De drie kunstenaars
1995-07-28
Een schilder, een beeldhouwer en een fluitspeler besloten het mooiste wat ze hadden te gaan brengen aan God.- Jaargang 39
- nummer 15
De schilder koos een schilderij van een zonsondergang, dat zo mooi was dat ieder die er naar keek zijn zorgen even vergat.
De beeldhouwer nam een uit hout gesneden figuur, die zoveel kracht uitstraalde, dat ieder die ernaar keek werd bemoedigd.
De fluitist componeerde een melodie, die hij zo prachtig spelen kon dat ieder die het hoorde er stil van werd.
Zo gingen ze op weg met hun geschenken, ver het veld in. Aan de avond van de eerste dag zaten ze samen uit te rusten toen de zon onder ging. Zo'n zonsondergang hadden ze nog nooit gezien. De beeldhouwer en de fluitist hielden hun adem in en gingen helemaal op in het schouwspel, maar de schilder verbleekte en voor de anderen beseften wat er gebeurde, nam hij zijn schilderij, smeet het op de grond en vertrapte het onder zijn voeten. "BoddeIwerk!"
brulde hij. "Hoe heb ik het in mijn hoofd gehaald te denken dat ik iets kan maken voor God? Die heeft mij mooi even een lesje geleerd. Ik raak geen penseel meer aan." De twee andere kunstenaars waren geschokt. "Hoe kun je dat nu zeggen?
vroegen ze. "Door deze zonsondergang wordt jouw werk toch niet minder mooi? Het zou je kunnen stimuleren."
Maar de schilder wilde er niets van horen. Hij liet zijn kapotte schilderij in het gras liggen en keerde snel terug naar huis.
De volgende dag liepen de beeldhouwer en de fluitist verder. Toen zagen ze een boom, zo majestueus, zo prachtig dat ze verwonderd stil bleven staan. De fluitist liep langzaam om de enorme stam heen, voelde aan het hout en legde zijn hoofd in de nek om op te kijken naar de geweldige kruin.
Maar de beeldhouwer nam zijn beeld in de handen en werd bleek. Hij haalde een paar keer diep adem en zei toen tegen de fluitist: "Joh, ik ga terug. Wat doe ik hier met mijn armzalige werkstukje? Thuis, daar heb ik er wat aan. In het land der blinden is eenoog koning. Wat probeer ik toe te voegen aan het werk van God? Ik ga terug naar de mensen en probeer deze boom te vergeten. Het was een onzinnig plan. Ik wilde naar het licht zelf kijken, laat ik genoegen nemen met wat lichtplekjes op de grond." "Hoe kun je dat nu zeggen?" vroeg de fluitist. "Drink de schoonheid van deze boom in en verwerk het in wat je maakt." Maar de beeldhouwer wilde er niets van horen. Hij nam zijn werk onder zijn arm en keerde terug naar huis.
Zo liep de fluitist alleen verder. Plotseling hoorde hij muziek. Hij keek verbaasd om zich heen, maar zag niet waar de muziek vandaan kwam, zelfs niet of ze buiten hem of alleen in zijn hoofd klonk. Waren het de vogels, die in de bomen zaten? Was het de wind, die met de bladeren speelde? Was het de beek, of was het een samenspel?
Het was de mooiste muziek die hij ooit gehoord had. Tranen begonnen over zijn wangen te stromen. Tranen van ontroering eerst, toen ook tranen van verdriet. Ineens begreep hij de reaktie van de schilder en de beeldhouwer.
Hij greep zijn fluit en wilde die in stukken breken, maar toen herinnerde hij zich zijn eigen woorden tot de schilder en bedacht zich. Hij wilde naar huis terug lopen, maar toen herinnerde hij zich zijn eigen woorden tot de beeldhouwer en bedacht zich. Tenslotte ging hij zitten en legde de fluit naast zich in het gras. De muziek ging door in al haar schoonheid en eerst voelde de fluitist enkel pijn, enkel zijn eigen onvolkomenheid, maar langzaam ging dat over in iets anders. De muziek was werkelijk heel mooi, zo mooi dat de fluitist op den duur zichzelf vergat en enkel naar de muziek luisterde, die hem troostte en van God vertelde. Toen werd de fluitist gelukkiger dan hij zo even droevig was geweest. Hij stond op en nam zijn fluit. Even schoot het door hem heen dat hij deze muziek zelf nooit zou kunnen spelen, dat hij het zou bederven met zijn fluit, maar toen merkte hij dat de hemelse muziek ook eenvoudige stukjes kende. Aarzelend begon hij mee te spelen, eerst de makkelijke stukjes, toen tegenstemmen, na een tijdje kadenzen en, warempel, zelfs de door hem gecomponeerde melodie paste op een gegeven moment ergens in. Het was niet de kwaliteit van de hemelse muziek, maar samen klonk het prachtig, ja, het leek op elkaar gemaakt. Veertig dagen musiceerde de fluitist in het veld en hij leerde een boel en genoot een boel.
Toen liep hij naar huis en speelde weer voor de mensen. "Vreemd, zeiden de mensen, zijn muziek is helemaal veranderd. Er zijn veel minder noten, veel meer stiltes." "Juist", zei de fluitist, die dat hoorde, "en in de stiltes moet je luisteren naar meer."
De mensen die dat deden, ontdekten wonderlijke melodieën en vooral: verlangen naar meer muziek. De fluitist werd beroemd. Van heinde en verre kwamen mensen naar hem luisteren. Maar regelmatig bleef de fluitist het veld in gaan, en al wie horen en spelen wilde kon met hem mee. Zo gaf de fluitist het mooiste wat hij had ontvangen.