A Dieu

1995-09-08
  • Jaargang 39
  • nummer 18
Zijn hand ligt roerloos
op het witte laken
precies zoals hij gister lag
alsook de dag daarvoor
vaalbleek
een lijkkleur bijna
een kaalgeplukte vogelvlerk
en zijn gespierde kaken
gaan nu al dagen
niet meer op en neer
zijn ogen zijn gesloten
als in een eindeloze slaap
er klinkt slechts het
gereguleerde druppen
van het infuus waarop
hij aangesloten is

ik sta stil naast zijn bed
verzonken in een vreemd verdriet
fluister dichtbij zijn oor
zijn naam
een bijbeltekst
een laatste groet
en laat hem dan voorgoed
alleen met God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief