaal daarvan vertel, wordt het beeld veel concreter. Mijn karakter is immers mee gevormd in mijn vroege jeugd. Hoe ik nu reageer in bepaalde situaties kan te maken hebben met traumatische ervaringen uit het verleden. Wil iemand mij echt begrijpen dan moet hij in ieder geval ook mijn levensverhaal kennen. Dat geldt ook voor mijzelf. Tot mijn zelfkennis behoort een beeld van mijn geschiedenis. Niet in de zin van alleen maar de feiten van mijn leven. Waar ik geboren ben. Waar ik gewoond heb. Waar ik op school ben geweest. En, belangrijker, wie mijn ouders zijn, mijn zussen en broers, als ik die heb. Of ik getrouwd ben of niet. Die feiten maken wel deel uit van mijn levensverhaal, maar het gaat om meer. Het gaat er vooral om hoe ik de betekenis van al deze feiten ervaar. Is het beeld positief of negatief? Ben ik op school veel gepest en heb ik daarvan blijvende littekens overgehouden? Of denk ik met plezier aan mijn schoolperiode terug? Heb ik door de houding van mijn ouders een sterk gevoel van zelfvertrouwen gekregen of heb ik, omdat zij altijd vooral kritiek hadden, een heel negatief beeld van mezelf? Wie ik ben, staat niet los van mijn levensverhaal en hoe ik dat zelf ervaar. In het boek van Ganzevoort neemt de notie van het levensverhaal een belangrijke plaats in. Om mensen pastoraal te kunnen helpen, moet je eerst naar hun verhaal luisteren. Dat is in de praktijk, denk ik, altijd ook wel beseft, maar het is pas in de laatste tijd dat hierover bewust veel is nagedacht.
Sterker, het verhaal wordt tot uitgangspunt genomen om een theoretisch kader voor het pastoraat te ontwikkelen.
De dissertatie van Ganzevoort maakt duidelijk hoe groot het aantal boeken is dat met het oog hierop al is geschreven. Daarbij komen allerlei belangrijke gezichtspunten naar voren. Dat ligt ook voor de hand, als onze levensgeschiedenis en de manier waarop wij die zelf zien, zo belangrijk is om te begrijpen wie we zijn. Maar er zijn ook problemen. Op een paar daarvan wil ik wijzen.

Wie is de verteller?
Van belang is op te merken dat het verhaal als een model functioneert om zicht te krijgen op wat het betekent dat wij mens zijn. Allerlei elementen van een verhaal, zoals de verteller, het doel, het publiek, worden gebruikt om iets over onszelf duidelijk te maken. Weliswaar vat Ganzevoort de mens als zodanig niet op als een verhaal, maar hij probeert wel de identiteit van de mens en zijn leven in relaties vanuit het verhaal als model te verhelderen (296). Daarom bespreekt hij vragen als: wie vertelt het verhaal? En: wat is het doel van het verhaal?
Ik begin bij de laatste vraag. De eerste komt dan vanzelf wel aan de orde. Het doel van het verhaal is tweeërlei. 'Het eerste doel is dat door het verhaal de mens zichzelf kan worden, zijn en blijven; het tweede doel is dat door het verhaal de mens een relatie legt met de ander, en die relatie concreet gestalte geeft. Bij het eerste doel gaat het om de persoonlijke identiteit, dat wil zeggen dat er een besef is van continuïteit en uniciteit van het eigen leven.' ... 'Bij het tweede doel gaat het om de sociale identiteit, dat wil zeggen dat ik door de ander erkend wordt in mijn persoon-zijn. Het criterium waarop verhalen beoordeeld worden is daarom de mate waarin de selectie en ordening door de verteller zelf (persoonlijke identiteit) en door zijn toehoorders (sociale identiteit) als legitiem en acceptabel wordt ervaren' (298v).
Eigenlijk functioneert het verhaal hier op tweeërlei manier. Het is een model waaraan elementen ontleend worden om iets over de mens te zeggen. Tegelijk is het verhaal dat de mens vertelt, zelf wezenlijk. Het is niet alleen een model om iets duidelijk te maken, het levensverhaal is zelf wat iemand typeert, waardoor hij zichzelf wordt en relaties heeft met anderen. Maar daarin ligt tegelijk het problematische. Het betekent namelijk dat mijn identiteit helemaal een prestatie van mezelf wordt. Weliswaar in samenhang met de wereld om mij heen. De wijze waarop.ik betekenis geef aan allerlei 'feiten' van mijn bestaan staat niet los van de cultuur waarin ik leef. Allerlei waarden en normen bijvoorbeeld ontleen ik aan mijn opvoeding. Maar dat neemt niet weg dat mijn identiteit door mijzelf tot stand gebracht moet worden.
Hoe sterk mijn identiteit als resultaat van mijn eigen inspanning wordt gezien, blijkt uit het volgende citaat, ontleend aan Peukert, dat tweemaal bij Ganzevoort voorkomt: 'Ego-identiteit is de voortdurend bedreigde en telkens opnieuw te leveren prestatie om met het oog op eigen ervaringen en verwachtingen van de ander te besluiten hoe, en als wie, ik bestaan kan, en wel zo dat ik dit voor mij zelf en anderen begrijpelijk maken en op verantwoorde wijze motiveren kan' (252, 302).

Ik zal niet ontkennen dat iets dergelijks voorkomt. Maar het maakt het leven wel onuitsprekelijk vermoeiend.
Het betekent namelijk dat ik voortdurend erop gespitst moet zijn mijn bestaan te rechtvaardigen voor mijzelf en voor anderen. Daartoe dient dan het levensverhaal. Het lijkt een vorm van zelfschepping, niet wat betreft de feiten - die heb ik grotendeels niet in de hand - maar wat betreft de 'zingeving', welke betekenis ik aan de feiten geef. Die betekenis moet ik kunnen verantwoorden voor mijzelf - mijn persoonlijke identiteit - en voor de anderen - mijn sociale identiteit.
Het lijkt mij toe dat wat Ganzevoort vanuit het levensverhaal probeert duidelijk te maken over ons menszijn op gespannen voet staat met wat hij later opmerkt over het kernwoord van de genade dat de verschillende bijbelse verhalen overkoepelt. Voor genade is immers kenmerkend dat zij geen voorwaarden vooraf stelt, dat zij niet van verdiensten, van onze prestaties, afhankelijk is (341,342). Is het niet wezenlijk voor het christelijk geloof dat aanvaarding niet verdiend behoeft te worden? Niet bij God, maar daarom ook niet bij mensen? Als dat zo is, kan onze identiteit dan zozeer van onze eigen prestatie afhankelijk zijn?
Ik kom op die vraag terug, maar noem eerst nog een ander probleem. Om het verhaal als model op mijn menszijn te kunnen toepassen, moet Ganzevoort onderscheid maken tussen mij als verteller en mij als object van de vertelling. Ik vertel immers een verhaal over mijzelf. Ik kom voor in de eerste en in de derde persoon. Mijn identiteit is het resultaat van mijn vertellen. Die identiteit betreft dus alleen 'mij' in de derde persoon. Of, met andere woorden, ik moet onderscheiden tussen mij als auteur en mij als onderwerp van het verhaal. Mijn identiteit betreft mij zoals ik in het verhaal voorkom, niet mij als auteur (302, vgl. 251v). Dit onderscheid heeft natuurlijk iets kunstmatigs, maar tegelijk wijst het op een fundamenteel probleem: wie is deze auteur? Blijft de 'ik' van de verteller niet een grote onbekende? Het is het probleem van de gegevenheid van het 'ik' die aan het vertellen vooraf gaat, de 'auteur' van het verhaal, de 'ik' die de schepper is van zichzelf.

'Ik' ben eerst als 'Jij'
Ik kan het punt waarom het mij gaat ook duidelijk maken vanuit de groei van het besef van identiteit. Ganzevoort wijst op de ontwikkeling van de verhalen zoals die bij kinderen voorkomen vanaf hun vroege jeugd: eerst zonder veel samenhang en met weinig onderscheid tussen feit en fantasie, later meer geordend en verankerd in de werkelijkheid (304). Daar zit natuurlijk wel wat in. En deze ontwikkeling heeft zeker ook te maken met het zelfverstaan en het besef van het kind wie het is. Toch denk ik, dat aan dit groeiend zelfbesef vanuit de activiteit van het kind zelf nog iets vooraf gaat dat fundamenteler is. Het zelfbesef als mens groeit vooral, doordat iemand als kind als zodanig wordt erkend. Het wordt als unieke persoon door de moeder en de vader aangesproken. Vanaf het eerste begin. Het kind is niet eerst een 'ik', in de eerste persoon, het is eerst een 'jij', in de tweede persoon. Als zodanig wordt het aangesproken. Als zodanig wordt het aanvaard. Daarop reageert het ook. Het kind antwoordt. Deze relatie van aangesproken worden en antwoorden is mijns inziens fundamenteler voor het besef van identiteit en de ontwikkeling daarvan dan het 'levensverhaal' in de zin van Ganzevoort dat het kind gaandeweg gaat vertellen. De identiteit komt niet vanuit het kind als subject tot stand, als een prestatie van zichzelf, maar in de relatie waarin het als unieke menselijke persoon aangesproken worden essentieel is. De erkenning gaat vooraf aan het antwoord.
De winst die op deze wijze geboekt kan worden is tweeërlei. We krijgen zo zicht op de gegevenheid van het 'ik'.
De 'auteur' blijft niet langer zelf een onbekende. Ik ga immers niet langer als 'auteur', in de eerste persoon, vooraf aan 'mij' zoals ik in mijn eigen verhaal tot stand gebracht ben. Want ik ben in de eerste plaats een 'jij', een 'gegeven' voor anderen. En op deze wijze kom ik tot besef van mijzelf. En binnen deze relatie komt gaandeweg mijn eigen verantwoordelijkheid aan de orde. Mijn antwoord vormt zeker ook een deel van mijn identiteit. Mijn verantwoordelijkheid is wezenlijk voor mijn mens-zijn. Maar daar begint het niet. Zij hoeft mijn bestaan niet te dragen.
Kan dat trouwens ook niet. Mijn bestaan is immers ook voor mijzelf gegeven. (Ik spreek daarom ook liever van zeltverstaan dan van levensverhaal). Nauw verbonden met dit eerste winstpunt is dat ons schepsel zijn van God met daarin 'de liefdevolle toewending ... zonder voorwaarden en verdiensten vooraf' (342) nu niet meer haaks staat op ons verstaan van identiteit. Hoe belangrijk ook de erkenning van ons menszijn in het aangesproken worden binnen menselijke relaties is, het is pas in het mij aangesproken weten door God als Schepper en Verlosser, door God de almachtige Vader, dat ik het diepste besef ontvang van wie ik ben: aangesproken door God, die mij roept om te leven in relatie van persoon tot Persoon met Hem die in Jezus Christus heeft laten zien Wie Hij is en voor mij wil zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief