Orgel en gemeentezang
1994-01-14
De band tussen het orgel en de gemeentezang is er niet altijd geweest. Hoe deze eenheid in de loop der tijden gestalte krijgt, hoop ik u voor ogen te stellen. Soms gaan die twee heel goed samen. Maar een enkele keer overstemt de een de ander of raken ze uit de pas.- Jaargang 38
- nummer 1
Gemeentezang vroeger
Zingt de Here een nieuw lied! Deze woorden hebben een plaats gekregen onder de feestliederen in Israël. Dichters hebben uiting gegeven aan wat in hun hart leeft. Hun liederen zijn overgenomen door vele mensen om God te loven en te prijzen. Zo is het lied van Israël vanzelf in de eredienst binnengedragen en ook door de gemeente van het Nieuwe Verbond op de lippen genomen.
De kerkvaders Ambrosius en Augustinus getuigen er in hun geschriften uit de vierde eeuw van, dat de gemeente op verschillende momenten in de liturgie heeft gezongen. Al gauw nadat er in diezelfde eeuw vrijheid van godsdienst kwam, werd het aandeel van de gemeente minder. In de zevende eeuw is de deelname bijna geheel verdwenen.
Slechts ingewijden konden zich redden met het Latijn en de moeilijke melodieën. De gemeente nam alleen deel aan acclamaties: "Kyrie eleison, Halleluja en Amen", die waarschijnlijk werden gezegd. Aan het eind van de Middeleeuwen drongen er hier en daar gezangen in de volkstaal de kerk binnen. Officieel was het zingen daarvan niet toegestaan, maar 't gebeurde toch. We kunnen hierbij denken aan de zgn. 'leisen' (b.v. Nu zijt wellekome).
Luther gaf het zingen van de gemeente een plaats in de liturgie. Er verschenen van zijn hand een veertigtal gezangen, waaronder enkele psalmliederen (b.v. het bekende 'Een vaste burcht').
Calvijn heeft in zijn Institutie van 1537 o.a. beschreven hoe belangrijk het is dat de gemeente zingt. Door zijn toedoen zijn alle honderdvijftig psalmen berijmd. De meeste melodieën zijn afkomstig uit Genève, enkele uit Straatsburg. Deze Franse psalmbundel verscheen in 1562, terwijl Petrus Datheen er in 1566 met zijn berijming voor zorgde dat de Franse psalmen in Nederland terecht kwamen. De synode van Dordrecht (1574) besloot dat de 'psalmen van Datheen' in de Nederlanden gezongen zouden worden en 'eenige gezangen'. Lang niet elke gemeente hield zich daaraan. Lutherliederen zijn hier en daar in omloop geweest.
In veel gemeenten deed de voorzanger zijn intrede. Meestal was de schoolmeester degene die de gemeente voorging in het zingen. Hij moest immers de schoolkinderen de psalmen aanleren. Soms liet hij ze in de dienst mee doen bij het voorzingen.
Toch hadden de mensen moeite met het zingen. Men vond de melodieën te groot in aantal (de psalmen werden allemaal gezongen!) en te moeilijk. De berijming van Datheen voldeed niet geheel aan de eisen van de Nederlandse zangpraktijk; hij had de Franse psalmen te letterlijk vertaald, waardoor de verhouding van woord en toon op gespannen voet stond. Vandaar dat er alternatieve berijmingen het licht zagen die echter niet door de synode ingevoerd werden.
Bronnen vermelden over de gemeentezang dat het niet-ritmisch zingen al vanaf het begin van de zeventiende eéuw meer en meer terrein won. Men zong heel hard (men wilde tegen elkaar op) en in een zeer langzaam tempo. Melodieën werden al zingend gewijzigd. Er klonken soms zelfs verschillende berijmingen!
Tot ± 1630 was er nog geen sprake van orgelbegeleiding, hoewel er al veel orgels in de kerken waren en er door de organist wel gespeeld werd, echter alleen voor en na de dienst.
We zullen nu eerst nagaan hoe het orgel bij de gemeentezang betrokken raakte.
Het orgel
In de tweede en eerste eeuw voor onze jaartelling kwamen er al orgels voor in het Oostelijke Middellandse zeegebied. Het waren waterorgels. De luchttoevoer naar de pijpen werd door waterdruk geregeld. De orgels werden gebruikt in de arena's en stonden in dienst van de keizerverering. In Byzantium zijn waarschijnlijk twee orgels ontstaan met twee blaasbalgen, die elkaar regelmatig afwisselden (± 8e à 9e eeuw).
De Byzantijnen schonken de koning van het Frankenrijk Pepijn de Korte in 757 een orgel met loden pijpen. Het werd geplaatst in de Corneliuskerk te Compiègne. Pepijn had nl. de Longobarden verslagen en de kerkelijke staat gesticht. Tijdens de regering van zijn zoon Karel de Grote, die veel voor de kerkelijke zang over had, zijn er orgels in het westen terechtgekomen.
Van de 9e tot de 12e eeuw beschikten steeds meer kerken en kloosters over orgels met meerdere blaasbalgen. Ze werden gebruikt voor het muziekonderricht, maar vanaf de 12e eeuw ook in de liturgie betrokken. Het orgel had geen begeleidende funktie, maar gaf de toon aan bij het zingen van priester en koor. Het deelde ook in de verschillende zangen met het koor en werd voor en na de viering bespeeld.
Luther zag het gebruik van het orgel als middel om de jeugd bij het evangelie te betrekken. De organist speelde o.a. in Wittenberg (1536) aan het begin van de dienst en gaf na elk vers van een gemeentelied antwoord (alternatimspel).
In de calvinistische kerken ging het aanvankelijk heel anders. De zestiende-eeuwse synoden hadden het liturgisch gebruik van het orgel verboden, omdat het bij de tempeldienst van het Oude Testament hoorde. Men vond zelfs dat de orgels uit de kerken moesten worden verwijderd.
In de Zuidelijke Nederlanden is dat helaas in sommige gevallen gebeurd.
Maar in de noordelijke gewesten bleven gelukkig de meeste orgels behouden, doordat de burgerlijke overheid zich er tegen verzette. Het orgel bleef dus bespeeld voor en na de dienst, want de organist was in dienst van de burgerlijke overheid. De gemeentezang werd geleid (zoals we zagen) door de voorzanger. Maar de organist kreeg er wel een taak bij. Hij moest de melodieën van de psalmen voor en na de dienst aan de kerkganger voorspelen.
Begeleiding
Omstreeks 1630 is men het orgel gaan gebruiken voor de begeleiding van de gemeentezang. Dat gebeurde voor het eerst in Groningen in 1628. In 1630 volgde Franeker, terwijl in Arnhem in 1632 de orgelbegeleiding ingevoerd werd. In Delft gebeurde dat in 1634 en in Leiden in 1637. De grote stadskerken gingen hierin voorop. Veel dorpskerken kwamen pas aan het eind van de achttiende eeuw of in de negentiende eeuw in het bezit van een orgel.
Constantijn Huygens publiceerde in 1641 een boek, waarin hij de orgel begeleiding verdedigde. Hij beriep zich op de goede ervaringen die hij er mee had en wilde het niveau van de gemeentezang verbeteren.
De organist kreeg nu een totaal andere functie. Er waren nog geen geschreven zettingen. Koraalboeken verschenen pas aan het begin van de achttiende eeuw. Het begeleiden moest dus improviserend gedaan worden. Er werd niet-ritmisch gezongen.
Wel werden er soms versieringen door de organist aangebracht, evenals door de voorzanger en de gemeente.
Dat aantal was soms zo groot dat de melodieën onherkenbaar werden.
Verbetering gemeentezang
Ten tijde van de invoering van de Staatsberijming uit 1773 werd hier en daar geprobeerd enig ritme in de gemeentezang aan te brengen, door de eerste en laatste noot van elke regel lang te zingen en de tussenliggende noten kort. Men kon iets sneller zingen en men noemde dit de korte zingtrant.
De gewoonte om de regels aan elkaar te zingen werd doorbroken door rusten in te lassen, terwijl op die momenten de organist een tussenspel speelde. Dat deed hij trouwens ook wel tussen de verzen. Tijdens zo'n tussenspel werd de volgende regel van de psalm door de voorzanger voorgelezen. Aan de praktijk van het versieren van de regels en het ten gehore brengen van tussenspelen kwam in de tweede helft van de negentiende eeuw een einde. De kerk deed in 1817 een uitspraak over het zingen.
Dat was vaak hard en ongeregeld geschreeuw. Daar moest tegen in gegaan worden, terwijl het zingen in beurtzang, wat soms al gebeurde, bevorderd moest worden. Terugkeer naar het oorspronkelijke ritme van Geneefse psalmmelodieën was zelfs in het begin van de twintigste eeuw nog een heet hangijzer. Ds. H. Hasper, een autoriteit op 't gebied van de gemeentezang, pleitte in 1934 voor 't ritmisch zingen van de psalmen.
De Ned. Herv. kerk voerde in 1938 een bundel in, waarin de psalmmelodieën in het oorspronkelijke ritme genoteerd stonden. Dit betekende echter niet dat overval in het land ritmisch werd gezongen.
Bij lange na niet. In de meeste kerken gebeurde dat zelfs na de oorlog ('46/'48) ook nog niet. Maar het zingen in het oorspronkelijke ritme kwam wel steeds meer in de belangstelling te staan, door onderzoek naar de herkomst van de melodieën en door kerkmuzikale publikaties van kerkmusici. Het ritme in de kerkzang keerde steeds meer terug. Vooral door de invoering van het Liedboek en het gebruik daarvan, heeft de gemeente haar psalmen en gezangen teruggekregen, genomen uit de schat van de kerk der eeuwen.
Orgelspel
De orgels waren aanvankelijk te zwak en de registers niet geschikt genoeg om grote aantallen kerkgangers te begeleiden. In de loop der tijd is het orgel steeds meer geschikt gemaakt voor de begeleiding van de gemeentezang.
In veel gevallen beschikt de organist over de mogelijkheid de melodie luider te laten klinken dan de begeleidende akkoorden. Bij onbekende of moeilijk zingbare liederen kan men de wijs heel duidelijk aan de gemeente laten horen.
Niet in alle gevallen hoeft de organist de melodie mee te spelen als de gemeente zingt. Dat zal wel gebeuren als het een onbekend lied betreft. Maar de melodie kan omspeeld worden in het geval van een bekend lied, wat de samenzang bijzonder kan verlevendigen.
Het vereist natuurlijk enig vakmanschap van de organist, maar hij/zij dient een gedegen opleiding gevolgd te hebben om voor deze funktie in aanmerking te komen. Want ook het orgelspel voor en na de dienst moet verantwoord zijn, alsmede de voorspelen voor de te zingen liederen, zodat de mensen de lof van God op gepaste wijze mogen verkondigen. De kerkganger heeft recht op goed orgelspel tijdens de eredienst.
Gemeentezang nu
Een kerkdienst is een samenkomst van God en Zijn volk. Daar draait het om Gods Woord en ons antwoord. Het zingen van de gemeente moet de ruimte krijgen, niet met een zo klein mogelijk aantal verzen, zoals soms nog wel eens gebeurt. De liederen dienen als geheel of met een verantwoorde keuze daaruit, tot hun recht te komen. 't Liefst geen losse verzen dus.
't Gaat me om de eigenlijke strekking van de liederen en om de grote betekenis die God zelf aan gemeentezang hecht. We blijven dan ook in de lijn van Calvijn, die wel twintig verzen per dienst opgegeven schijnt te hebben.
In het verlengde hiervan ligt, dat dan ook het héle psalmboek gebruikt wordt en de keuze van de gezangen verruimd zal worden. Onbekende psalmen en gezangen kunnen voor de dienst geoefend worden. De gemeente krijgt dan niet steeds dezelfde liederen te verwerken. Er kan zo breed mogelijk geput worden uit de liederenschat van de kerk, om de gemeentezang steeds weer nieuwe impulsen te geven.
Orgel en gemeentezang horen bij elkaar, vormen een eenheid en stemmen samen in met het gebod van God: "Looft Hem overal" en met de belofte: "Ik zal de Here loven, mijn leven lang!"