Hoe houden we de kerk bij de jeugd? (2)

1995-09-08
  • Jaargang 39
  • nummer 18
Als het gaat om de kerkelijke structuur lopen we aan tegen hetzelfde probleem als bij de kerkelijke leer en de kerkelijke moraal. Ook hier zien we in de openbaring van God een beweging die alle menselijke structuren omvergooit.

De kerkelijke structuur
Ik wijs alleen op het punt dat er een kennelijk onverzadigbare behoefte is van de kant van de mensen om speciale heilige plaatsen, tijden, mensen, gebruiken en woorden te scheppen. In die heiligheid wordt dan iets openbaar van de goddelijke wereld. De HERE echter bindt zich niet of nauwelijks aan die heilige elementen. Hij maakt er op bepaalde momenten gebruik van, maar wezenlijk is dat de schepping in de Schrift radicaal ontgoddelijkt wordt.
God zelf is te groot en te onnoembaar om Hem gestalte te laten krijgen binnen het aardse, het concrete. Zo worden de afgoden van zon en maan aan de kaak gesteld, zo worden de priesters van Baäl ontmaskerd, zo scheurt het voorhangsel van de tempel. En als God een nieuw begin maakt, dan houdt dat een omverwerping van het bestaande heilige in.
Binnen de kortste keren echter ontstaat er een tegenbeweging waarin opnieuw heilige plaatsen, tijden en mensen worden aangewezen. De kerkgeschiedenis staat bol van de voorbeelden, maar ik noem u alleen de opkomst van het priester- en pausdom, van de gewijde plaatsen, van de biechtpraktijk. In de Reformatie worden die opnieuw radicaal ontgoddelijkt, ontwijd, en ontstaat er een nieuwe nadruk op de alleenheerschappij van het Woord, op het priesterschap van alle gelovigen, op de geestelijke betekenis van de verzoening. Opnieuw worden daar elementen van het verheiligen zichtbaar. De fundamentalistische nadruk op de kaften van de Bijbel, de vergoddelijking van een bepaalde vertaling, de strijd tussen psalmen, geselecteerde gezangen en overige liedjes die al dan niet mogen, enzovoorts. Op een ander front zien we de langzame opwaardering van de ambten, totdat ze zo bijzonder zijn en zo anders dan wat van ieder christen verwacht wordt dat we er vijftien jaar voor nodig hebben om de beslissing over vrouwelijke diakenen zelfs maar aan de plaatselijke gemeente over te laten, terwijl het avondmaal onder ons zo geformaliseerd en verheiligd is dat de kinderen daar bij voorbaat niet bij mogen horen.
Nog een ander voorbeeld zien we in de omgang met het AKS dat onder ons een heilzame werking heeft gehad in het vasthouden van elkaar, maar dat soms zo gekoesterd wordt dat daardoor de eenheid met broeders en zusters in andere kerken onder druk kan komen te staan.

Nu gaat het niet om de concrete voorbeelden op zich, en in vergelijking met andere kerken hebben we maar een zeer losse structuur, in elk geval op landelijk vlak. Waar het om gaat is dat achter de gevoelige discussies zichtbaar wordt, en uit het feit dat de discussies zo gevoelig zijn blijkt, hoe sterk de gegroeide structuren zijn. We lopen - net als andere kerken - het voortdurende gevaar dat onze waardering voor de traditie omslaat in een doods traditionalisme. Om het met een citaat te zeggen is het verschil dit: traditie is het levende geloof van de doden, traditionalisme het dode geloof van de levenden. Het is begrijpelijk dat jongeren zich tegen de strakke structuren keren, omdat ze daarin weinig meer van het levende geloof kunnen ontdekken. Het vaste ritueel van de zondagse eredienst wordt week aan week afgewerkt, en hoezeer ook de prediker mag trachten aan te tonen dat het Woord van God van betekenis is voor het leven nu, de starre vormen maken dat bijna onverstaanbaar. Het zal er op aan komen opnieuw zichtbaar en ervaarbaar te maken dat we leven met Christus. We zullen de structuren ondergeschikt moeten maken aan die levende omgang met de Heer. Alleen wanneer de kerk - ook in de structuur - teruggaat naar Christus zal ze de jeugd bij Christus kunnen brengen of houden.

Vernieuwing van het christendom?
Het is tijd de balans op te maken. De genoemde voorbeelden zullen genoeg meningsverschillen en weerstanden oproepen. Elk van die punten is ook geschikt voor avonden gespreksstof.
Het zou echter jammer zijn als daar de bespreking van dit onderwerp in zou verzanden. Veel wezenlijker is wat voor al deze drie punten geldt: het is noodzakelijk om de openbaring, het evangelie concreet gestalte te geven, maar op het moment dat je dat doet verwijder je je van de kern. Daar ligt ook een wezenlijk probleem als het gaat om de jeugd. Er zijn er inderdaad die Christus vaarwel zeggen. Veel vaker echter zeggen ze de vormen vaarwel die wij ze geleerd hebben, en dat kan op zijn beurt betekenen dat ze het gevoel hebben of krijgen dat dat ook betekent dat ze het geloof vaarwel moeten zeggen. Naar mijn overtuiging liggen voor veel jongeren - en niet alleen voor hen - de drempels niet zozeer in de kern van de zaak, maar in de franje. Franje die in de kerk de centrale rol lijkt te spelen. Vandaar de terugkerende stelling: alleen wanneer de kerk terug gaat naar Christus zal ze de jeugd bij Christus kunnen brengen of houden. Wanneer we dat serieus nemen komen we echter voor een nog indringender vraag te staan: is het werkelijk mogelijk om van achter leer, moraal en structuur terug te keren naar Christus.

Is een radicale vernieuwing van kerk en christendom mogelijk, zodat de openbaring van God weer verstaanbaar gaat worden, ook voor jonge mensen van deze tijd. Op die vraag zullen we nu in moeten gaan.
Gezien de scherpheid van de voorgaande aanklacht is het een vraag waar we met enige zorg aan zullen beginnen. AI te vaak en al te makkelijk hebben christenen en kerken van alle tijden gemeend de kern van de openbaring vastgehouden of herontdekt te hebben, waarbij achteraf bleek dat ook zij sterk bepaald waren door hun eigen denken en hun eigen cultuur.
Daar moeten we ook niet té krampachtig over doen. Zoals gezegd kan het evangelie niet zonder verwoording, zonder concretisering. Ook voor onze eigen tijd en onze eigen situatie hebben we een gestalte van de openbaring nodig om niet te verzanden in de vaagheid. In Bijbelse termen: we hebben een beeld van God nodig zonder ons een beeld van Hem te mogen vormen. Het christelijk leven zal altijd onder die spanning blijven staan: enerzijds vorm geven aan, concreet maken, anderzijds voortdurend beseffen dat God anders is.

Dat kan verwoord worden als een 'radicaal' christendom. Radicaal betekent enerzijds dat er consequenties worden getrokken, dat het inhoudelijke ook in concrete zin gestalte krijgt. Of om het wat praktischer te zeggen: Radicaal zijn betekent dat het geloof in duidelijke leerstukken, een duidelijke moraal en een duidelijke structuur wordt uitgewerkt. Het 'woord' radicaal wijst echter ook op iets anders. Het is afgeleid van het woord 'radix', dat wortel betekent. Daarom betekent radicaal ook dat we alle franje loslaten en teruggaan naar de kern, naar de wortel. In dit geval: de wortel Davids, Jezus Christus. Los van alle systemen zullen we het totale christelijke leven opnieuw moeten ijken en normeren aan de openbaring van onze Heer. Zo zal er een christelijk leven en een christelijke kerk mogen ontstaan waar we ons verwonderen over het geheimenis van de levende God, voordat we dat in de dode letter van de leer verwoorden. Waarin we ons koesteren in de openbaring van de goddelijke genade en barmhartigheid, voordat we dat in de moraal uiteenzetten. Waarin we de ruimte van de Geest ervaren, voordat we dat kerkeren in een vaste orde. Die vernieuwing is mogelijk, maar of het ook daadwerkelijk zo radicaal zal plaatsvinden is de vraag. Wij mensen - ik sluit mezelf bewust in - hebben behoefte aan veiligheid en zekerheid. De weg die gegaan moet worden is meer de weg van het avontuur. Het is als Abraham geroepen worden, als Israël door een woestijn durven gaan. Van die roepstem weten we, maar of we het aandurven onze maagschap en de vleespotten van Egypte achter te laten is nog de vraag. Toch raakt dit naar mijn besef de kern van de zaak.
Als we belijden dat onze 'enige' troost is dat we het eigendom van Christus zijn, dan zullen we ook alle andere troost en valse zekerheid los moeten laten.

Hoe houden we de kerk bij de jeugd?
We keren terug naar de concrete vraag: Hoe houden we de kerk bij de jeugd? Daar is al van gezegd dat om verstaanbaar te zijn voor jonge mensen vandaag de dag het noodzakelijk is dat de kern van het geloof, van het evangelie, helder is en niet verborgen raakt achter de uitwerking. Dit hele betoog komt er in wezen op neer dat teruggaan naar de Here Jezus Christus nodig is, niet alleen om het contact met de jongeren mogelijk te maken, maar ook en in de eerste plaats om waarlijk kerk te zijn. Over de praktische uitwerking is elders veel meer gezegd en geschreven. Hier wil ik nog één stap verder gaan.
Voor het behoud van de kerk - en ik bedoel dat in de zwaarste zin van het woord - is het noodzakelijk om de jongeren van deze tijd tot bondgenootschap te roepen. Het gaat niet alleen om het terugroepen van jeugd die dreigt af te dwalen, en die moet weerkeren in het schip van de kerk. Het zijn niet alleen de kerkverlaters of de twijfelaars die een probleem hebben.
Wij - als kerk - hebben een probleem. Het is wel verleidelijk om dat af te wentelen op de jongeren, alsof wij de trouwe gelovigen zijn en zij de wereldse afvalligen, maar dat lijkt me geen vruchtbare benadering en ook geen eerlijke.
Misschien komen we verder als we de jongeren, en juist ook de opstandigen en afvalligen, gaan zien als een deel van de oplossing. Zij zijn het immers die in het midden van deze wereld hun plaats aan het zoeken zijn. Ze leven in een tijd en een cultuur die hen en ons dwingt de oude verworvenheden opnieuw kritisch te bezien. Bij de kenmerken van het denken van deze tijd hoort het serieus nemen van het eigen gevoel, van het zoeken naar ervaring.
Er hoort bij het expliciet vragen naar de bruikbaarheid van overtuigingen, enzovoorts. Daar is natuurlijk ook juist van christelijke zijde heel wat tegen in te brengen. De ontwikkelingen in de . wereld zijn niet neutraal, maar vertonen ook sterke anti-christelijke tendensen. En toch. Het is de vraag of onze vormen, leerstellingen en moraal zoveel christelijker zijn. Zijn wij niet evenzeer bepaald door bepaalde culturen en invloeden? Is onze benadering werkelijk christelijker, of is het niet meer dan een wereldse vorm uit een tijd die inmiddels achter ons ligt? Dit zijn de fundamentele vragen, die beantwoord moeten worden om te komen tot een vernieuwd en radicaal christendom, tot een kerk die weer waarlijk 'des Heren' is. Waarschijnlijk hebben we de confrontatie met deze wereld nodig om gedwongen te worden onze vormen en ideeën opnieuw te ijken aan de Schrift. Waar zouden we dat beter kunnen doen dan in de relatie met jonge mensen uit onze kerken die gepokt en gemazeld zijn in de hedendaagse leefwereld? Zo kunnen we ons voordeel doen met kerkverlaters, zowel zij die de kerk als geheel de rug toe keren omdat het daar verwoorde geloof volstrekt irrelevant lijkt voor hun leven, als zij die overgaan naar evangelische bewegingen omdat ze daar iets van de levende spiritualiteit, van het werk van de Geest ontdekken. Wanneer we hen tegemoet treden met een oordeel over hun weerstand ontnemen we hen en onszelf de mogelijkheid om uit de dogmatische en morele loopgraven tevoorschijn te komen en opnieuw te leren omgaan met de levende God.
Zo gaat het uiteindelijk niet om een praktische vraag alleen. Het is geen kwestie van methoden en technieken om jongeren vast te houden. Zelfs is het onvoldoende om alleen ons geloof aan het door te geven. Het zal er op aan komen de jongeren zelf serieus te nemen, van hen te willen leren, en samen met hen te willen zoeken naar het hart van het geloof. Misschien dat we dan met hen kunnen leren hoe we de kerk bij Christus kunnen houden. Dan kunnen we over en weer en gelijkwaardig verantwoording vragen en afleggen van de hoop die in ons is.
Bondgenoten op de weg van Gods verbond.

Noten:
1. Lezing gehouden op de ouderlingenconferentie 1994.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief