Christus, de wortel Davids
1995-09-08
We zijn nu dus bezig met het onderwerp dat in de theologie meestal genoemd wordt ‘De kosmologische betekenis van Christus’, een onderwerp dat meestal direct verbonden wordt aan Col. 1:15-20.- Jaargang 39
- nummer 18
1. Kosmologie
De vorige keer schreef ik al dat wie theologisch wil spreken over Christus, in de 'christologie' dus, daarin apriorisch uitgaat van een bepaalde geloofsvisie op Christus. De exegese van elk bijbelwoord over Christus wordt ten diepste, en in haar religieuze gerichtheid, (dus niet altijd in alle details) bepaald door het geloofsen ongeloofsantwoord op de vraag die Christus zelf aan zijn discipelen stelde: "en wie zegt gij dat Ik ben?" Het goede antwoord van Petrus berustte niet op theologische exegese, of welk ander 'vlees en bloed' ook. Hetzelfde geldt ook voor wie in een wetenschappelijk (eventueel theologisch) betoog spreekt over de kosmos of over een deel van die werkelijkheid.
Daarom moeten we de vraag onder ogen zien wat die bewust of onbewust gehanteerde kosmologie aan geloof vooronderstelt, en aan wetenschap inhoudt, wanneer het betoog gaat over de betekenis van Christus voor de kosmos. Daarvoor is dan wel in het volgende nummer nog een slotartikel nodig.
2. Exegese
Paulus spreekt in het genoemde gedeelte van Colossenzen 1 een aantal rijke en diepe gedachten uit, die in de dogmatische theologie een grote rol spelen. Het gaat in hoofdzaak over de heerschappij van Christus over alle machten, al dan niet vijandig, en ook over de gehele schepping. Dat alles echter niet los gezien van de gemeente, en vooral, wat vaker gebeurt in het Nieuwe Testament, niet los gezien van wat God in en door Christus 'in den beginne', in de schepping, gedaan heeft. We zullen in deze artikelen ons hoofdzakelijk concentreren op de vraag wat het kan betekenen dat in vs. 16 staat dat God alle dingen IN Christus heeft geschapen, dat Christus de 'eerstgeborene der gehele schepping' is (vs. 15) en dat alle dingen 'in Hem bestaan' (vs. 17).
Nu ligt het voor de hand dat we in een theologisch betoog over de genoemde woorden, allereerst grijpen naar de wetenschappelijke kommentaren op deze brief van Paulus, om na te gaan hoe de exegetische vakmensen met hun gespecialiseerde kennis van de bijbeltaal en de uitlegging daarvan, denken over deze uitdrukkingen.
In 'Opbouw' dat geen vaktijdschrift is, moeten we ons streng beperken, en daarom koos ik als voorbeeld slechts één exegeet, nl. Herman N. Ridder bos, die onder ons rn,i. terecht een goede naam heeft als bijbelgetrouw exegeet met grote vakkennis. Hij gaat uitvoerig in op de exegese van de genoemde uitdrukking, en bespreekt dus ook heel wat opvattingen van andere exegeten hierover. Wie dat alles leest, komt er gemakkelijk van onder de indruk. Begrijpelijk dat Ridderbos zijn exegese inleidt met de woorden: "Over het 'in Christus geschapen' bestaat veel onzekerheid en verschil van mening". Dat geeft mij enige vrijmoedigheid hierover een betrekkelijk nieuwe hypothese voor te dragen.
3. Exegese is niet filosofisch neutraal
De gedachte dat exegese niet filosofisch neutraal is, is voor theologen moeilijk te verwerken. Ik weet het uit eigen ervaring in mijn beginperiode als theoloog. Je denkt bij jezelf al gauw: alle theologische problemen en verschillen moeten ten slotte opgelost worden door het nauwkeurig luisteren naar en verstaan van de bijbel. En dan kom je bij de exegese van de vakmensen terecht. Ik herinner mij als de dag van gister, dat de oudtestamenticus Prof. Jan Ridderbos, de vader dus van Herman, op een college in 1940, in de vorm van een grap (hij maakte vaak grappen op college), een gesprek met ons als studenten over de vele theologische discussies in de kerkelijke pers van toen, wilde beëindigen. Hij sloot af met de opmerking: hoe je het ook wendt of keert mijne heren, U komt ten slotte altijd weer terug bij mij, want de dogmatici moeten te biecht gaan bij de exegeten, en de exegese van het Nieuwe Testament berust op die van het Oude en dus komt U wel weer bij mij terecht.
Dat was natuurlijk niet zo persoonlijk en letterlijk zo bedoeld, daarvoor kenden we hem te goed. Maar uit dat grapje snoof ik wel de geur van een klassieke theologische traditie, die serieus van mening is dat er binnen de sfeer van het orthodoxe schriftgeloof geen ander laatste woord kon geIden, dan dat van de wetenschappelijk verantwoorde exegese. Het resultaat van die exegese werd dan ook, als de exegeet bekend stond als een schriftgetrouw christen, nauwelijks nog onderscheiden van het Woord Gods zelf. Vanuit de exegese werd dan, via de dogmatiek, de gehele theologie doortrokken van deze geur van een 'heilig' gezag. Zelfs onze belijdenis noemt nog de vroege theologen uit de tweede, derde en vierde eeuw rn.i, ten onrechte 'Heilige Vaders' (art. 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De vrijgemaakte kerken hebben echter hier, gelijk ook elders, zonder veel ophef de tekst van de belijdenis een tikje gewijzigd.) De velerlei exegese van het schriftwoord dat we thans bespreken, is er echter een duidelijk voorbeeld van dat bijbelexegese op cruciale punten afhankelijk kan zijn van een filosofische werkelijkheidsbeschouwing, van 'kosmologie' dus.
4. Rldderbos over het 'in Christus' geschapen zijn
Volgens Ridderbos in zijn kommentaar op 'Aan de Kolossenzen' is het de bedoeling van Col. 1:16 de "allesbeheersende plaats van Christus in het geheel van Gods schepping tot uitdrukking te brengen". Met name ook de afhankelijkheid van alle soorten 'hemelse machten' van Christus. De woorden 'in Hem geschapen' zeggen dan "dat het scheppingswerk Gods in gemeenschap met en onder de machtswerking van Christus tot stand kwam" (a.w. p. 138). Ridderbos ziet hierin ook een analogie met de spreekwijze in Efeze 2:10 "Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen". Deze voorlopige verklaring laat nog allerlei vragen open. Zo de vraag of Gods scheppingswerk 'in gemeenschap met Christus' hier gezien wordt als het scheppingswerk van God de Zoon, de 'Logos', waarbij dan onverklaard blijft waarom hier sprake is, niet van Gods Zoon, maar van 'Christus'. Christus is toch de specifieke naam voor het vlees geworden Woord? Als de Schrift spreekt over Christus dan mogen wij 'de twee naturen' toch niet scheiden? In dit geval zou die uitdrukking in onze tekst dus volgens Ridderbos moeten betekenen dat God alles schiep 'in gemeenschap met' Christus alleen naar zijn goddelijke natuur. Wanneer Ridderbos dan ook nog expliciet, en m.i. met een goed argument, de opvatting (o.a. van Calvijn) afwijst alsof hier 'in' verstaan moet worden als 'door' (dia) p. 140, dan blijft de vraag of deze merkwaardige uitdrukking 'in' zonder meer geïnterpreteerd kan worden alsof er 'in gemeenschap met' zou staan. Zijn eigen verwijzing naar Efeze 2:10 gaat dan helemaal niet meer op! Het is alsof Ridderbos zelf het ongenoegzame van zijn commentaar-in-eerste instantie (p. 138) heeft aangevoeld.
Want hij komt er later op terug. Na dit commentaar bespreekt Ridderbos vrij uitvoerig een viertal andere opvattingen.
De meeste aandacht besteedt hij aan een als derde opvatting genoemde exegese van het 'in' die hij 'Iokaalcomprehensief' noemt. Zijn afwijzing van de nadere uitwerking van deze gedachte bij verschillende exegeten kan ik grotendeels bijvallen, maar niet geheel. Met wat goede wil zou ik de kwalificatie 'Iokaal-comprehensief' (in ideematige zin) kunnen toepassen op mijn eigen opvatting. Het hoofd bezwaar van Ridderbos tegen deze opvatting is, dat Christus dan mede als voorwerp van het scheppingswerk zou worden gezien. Met name S. Hanson werkt deze opvatting uit in zijn The Unity of the Church in the N. T. Ridderbos acht deze 'constructie' volstrekt onaanvaardbaar, omdat zij insluit dat "Christus mede tot object van Gods scheppende werkzaamheid" wordt gemaakt. Hetgeen z.i. onmogelijk in de bedoeling van de apostel kan hebben gelegen.
Mijn vraag is: waarom zou dat niet kunnen? Christus was toch óók mens, en daarmee schepsel? En wordt Hij niet in vers 15 genoemd de eerstgeborene der ganse schepping?
5. Christus als 'de eerstgeborene van de ganse schepping'
De herhaalde scherpe afwijzing van de opvatting dat Christus volgens Col. 1:15 en 16 tot de schepselen behoort, maakt ons nieuwsgierig naar de exegese die Ridderbos geeft van vers 15, waar deze uitdrukking letterlijk zo staat. Hij begint tot onze bevreemding al direct met de opmerking: "De bedoeling is niet Christus als eerste van alle schepselen aan te wijzen".
Zijn argument hiervoor lijkt mij onhoudbaar. Hij zegt: "immers volgt terstond, dat het gehele schepsel in Hem, door Hem en tot Hem is ... zodat Hijzelf daarvan geen deel vormt." De logica hiervan kan alleen iemand toespreken, die evenals Ridderbos geen antenne heeft voor een 'Iokaal-comprehensieve' visie, die Christus ziet als de centrale geestelijke eenheids'wortel' ván de gehele schepping in al haar concrete veelheid en verscheidenheid, en op deze wijze bij het schepsel inbegrepen is.
Toch dringt de tekst hem en ons m.i. naar die opvatting toe. Een paar regels verder (p. 136) zegt hij "dat de betekenis van Christus' verlossingswerk ... haar grond vindt in Christus' prae-existentie en de Hem als zodanig (curs. A.T.) toekomende, alles te boven gaande plaats in heel de schepping". Moet hier, zo zou ik willen vragen, dan weer van de praeëxistente Christus de menselijke natuur theoretisch worden afgescheiden? Wat blijft er van het 'in Christus geschapen zijn' dan nog over? Paulus zelf trekt uit zijn woorden de voor de hand liggende conclusie dat daarom "alle dingen in Hem hun bestaan hebben" (vs. 17), namelijk omdat ze 'in Hem' geschapen zijn. Wat zegt het commentaar van Ridderbos dan dáárover?
Ridderbos geeft eerst een eigen en zeer exacte vertaling: "...alles heeft zijn bestaan tezamen in Hem". Even verder zegt hij daarover: "Maar tevens heeft God heel het schepsel in Hem zijn tezamen-bestaan, zijn onderling verband gegeven. Buiten Christus is ieder schepsel en iedere macht gedesintegreerd. Alleen omdat en voorzover ze door Christus worden gedragen ... hebben zij hun samenhangend en zinvol verband met alle andere schepselen. Ook hier wijst de apostel op Christus als dragende grond en concentratiepunt van alle schepsel en alle machf' (curs. A.T.).
Dat is nu precies wat ook m.i. de tekst zegt, nl. dat alle dingen in Christus geschapen zijn en daardoor geconcentreerd in Hem bestaan. En wel in de zin van een in één 'punt' samengevat bestaan: wat Ridderbos treffend juist noemt het 'concentratiepunt'. Hij kan dus blijkbaar die 'comprehensieve' gedachte ook zelf niet missen.
6. Christus, de wortel Davids
In de Schrift wordt meermalen het beeld gebruikt van de 'wortel' om deze geestelijke verbondenheid met Christus tot uitdrukking te brengen. Christus wordt bijv. niet alleen Davids zoon en Davids Heer genoemd, maar ook 'de wortel' Davids (Openb. 5:5 en 22:6). Ook van deze uitdrukking hebben de door mij geraadpleegde uitleggingen (o.a. in de Verklarende Aantekeningen bij de NBG-vertaling), in hun werkelijkheidsbeschouwing geen plaats voor een (voltijdelijk) 'concentratiepunt'. Zij leggen de woorden uit alsof 'wortel' hier juist niet wortel betekent, maar scheut die uit een wortel voortkomt. Maar waarom zou Christus, in Wie alle dingen geschapen zijn, in Wie alle dingen bestaan en die inderdaad als een wortel alle dingen in zich heeft en 'draagt' (Hebr. 1:3), niet letterlijk de 'wortel Davids' kunnen zijn?
Bij Jes. 11: 10 zou een dergelijke exegese (wortel in de zin van wortelscheut) inderdaad denkbaar zijn. Maar meestal kan men uitgaan 'van het gewone woordgebruik, waarop Paulus zelf ook wijst, wanneer hij zegt in Rom. 11:18 "niet gij draagt de wortel, maar de wortel u". Greijdanus is wat nauwkeuriger als hij in zijn Korte Verklaring op Openbaring erkent, dat Christus 'eigenlijk' (!) de wortel van David was (p. 107), dat "David aan Hem ontsproten was" (p. 331). Maar waarom dat merkwaardige 'eigenlijk'? Men zou kunnen zeggen: Greijdanus wil het niet ontkennen, maar doet er wel het zwijgen aan toe. Alleen maakt hij nog de opmerking dat David "er om Christus moest zijn".
Maar daarmee is hij van het onderwerp waar het over ging afgestapt. De teksten zeggen: Christus de wortel Davids, dus net andersom dan Greijdan us' verklaring dat David er om Christus moest zijn. Kennelijk is zijn aandacht weer geconcentreerd op het 'Zoon van David'-zijn van Christus. Maar dat is een ander onderwerp dan in de betrokken teksten aan de orde was.
O.i. was Christus inderdaad 'de wortel Davids' mede omdat Hij ook de wortel van de gehele schepping was. Bij een (in metaforische zin) 'Iokaal-comprehensieve' uitleg van het 'in Christus' in Col. 1:16 is hier geen probleem meer.
7.De theologie van Ridderbos over de leer van Paulus
In zijn prachtige boek 'Paulus' (met de aanvechtbare ondertitel 'een ontwerp van zijn theologie') komt Ridderbos op de onderhavige kwestie terug. Opnieuw blijkt m.i. dat hij moeilijk kan ontkomen aan de gedachte die hij kennelijk niet bewust kan toelaten in zijn exegese, nl. dat Christus de geschapen prae-existente 'wortel' van de schepping is, dat alle dingen inderdaad in Hem geschapen zijn en daarom ook mede 'uit' Hem zijn voortgekomen; dat alle dingen nog steeds 'in Hem bestaan' als in een boven-tijdelijk concentratiepunt. Ridderbos spreekt nu (p. 83) over "de diepzinnige woorden, dat alles in Hem geschapen werd, wat in de hemelen en op de aarde is ..." en "dat Hij vóór alles is en dat alles in Hem zijn gezamenlijk bestaan heeft". Hoewel uit alles blijkt dat hij bij het woord Christus toch alleen denkt aan de nog niet vlees geworden, praeëxistente Zoon van God, wordt toch deze m.i. ongeoorloofde abstractie even aangevoeld, als hij schrijft op p. 69 "dat Paulus, als hij van Christus' praeëxistentie spreekt, deze niet afgescheiden van, maar juist in haar gerichtheid op Christus' openbaring in de heilsgeschiedenis beschouwt en ook benóémt". Even verder: "Ook als de Praeëxistente is de Zoon van God de Christus, is Hij voorwerp van Gods verkiezing... in wie de genade Gods vóór eeuwige tijden aan de gemeente is geschonken..."
Het komt mij voor dat dit de klassieke gereformeerde leer is, die wij van harte bijvallen. Behalve dan de ook in deze woorden vanuit het geheel van Ridderbos' gedachtengang doorschemerende opvatting, dat er geen mens Christus prae-existent kan bestaan dan alleen in Gods raad en verkiezing. Niet in de schepping zelf. Met de ook m.i. juiste vermelding dat de praeëxistente Christus 'gericht' was op de vleeswording (ook als er geen zondeval was geweest?) doet niets af van het feit dat Ridderbos dan ten onrechte (anders dan Paulus) bij Christus' praeëxistentie wel degelijk abstraheert van de menselijke natuur, en de verhouding van de Zoon Gods tot zijn menselijke natuur in de praeexistentie beperkt tot een 'gerichtheid' en tot wat in de eeuwige Raad Gods was. Opnieuw accentueert Ridderbos dat hij het maar moeilijk vindt. "Men heeft van dit 'schwer verständliche' 'in Hem' een ganse reeks van verklaringen gegeven" p. 83. Maar ook in dit dogmatologische boek kan Ridderbos als orthodox theoloog er haast niet aan ontkomen om expliciet te erkennen wat hij exegetisch niet kan toegeven.
Op p. 432 schrijft hij over Christus: "Zowel krachtens de schepping (curs. A.T.) alsook krachtens het herstel van de verloren (!, A.T.) samenhang van alle dingen in Hem, vormt Hij het grote concentratiepunt van al wat in de hemel en op de aarde is". Krachtens de schepping, inderdaad. Zelf zou ik het niet beter kunnen formuleren.
Dat Ridderbos vanuit de context grote nadruk legt op de 'analogie' van de schepping-in-Christus met de verhouding tussen Christus en de gemeente, is natuurlijk zeer terecht. Maar niet terecht is, dat hij van daaruit alles wat over het in Christus geschapen zijn en bestaan gezegd wordt, in zijn betekenis versmalt tot het hebben van heerschappij.
Hoezeer dat ook juist is. Maar zo wordt wel precies en juist datgene, wat de kosmologische betekenis van Christus genoemd wordt, minstens voor een deel uit de tekst weggeëxegetiseerd, en opgelost in de soteriologische centrumpositie van Christus in de gemeente, en pas als zodanig, nl. als 'Hoofd' van haar, ook in de kosmos. Ridderbos weet dan ook geen andere exegese van het 'in Hem geschapen zijn' dan dat hij daarin de heerschappij van Christus ziet aangeduid. Wat dan wel heel onbegrijpelijk zou zijn uitgedrukt. In een later artikel, na de huidige reeks, hoop ik te laten zien dat ook die 'heerschappij van Christus' door het negeren van het 'in Hem geschapen'-zijn, wordt uitgehold.
Het geciteerde brengt Ridderbos m.i. wel in de buurt waar hij terecht niet zijn wil, nl. bij de Barthiaanse en ook overigens modern-dogmatische ineenschuiving van schepping en verlossing. Daarin zien we vaak de 'natuur' eschatologisch in de 'genade' verdwijnen. Ook is te waarderen dat hij met een door hem afgewezen 'Iokaal-comprehensieve' exegese, die wij voorstaan, vreest dat hij terecht zou kunnen komen bij de christelijkgnostieke speculaties inzake een kosmische hemel mens als tussenwezen tussen God en de materie. Maar tegelijk met deze caricatuur van de waarheid mogen we m.i. niet afwijzen datgene waarvan deze speculatieve caricatuur een mis-tekening is: dat alle dingen in Christus (God èn mens) geschapen zijn. In mijn volgende artikel hoop ik dat nog nader toe te lichten. Want vooral hier zijn wijsgerig bepaalde werkelijkheidsvisies in het geding.
Ridderbos, en velen met hem, moet m.i. hier wel klagen over die 'moeilijke uitdrukking' vanwege een onbewuste niet-christelijke wijsgerige kosmologie, die hem belemmert de betrokken uitdrukking letterlijk te nemen en te verstaan als een aanduiding van de 'boventijdelijke' concentratie van al het bestaande in Christus. Hij is zich, puur traditioneel of 'klassiek', hier niet bewust van een ingevlochten filosofische tijds- en werkelijkheidsvisie die men 'functionalistisch', ontworteld of 'horizontalistisch' zou kunnen noemen.
Dat wil zeggen: zonder een eenheid en totaliteit van alle functies in een 'volheid', wortel-eenheid of 'transcendent centrum'. Daarover in een slotartikel nog wat meer.