Moderniteit en Godsgeloof

1995-10-20
  • Jaargang 39
  • nummer 21
“De kerk staat niet daar waar menselijk kunnen ophoudt, niet aan de grenzen maar midden in het dorp”. In deze volzin van Bonhoeffer (uit zijn brief aan Bethge van 30 april 1944) zal de lezer het thema herkennen waarop ik in het vorige nummer van Opbouw de aandacht vestigde. Ging het toen over de tendens, om juist daar ruimte voor God te zien waar mensen in hun persoonlijk leven aan het eind van hun latijn zijn – in dit artikel komt aan de orde welke ruimte er voor God overblijft nu wetenschap en techniek zo’n geweldige vlucht hebben genomen.

Terreinverlies van God
Het probleem is bekend. Als het vroeger onweerde, zongen de mensen: ,,'s HEEREN stem, op 't hoogst geducht, rolt en klatert door de lucht." (Psalm 29:2 OB) Als het nu gaat onweren, legt Erwin Krol uit hoe dat komt. Dat is typerend voor de omslag die zich voltrokken heeft. In het verleden werden allerlei indrukwekkende en mysterieuze verschijnselen aan het rechtstreekse ingrijpen van God toegeschreven. Naarmate onze natuurwetenschappelijke kennis echter toenam, konden steeds meer van die verschijnselen op een natuurlijke wijze verklaard worden. Hand in hand daarmee ging een steeds verder voortschrijdende beheersing van de natuur. Als mensen vroeger een ernstige longontsteking opliepen, wendden zij zich als vanzelf met hun gebed om genezing tot God. Tegenwoordig vragen zij de huisarts om antibiotica. Dat proces, dat mensen steeds meer zijn gaan begrijpen en beheersen, heeft ertoe geleid dat voor heel velen God om zo te zeggen als maar terrein verloor.
Naar hun gevoel werd Hij steeds minder nodig om dingen te verklaren en om problemen op te lossen. Dit 'terreinverlies van God' heeft Bonhoeffer intens beziggehouden. Hij heeft zich afgevraagd, hoe deze ontwikkeling zou aflopen. Zou het menselijk vermogen om de dingen op een natuurlijke wijze te verklaren en beheersen uiteindelijk toch zijn grenzen kennen, zodat er hoe dan ook ruimte voor God over zou blijven? Of zouden wetenschap en techniek steeds verder oprukken, zodat wij mensen ons op den duur helemaal zelf kunnen bedruipen? Bonhoeffer houdt het op dat laatste. Hij gaat uit van de volstrekte mondigheid van de mens.

Niet vromer dan God
Daarmee lijkt Bonhoeffer kort en goed een punt te zetten achter het geloof in God. Maar dat is merkwaardigerwijze niet het geval! Integendeel, hij beweert zelfs dat er voor de God van de bijbel pas echt ruimte komt als je de mens in zijn mondigheid serieus neemt. Want wat gebeurt er, als je God alleen nog maar ter sprake brengt wanneer je iets niet snapt of wanneer dingen je uit de hand lopen? Dan is Hij er goed voor, om - grof gezegd - onze gaten op te vullen. Dan verwordt Hij tot een 'Lückenbüsser', een stoplap (zie bv de brief aan Bethge van 29 mei 1944).
Maar dan heb je het niet meer over de God die Heer is over het leven. Willen wij God in zijn Heer-zijn werkelijk respecteren, dan zullen wij radikaal moeten ophouden om Hem te pas ter sprake te brengen als wij mensen de grens van ons begrijpen en beheersen bereikt hebben. Daarom is Bonhoeffer allerminst bezorgd over het oprukken van wetenschap en techniek, en over de tendens om bv ook de moraal niet langer te funderen in God. Integendeel, hij juicht die ontwikkeling toe!
Zijn verwachting is, dat juist de mondige mens oog zal krijgen voor God zoals Hij werkelijk is. Laat de mens maar gerust de grenzen van zijn kennen en kunnen verleggen, net zolang tot hij zich zonder God redt. De werkelijke God neemt immers geen genoegen met een plaatsje aan de rand, maar wil aanwezig zijn in het centrum van ons leven. De vraag is natuurlijk, hoe Bonhoeffer zich dat voorstelt. Vermoedelijk was hem dat zelf nog niet duidelijk. Hij zegt ergens: "Ik krijg wel inzicht in de probleemstelling, maar zie nog niet goed de oplossing." (brief aan Bethge van 16 juli 1944) Dat neemt niet weg dat hij wel heeft aangegeven in welke richting hij het zocht. Het volgende citaat geeft daarin inzicht: "Dat een man in de armen van zijn vrouw zou moeten verlangen naar het andere leven, is, zacht gezegd, een smakeloosheid en in ieder geval niet Gods wil. We moeten God vinden en liefhebben in wat Hij ons geeft; als God ons wil laten genieten van een overweldigend aards geluk, dan moeten we niet vromer willen zijn dan God." (brief aan Bethge van 18 december 1943) Niet vromer willen zijn dan God ... daar gaat het Bonhoeffer om. De God van de bijbel is voor hem een God, die alle ruimte maakt voor het aardse leven. Hij dringt zichzelf niet aan mensen op, maar trekt zich bewust terug om hen in de gelegenheid te stellen voor de volle honderd procent mens te zijn, met alle lusten (én lasten) vandien. Dat 'terreinverlies' van God is dus niet iets dat Hem wordt aangedaan; Hij kiest ervoor om op die manier met mensen om te gaan. Maar dat betekent, dat wanneer wij mensen midden in het leven toch steeds weer onze grenzen opzoeken en daarbij terugvallen op God, wij tegen God ingaan. ZÓ wil Hij onze God niet zijn. Als Hij een man en vrouw het geluk van de liefde geeft, wil Hij niet dat ze haastig bedenken dat dat geluk vergankelijk is en dat het hoogste goed elders voor hen is weggelegd, namelijk in de hemel. God wil, met andere woorden, dat mensen in zo'n fase van geluk nu juist niet religieus zijn.

Met en voor God leven zonder God
Het lijkt erop, dat Bonhoeffer zo nu ook de menselijke mondigheid heeft willen benaderen. Voor hem is de God van de bijbel allesbehalve een 'Lückenbüsser', wiens bestaansrecht bepaald wordt door de mate waarin mensen zichzelf (nog) niet kunnen bedruipen. Nee, Hij juicht het juist toe wanneer mensen zo mondig worden dat zij zélf de verantwoordelijkheid aanvaarden voor het leven, met al zijn ups en downs. God zélf wil, dat mensen ophouden naar religieuze verklaringen en oplossingen te grijpen, en dat zij leren 'hun mannetje te staan'.
Zo kan Bonhoeffer de volgende merkwaardige zinnen neerschrijven: "God doet ons weten dat wij moeten leven als diegenen, die hun leven inrichten zonder God .... Voor en met God leven wij zonder God." (brief aan Bethge van 16 juli 1944) 'Leven zonder God', dat wil zeggen: met je longontsteking naar de dokter gaan om je een antibiotica-kuur te laten voorschrijven, en dat dan niet met allerlei vroomheden omringen. Als je antibiotica neemt, moet je God er buiten laten. Dat is 'leven zonder God'. Maar tegelijk zegt Bonhoeffer: wij leven zonder God met en voor God. Met andere woorden: je raakt God dan niet kwijt.
Juist wanneer wij ervan af zien een 'religieuze' oplossing te zoeken voor het longontsteking-probleem, maar de maatregelen te treffen die ons ménsen ter beschikking staan, doen wij recht aan God. Wij staan dan voor zijn aangezicht.
Dat laatste lijkt een loze formule te zijn. God overal buiten laten en dan zeggen dat je wel voor zijn aangezicht staat - is dat niet een vrome draai geven aan wat feitelijk puur humanisme is? Zo is Bonhoeffer in het verleden inderdaad geïnterpreteerd. Maar daarmee doet men hem toch geen recht, om de eenvoudige reden dat hij in zijn persoonlijk leven tot op het allerlaatste moment voor zijn executie een intense omgang met God beoefende. Voor Gods aangezicht staan - dat was voor hem ten volle realiteit. Dat is het complexe bij Bonhoeffer. Hij heeft een afgrijzen van een 'religieuze' levenshouding, waarbij mensen het zich gemakkelijk maken door op God terug te vallen als zij het zelf niet meer weten. Zo bepleit hij een royale aanvaarding van de moderniteit, waarin mensen geleerd hebben hun leven zonder God in te richten. En tegelijk laat hij het niet bij woorden, als hij binnen die moderniteit aandacht vraagt voor het leven met God, voor het gebed, voor bijbellezing, voor vertrouwen.
Hij is in eigen persoon de belichaming van mondigheid en Godsgeloof, van ... verzet en overgave.

Moderniteit en Godsgeloof
Het is geen wonder dat deze ietwat raadselachtige en complexe gedachtengang veel vragen heeft opgeroepen en aanleiding heeft gegeven tot de meest uiteenlopende interpretaties.
Daar komt nog bij, dat Bonhoeffer zijn gedachten over het 'vrijwillige' terreinverlies van God verbindt met het typisch lutherse motief van het lijden van God in deze wereld. Zijn beeld van de menselijke mondigheid past precies op de voorstelling van Gods zelfgekozen machteloosheid. Naar mijn besef is daar terecht kritiek op uitgeoefend.
Vanuit de bijbel is er meer te zeggen dan dat God zich laat terugdringen tot op het kruis, zoals er vanuit de filosofie ook meer te zeggen is dan dat de mens mondig geworden is. Het zou mij dan ook niet verbazen, wanneer de afrekening met het beeld van God als 'Luckenbüsser' heel wat meer voeten in de aarde zou hebben dan Bonhoeffer doet voorkomen.
Toch wil ik op die kritiek hier niet verder ingaan - de kolommen van Opbouw zijn voor iets anders bedoeld dan voor de bespreking van dergelijke ingewikkelde theologische en filosofische problemen. Ik heb aandacht gevraagd voor deze ongewone figuur, omdat hij toch maar dingen verbindt die voor de doorsnee gelovige mijlenver bij elkaar vandaan liggen, namelijk moderniteit en Godsgeloof. Het lijkt wel alsof je vandaag de dag moet kiezen: of je zweert trouw aan de mens in zijn mondigheid, die wetenschappelijk en. technisch en psychologisch zijn mannetje staat, met als gevolg dat God buiten het beeld verdwijnt. Of je stelt je vertrouwen op de Here, waarbij zich dan echter forse konflikten ontwikkelen met de moderne tijd. Ik denk bij dat laatste bijvoorbeeld aan evangelischen. Altijd weer kom ik ervan onder de indruk, dat de vertrouwensvolle omgang met de Here zo'n geweldige realiteit voor hen is. Ik benijd hen om de intensiteit van hun Godservaring in een gesekulariseerde wereld. Tegelijk slaat de schrik me om het hart als ik zie welke prijs zij daarvoor betalen: een geharnaste fundamentalistische Schriftbeschouwing, en een soms bijna middeleeuws wereldbeeld, waarin de moderne psychiater resoluut vervangen wordt door de duiveluitbanner. Moet je dan echt met de rug naar de moderne wereld toestaan om christen te kunnen zijn? Misschien.
Maar het lijkt mij de moeite waard om eerst nog te onderzoeken of er geen andere mogelijkheden zijn.
Wat dat betreft is en blijft Bonhoeffer een intrigerende figuur. Iemand, die voorafgaande aan zijn executie zo'n indrukwekkend getuigenis gaf van zijn geloof in de opgestane Heer, en die de moderne wereld tegelijk zo beaamd heeft - die maakt dat ik er moed op krijg dat er niet gekozen hoeft te worden tussen moderniteit en Godsgeloof.
Het kán dus: heel dicht bij de Here leven, en tegelijk naar hartelust meedoen in een wereld die de religie achter zich gelaten heeft. En 'bekering' is dus niet hetzelfde als het terugvallen op 18e-eeuwse voorstellingen. Laat het waar zijn, dat Bonhoeffer niet ver gekomen is met de beantwoording van de vragen die hij heeft opgeworpendoor de manier waarop hij geleefd heeft en gestorven is blijft hij ons uitnodigen om ons van die vragen niet af te maken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief