Schuldig lijden en de dienst der barmhartigheid (1)

1995-10-06
  • Jaargang 39
  • nummer 20
Hieronder volgt het eerste deel van een verkorte weergave van het referaat dat ds. G. van den Brink op de vorig jaar gehouden centrale diaconale conferentie heeft gehouden. Belangstellenden kunnen bij het bestuur van het Centraal Diaconaal Comité, p/a de heer P. Sneep, Liendertsedreef 37, 3815 AB Amersfoort, tel. 033-722756. Overigens ontvangen de kerkenraden/diakenen automatisch de volledige tekst.

Gods onverdiende vrije gunst
"Er zijn in het leven allerlei situaties, waarin er een direct aanwijsbaar verband bestaat tussen zonde en leed: een man bedriegt zijn vrouwen loopt een geslachtsziekte op; een werknemer besteelt zijn baas en wordt werkloos; een huisvrouw heeft een gat in haar hand en kan haar gezin niet verzorgen; een meisje is drugsverslaafd en kan zich niet staande houden. De voorbeelden zijn met vele te vermeerderen." (Centraal Diaconaal Comité) Streng of lankmoedig? dat is de vraag.
En: wat zit er achter als mensen in de fout gaan? En waar liggen de grenzen van de barmhartigheid? AI te goed is immers buurmans gek? Met deze vragen stap ik het onderwerp binnen. Uit de heilige Schrift meen ik drie lijnen te moeten volgen. Eerst die van Gods onverdiende vrije gunst over zondaren. Die vraagt van ons een barmhartig optreden.
Ik denk aan de uitverkiezing van Abraham. De Here heeft hem geen voorwaarden gesteld: volbreng eerst mijn wet, dan zal ik u tot een groot volk maken en u zegenen. De wet kwam later. Abraham was slechts een zwervende Arameër, (Deut.26,5). De Here "nam redenen uit Zichzelf" en koos de zondaar. De aanneming van Israël voltrok zich precies zo. De Here sprak niet: Volbreng mijn wet, dan zal Ik u uit het slavenhuis leiden. Israël heeft uit Egypte de tent van Moloch meegenomen en droeg de ster van de god Romfa door de woestijn en afbeeldingen die men gemaakt had om ze te aanbidden (Hdl. 7, 42.43 en Amos 5, 25). Desondanks sprak God: Ik ben de Here uw God, die u uit Egypte, dat slavenhuis geleid heb.
Dat was vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. Het verbond was eenzijdig in zijn ontstaan. Aan de uitverkiezing van Saul van Tarsen ging geen eis tot gehoorzaamheid vooraf. Saul vervolgde de gemeente ten dode. Toen greep de Here hem in de kraag en zette Zijn verkiezende liefde op hem. Hij werd een voorbeeld voor allen die later zouden worden gered, sola gratia, sola fide, soli deo gloria. Is bekering van zonde een voorwaarde voor het bieden van hulp? Het antwoord is gegeven. Denk nog aan Spreuken 25:21: Indien uw vijand honger heeft, geef hem brood te eten; indien hij dorst heeft,geef hem water te drinken, want dan hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd en de Here zal het u vergelden. Zie verder: 2 Kon. 6; 1 Petr. 2,15; 1 Petr. 2,20 en 3,18. Paulus zegt in Rom. 12,20: Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. Terecht merkt W.H. Velema daarbij op: Hieruit kunnen we zelfs afleiden dat aan onze vijanden diakonaat moet worden betoond (Zichtbare Liefde van Christus, blz. 214). We kennen allen de afkeer die zich van ons meester kan maken als we stoten op zware zonde. Ik denk aan gevallen van incest, verslaving aan de 06-telefoon, partnerruil, samenknopingen van ongerechtigheid. Dan is het nodig ons de zondaarsliefde van Christus te herinneren en de overmacht ervan. Dat is dus het eerste principe: dat van Gods vrije en machtige gunst. Dat vraagt van ons een barmhartige benadering.

Gods roep tot oprechtheid en bekering
Het tweede schriftgegeven is dat van Gods roep tot oprechtheid en bekering. Dat vraagt om een krachtig optreden richting gebod. Nadat de Here Abraham koos, sprak Hij: Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht (Gen. 17,1). Het hebreeuwse woord is tamim. Dat betekent niet zondeloos, maar radicaal, eerlijk, consequent, uit één stuk. Toen de HERE bij de Sinaï Zijn heerlijke Naam had uitgeroepen: Ik ben de HERE uw God, die u uit Egypte, dat slavenhuis heb geleid, volgden tien krachtige verbondswoorden: Gij zult, gij zult niet. Tien woorden ten leven, opdat het u welga. Het gebod is een wezenlijk deel van Gods medicijn. Toen de Here Jezus Zijn zaligsprekingen gegeven had, volgden de geboden en dat liep uit op de vermaning: weest dan gijlieden volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is (Mt. 5,48). Dat is weer het begrip tamim. De discipelen konden niet zonder zonde zijn, maar wel oprecht, consequent, rechtuit. De verlamde man die 38 jaar bij het badwater Bethesda gelegen had werd gratis genezen.
Direct daarna zegt Jezus: Ga heen, zondig niet meer. Letterlijk: Ga niet verder met wat je bezig bent te doen, nl. zondigen (H. Ridderbos, Het Evangelie naar Joh. deel I, blz. 221). Er was in dit geval blijkbaar samenhang tussen zonde,schuld en lijden. Jezus geneest en vergeeft gratis. Daarna volgt de krachtige oproep om te gaan op de weg van het gebod, terwille van Gods heiligheid en het geluk van de man. Voor de praktijk van de hulpverlening betekent het dat barmhartigheid nooit mag ontaarden in slapheid. Als God voor ons gekozen heeft, kunnen we geen kant meer uit, dan alleen naar Hem toe. Weest heilig, want Ik ben heilig! Kiezen voor Hem, die ons gekozen heeft, en dat is voor ons het leven. Het is de wezenlijke taak van de diakenen de weg van het gebod te wijzen. Niemand wordt vrijblijvend geholpen. Tamim, oprecht zijn, is een verbondsbegrip.
En het verbond, inclusief het gebod, maakt de mens compleet (Pred. 12,13: vrees God en onderhoudt zijn geboden, want dit is compleet mens). Het allereerste wat van een behoeftige gevraagd mag worden is de wil om zich te laten helpen. Dat is niet eenvoudig. Zich laten dienen vraagt veel. Het opgeven van onafhankelijkheid.
Opening van de portemonnaie en wat nog moeilijker is: opening van ziel. De diaken die preventieve contacten heeft gelegd, en al voordien vertrouwen gewonnen heeft, is beter in staat de ander daartoe te bewegen. Niemand komt graag met de billen bloot. Soms moet de diakenen echter wel fors optreden, in het belang van de ander.
Als het maar de forsheid is van Jezus, die eerst genas en toen sprak: Ga heen, stop met zondigen. We moeten krachtig aandringen op oprechtheid. Om drie redenen. Omdat onze God een heilig God is. Omdat onze menselijke geest boos is en zich verzet. En omdat het gebod dient tot ons geluk. Hulp vragen en tegelijk een auto kopen van f 30.000 gulden, kan niet. Hulp vragen en tegelijk sexnummers draaien, kan niet. Hulp vragen en veel te dure vacantiereizen maken, zware schulden maken bij banken en postorderbedrijven, kan niet. Niet alleen omdat het niet betamelijk is, maar omdat we Gods heiligheid niet mogen kwetsen en onszelf kapot maken en onze omgeving erbij. Dat is het tweede principe: krachtig optreden vanwege de roep van God.

Gods lankmoedigheid
Het derde principe is dat van Gods lankmoedigheid. Dat vraagt veel geduld. "Lankmoedig is de Here en rijk aan goedertierenheid", zegt psalm 103. Lankmoedigheid tekent het karakter van iemand die weliswaar reden heeft om zich te wreken en die ook de macht heeft dat te doen, maar die daarvan afziet. Lankmoedigheid is geduldig verdragen, hoewel men met de vuist op tafel zou kunnen slaan. Bij de Grieken, aldus H.J. Jager, was dat geen deugd. Ze vonden het niet prijzenswaardig zo slap te zijn. Lankmoedigheid is echter typerend voor het karakter van de HERE (Ex. 34,6). Hij had na de afschuwelijke afgoderij met het gouden kalf volop reden Zich te wreken, maar Hij toonde Zich groot van goedertierenheid (rachoem) en stelde Zijn toorn uit (zie ook Ps. 86,15). Hoe eindeloos was Gods geduld met Israel. Denk aan Hosea en Gomer. H9,e lang rekte de Here Zijn toorn tot eindelijk de ballingschap kwam. Hoe eindeloos is Gods geduld met onze wereld. Als je de beelden van de TV ziet, snap je niet dat Hij er geen einde aan maakt. De apostel Paulus vermaant ons om geduld te hebben met allen (1 Thess. 5,14) in het voetspoor van Christus. In het hooglied der liefde (1 Kor. 13) zegt hij: de liefde is lankmoedig (vs 4). Hij wekt ons op elkaar met lankmoedigheid te verdragen (Ef. 4,2). Dat valt niet altijd mee. U kent de verontwaardiging die zich van ons meester maakt als we stoten op een samenknoping van ongerechtigheid. Korte metten! zeggen we dan. Opruimen die hele troep! Ik voor mij moet erkennen een ongeduldig en driftig mannetje te zijn. Meermalen betrapte ik mezelf op het verlangen naar een nette en keurige gemeente, waaruit alle slechtheid was weggedaan: schrappen maar! Het zou niet best zijn, als de Here zo kort van geduld was met ons.
Dat is dus het derde principe: lankmoedigheid. Dat lankmoedigheid heel goed kan samengaan gaan met het tweede principe: krachtig optreden richting wet, laat Starreveld zien in een voorbeeld uit de vorige eeuw: Een weduwe met vier kinderen had overspel gepleegd met een gehuwde roomse man en was zwanger geworden. In een brief deelde ze dit de diakenen mee met de smeekbede om in de bedeling te mogen blijven, daar anders "om hare zonde wil haar vier kinderen broodsgebrek zouden moeten lijden". Ze werd onder censuur gezet en zonder naam in de gemeente bekend gemaakt, "terwijl er tevens goedgevonden werd om met de bedeling te moeten voortgaan" (Zichtbare liefde van Christus, blz. 108).
De ouderlingen kwamen met de censuur en de diakenen met de bedeling. Liefde en strengheid gingen hand in hand.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief