Hedendaagse zendingsfronten in Indonesië
1995-08-11
Henk van der Velde was de afgelopen jaren werkzaam in het theologisch onderwijs te Sulawesi, Indonesië. Daartoe was hij uitgezonden door het overzeese Zendingsgenootschap. Vanwege visaproblemen kan hij dit werk op dit moment niet voortzetten. Voor Opbouw schreef hij onderstaand artikel.- Jaargang 39
- nummer 16
Achttien kilo puur goud werd onlangs in Jakarta toegevoegd aan de blinkerende top van de enorme Monasmast (Monumen Nasional), die zich 132 meter boven de uitgestrekte metropolis van Indonesië verheft. De extra glitter toont dat de natie zich opmaakt voor een zeer speciale feestdag. Waar je ook gaat in Indonesië is jong en oud bezig met de voorbereidingen van dezelfde gelegenheid. Men oefent voor sport-, dans-, zang- en andere wedstrijden met plaatselijke dorpen of stadswijken, versieringen voor iedere straat worden georganiseerd en de hekjes en voorkanten van elk huis witgeverfd.
Net als de komst van de lente in ons land, bloeit Indonesië in de augustusmaand plotseling op met een rood-wit kleurenfestijn van de nationale vlag waardoor een vrolijke feeststemming gecreëerd wordt.
De oorzaak achter al deze activiteiten is dat Indonesiërs op 17 augustus 1995 vieren dat precies 50 jaar geleden hun nationale onafhankelijkheid door Sukarno werd uitgeroepen. Het einde van de 2e Wereldoorlog is dit jaar al in vele landen herdacht en gevierd, maar voor Indonesië heeft de naoorlogse geboorte van hun nieuwe staat na 350 jaar van koloniale overheersing veel meer betekenis. Van een uitgebuite tropische achtertuin van Europa in de koloniale tijd, verrijst Indonesië na 50 jaar als een belangrijke medespeler op het internationale toneel in de komende eeuw. Het massieve potentieel aan arbeidskracht van bijna 200 miljoen inwoners, en de enorme natuurlijke en culturele rijkdommen op meer dan 13.000 eilanden, trekken nu al vele buitenlandse investeerders en toenemende hordes toeristen aan.
Ons "Van Harte Gefeliciteerd" aan het adres van Indonesië met deze 50ste nationale verjaardag, is tevens een goede gelegenheid om te bidden om Gods zegen voor deze natie. Het volgende overzicht dat zich toespitst op frontlijnen voor doorgaande zendingsbetrokkenheid, versterkt verschillende concrete dank- en gebedsonderwerpen.
Terugblik
Gedurende de afgelopen 50 jaar is de kerk in Indonesië aanzienlijk gegroeid. Dit komt ten dele door de verbazende bevolkingsgroei die steeg van zo'n 70 miljoen in 1950 naar bijna 200 miljoen nu. Met een percentage Christenen dat zelfs door pessimisten boven de 10% wordt geschat, houdt dat in dat er in Indonesië minstens 20 miljoen Christenen zijn! Toen President Sukarno op de 17e augustus 1945 plechtig de onafhankelijkheid van de staat Indonesië verklaarde, legde hij zonder het te weten ook de basis voor verdere kerkgroei.
Tot die tijd was het Christendom namelijk sterk geïdentificeerd met de koloniale overheersers. In veel gebieden kwamen de zendelingen samen met, of achter de soldaten van de Oost-Indische Compagnie binnen.
Voor de oorlog waren er vrijwel geen Indonesische predikanten die de sacramenten mochten bedienen, en de meeste nationale kerken werden pas als zelfstandige organisaties erkend kort na 1945. De politieke omwenteling dwong de nationale kerk om op eigen benen te staan, en om zodoende te groeien in volwassenheid.
Een andere dramatische gebeurtenis in de Indonesische geschiedenis, namelijk de mislukte Communistische staatsgreep in 1967, resulteerde in een andere groei scheut voor de kerken.
In de erop volgende jaren werden veel animistische groepen verplicht om een officieel erkende godsdienst te kiezen, wat werd gezien als de ideale antidote tegen het atheïstische Communisme. Vele ani misten kozen voor de christelijke religie, zij het niet altijd om de zuiverste motieven. Als christenen konden ze bijvoorbeeld doorgaan met het fokken en verorberen van hun varkens, wat een gruwel is voor vele Islamieten. Het gevolg is dat het varken wel eens als de meest effectieve evangelist in Indonesië is geprezen! Dit toont eens te meer hoe sterk politieke ontwikkelingen de groei van de kerk mede beïnvloed hebben.
Op het welvarende Java, waar meer dan 50% van de bevolking op slechts 7% van het landoppervlak woont, heeft zich tot dusverre slechts een minderheid tot het evangelie bekeerd.
Je vindt er wel grote kerkgebouwen in de meeste grote steden maar de kerkgangers zijn voor het overgrote deel niet-Javaanse gelovigen, waarvan er velen uit andere eilanden naar Java zijn overgekomen. Juist in die meer afgelegen gebieden was er vaak meer vrijheid en openheid voor de evangelieverkondiging, zodat daar hele volksstammen tot het Christendom overgingen.
De meeste christenen in Indonesië vind je nog steeds in de vaak onderontwikkelde delen van het land op de eilanden Sumatra, Sulawesi, Kalimantan, Irian Jaya, Ambon, Flores en Soemba."Eenheid in verscheidenheid", het nationale motto van Indonesië, is ook sterk van toepassing op de kerk.
Zoveel verschillende kerken en groeperingen hebben hun eigen versie van het Christendom overgeplant naar de .vele bevolkingsgroepen van het Indonesische eilandenrijk, dat je er tegenwoordig meer dan 250 verschillende kerkgenootschappen naast elkaar vindt. Gelukkig is de Indonesiër doorgaans geneigd tot tolerantie en samenwerking. Dat komt waarschijnlijk omdat de verschillen meestal niet ter plaatse zijn ontstaan maar zijn geïmporteerd, en omdat je als Christelijke minderheid in een pluralistische samenleving elkaar broodnodig hebt.
Vooruitzicht
President Suharto, het huidige Indonesische staatshoofd, is op 74-jarige leeftijd bezig met d~ laatste loodjes van zijn regeringstijd. Hij geeft de laatste tijd steeds meer invloed aan Islamitische politieke groeperingen. Houdt dat verband met het feit dat vele zendelingen de afgelopen jaren Indonesië moesten verlaten vanwege visaproblemen?
Is het ook daardoor dat Christelijke activiteiten vooral op Java steeds meer aan banden worden gelegd, bijvoorbeeld waar het de bouw van nieuwe kerken betreft? Voor de toekomst van kerk en zending in Indonesië is het van groot belang wie de volgende president zal zijn, en of de kerken hun relatieve vrijheid naast de Islamitische meerderheid zullen behouden. We hebben al geconstateerd hoe sterk politieke ontwikkelingen in het verleden de groei van de kerk hebben beïnvloed. De verkiezing van de volgende Indonesische president is daarom een belangrijke gebedsprioriteit.
De voornaamste frontlijn voor zendingsarbeid ligt uiteraard onder de miljoenen onbereikte Indonesiërs. Als er zo'n 20 tot 30 miljoen mensen Christen zijn, dan betekent dat ook dat 170 tot 180 miljoen anderen het heil in Christus nog niet kennen. Er zijn wel 50.000 dorpen zonder enig Christelijk getuigenis, en er is maar een handjevol Christelijke gelovigen onder grote bevolkingsgroepen als de Atcehnezen, de Maleiërs, de Minangkabau, de Madurezen, de Sundanezen, de Balinezen, de Buginezen en de inwoners van Gorontalo. De gelegenheid om te werken onder deze mensen is nog altijd wijd open voor kandidaten met academische qualificaties in professionele dienstverlening op het gebied van landbouw, gezondheidszorg, onderwijs, planologie, computerkunde, taalkunde, enz. Buitenlandse experts op deze terreinen worden meestal warm onthaald. Als docent aan een van de talrijke universiteiten kun je heel eenvoudig vriendschappen sluiten met studenten en collega's, en zo op het persoonlijke en professionele vlak een wegwijzer naar Christus vormen.
Steeds meer Indonesische studenten gaan ook in het buitenland studeren.
Hulp aan deze toekomstige leiders in hun aanpassing aan een vreemde omgeving demonstreert opnieuw concreet de liefde van Christus. Ons gebed voor specifieke groepen en individuen kan er toe bijdragen dat er voorhoedeposten voor de doorgaande uitbreiding van Gods koninkrijk worden gecreëerd.
Een andere vitale frontlijn voor zendingsbetrokkenheid ligt binnen de bestaande, plaatselijke kerken en theologische scholen. Er kan zoveel meer gedaan worden om plaatselijke leiders, en via hen het gewone kerkvolk, toe te rusten. Veel goede theologische studenten vallen noodgedwongen af vanwege geldelijke problemen, en de meeste theologische scholen bezitten slechts een zeer summiere bibliotheek. De gemiddelde Nederlandse predikant heeft waarschijnlijk meer op zijn studeerkamer staan! Veel van de meer dan 20.000 Indonesische predikanten hebben haast geen theologische studieboeken of goede toerustingsmaterialen. Vaak is hun salaris zo miniem of onregelmatig dat ze noodgedwongen werken als boer of koopman om in staat te zijn hun eigen families te voeden, te kleden en te onderwijzen. Hoe is het in vredesnaam mogelijk dat ze effectief kunnen werken zonder de essentiële gereedschappen voor hun beroep, terwijl het grootste deel van hun energie gebruikt wordt om te overleven? Mogen we een dergelijke ongelijkheid binnen het wereldwijde lichaam van Christus zomaar negeren?
Kerken en Christenen in Nederland kunnen zo veel meer doen om contacten te ontwikkelen met deze ploeterende collega's en hun trainingsinstituten. Als Nederlandse natie dragen we wellicht ook een historische schuld die we op deze manier enigszins kunnen aflossen. Door middel van literatuur en ontwikkelingsprojecten helpen we bovendien de lokale kerken om een licht te zijn voor de onbereikte massa's om hen heen.
Leidinggevenden
Tenslotte noemen we een cruciaal zendingsfront dat zich bevindt op het leidinggevende nivo van de Indonesische samenleving. Er worden tegenwoordig honderden jonge Moslim intellectuelen naar het buitenland gestuurd om zich via voortgezette studie verder te bekwamen als de toekomstige leiders van het volk. Daar de meeste Christelijke kerken zich echter in de onderontwikkelde gebieden van het land bevinden, zijn er maar heel weinig Christenstudenten die zich op hetzelfde internationale universitaire nivo kunnen bekwamen. Dit geldt deels voor theologische studenten, maar vooral ook voor studenten in de economie, rechten, onderwijs en wetenschappen, ontwikkelingsproblematiek, planologie en moderne techniek. Het gevolg is dat op de duur de Christelijke gemeenschap steeds minder eigentijds lijkt te zijn, omdat de leiders geen goede antwoorden hebben op de brandende vragen van een zich ontwikkelende pluralistische, moderne samenleving.
De meeste theologische materialen in de Indonesische taal zijn of geschreven door buitenlanders, of vertalingen van buitenlandse schrijvers. Veel te weinig Indonesische theologen zijn in staat om goede, aan de cultuur aangepaste literatuur te vervaardigen. Nu bovendien steeds meer buitenlandse zendingswerkers verdwijnen, is het een noodzaak om meer Indonesische jonge theologen in staat te stellen om aan de beste bijbelgetrouwe theologische scholen in het buitenland zich verder toe te rusten. Op dit gebied is veel gebed en wijsheid nodig gecombineerd met actieve pogingen om toekomstige Indonesische leiders te recruteren en te sponsoren voor verdere studie op internationaal nivo.
Gedurende de afgelopen 50 jaar is er op allerlei gebied al veel vooruitgang geboekt onder het volk en de kerk van Indonesië. We zijn geroepen te bidden en te werken om die vooruitgang verder te stimuleren. Dat kan door onze betrokkenheid aan de genoemde zendingsfrontlijnen onder het onbereikte deel van de Indonesische bevolking, binnen de plaatselijke, nationale kerken en op het gebied van de leiderschapsontwikkeling.