Op het oog een slag in de lucht
1995-06-16
Onlangs reageerde prof.dr. W. van 't Spijker in 'De Wekker' op het besluit van onze Landelijke Vergadering om het diakenambt open te stellen voor zusters der gemeente. Prof. Van 't Spijker is iemand, die altijd positief stond tegenover contacten met onze kerken en juist hij verdient dan ook dat we naar hem luisteren. Daarom maken we in dit nummer ruimte voor zijn kritische benadering. Om over na te denken...- Jaargang 39
- nummer 12
Ik veroorloof mij enkele korte opmerkingen, waarvan de eerste deze is, dat een beroep, "om te blijven zoeken naar de wil van God in het vertrouwen dat Hij op zijn tijd de weg duidelijk zal maken", op het eerste oog zonder meer een slag in de lucht is. De Ned. Gereformeerde Kerken hebben een niet onduidelijk besluit genomen. Men mag niet aannemen dat er bij hen onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de weg die hun kerken hadden te gaan. Hun besluit betekent een decisie in een kwestie waarvan zij, elegant genoeg, tussen de regels door opmerken, dat anderen nog niet zo ver zijn.
Betekent dit, dat die andere kerken mogen hopen, dat wanneer zij duidelijkheid hebben in tegenovergestelde zin, de Ned. Geref. Kerken bereid zijn hun eigen besluit te herzien? Of houdt de formulering in dat de Ned. Geref. Kerken verwachten, dat die andere kerken, waaronder de Christelijke Gereformeerde en mogelijk ook de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), zich zullen conformeren aan dit besluit?
Niet over elkaar heersen
Een tweede opmerking: de formulering is ontleend aan het Akkoord van kerkelijk samenleven van de Nederlands Gereformeerde Kerken, dat in art. 31 deze passage bevat omtrent de besluitvorming binnen deze kerken: "Zij mogen daarbij niet over elkaar heersen, maar zullen geduld met elkaar hebben en samen de tijd van God verwachten waarin Hij de weg duidelijk zal maken." Het heeft er alles van, dat de Ned. Geref. Kerken binnen eigen verband enkele kerken telden die geen geduld hebben gehad. Mijn vraag is, of deze ongeduldigen niet geheerst hebben over het geheel van de kerken. En vervolgens, of de kerken die met de Ned. Geref. Kerken een voorlopige vorm van kerkelijk samenleven zijn aangegaan, niet te maken krijgen met een 'overheersend ongeduld', dat als een juk niet alleen op de Ned. Geref. Kerken kwam te drukken, maar dat nu ook een vooroordeel geeft binnen de interkerkelijke verhoudingen. Wat valt er van God te verwachten omtrent de duidelijkheid van zijn weg, wanneer ongeduldige kerken over anderen, hoewel zij dit niet genoemd willen hebben, gaan heersen?
Herkenbare zelfstandige koers
Kort in de derde plaats ook dit: de gang van zaken is voor mij een teken, dat de Ned. Geref. Kerken binnen het geheel van de z.g. Gereformeerde Gezindte een eigen, een aan duidelijker identiteit gebonden en herkenbare zelfstandige koers gaan varen. Ik constateer het. Ik begrijp het ten dele, ik zou het reeds veel eerder verwacht hebben, over de redenen waarvan ik nu niet zal uitweiden. Maar het betekent wel een complicerende factor.
Over duidelijkheid gesproken: de gang van zaken demonstreert een eigen koers binnen de Gereformeerde wereld. Misschien was het noodzakelijk.
Misschien is de tijd voorbij om werkelijk te hopen op eenheid enz.
Misschien... Nog veel meer van zulke onduidelijkheden bij deze duidelijke besluitvorming, die ruimte open laat om "samen de tijd van God te verwachten, dat Hij de weg duidelijk zal maken". Ik meen slechts dat bij alle hoop op meer licht de verwarring groter is geworden. Misschien moeten wij, als christelijke-gereformeerden ook zeggen: wat anderen doen laat ons voorlopig een beetje koud. We hebben voorshands genoeg aan eigen problemen.
En we wachten op de tijd van God. Maar was dat nu juist niet datgene, waarin een heilig ongeduld zich onderscheidt van een vooruitgrijpen, in de hoop, dat anderen ons niet al te zeer op de nek zullen springen?