Schuldig lijden en de dienst der barmhartigheid (2)

1995-10-20
  • Jaargang 39
  • nummer 21
Na in het vorige artikel enkele richtlijnen vanuit de Schrift te hebben aangereikt (barmhartigheid, kracht, geduld), in dit tweede deel de praktijk van het leven.

Een stukje diaconale geschiedenis
Ik denk aan Friedrich von Bodelschwingh, 1831-1910. Wijlen Os G. Visée was van oordeel dat het boek van zijn kleinzoon over het werk van zijn grootvader (zie hieronder) verplicht moest zijn voor alle theologiestudenten.
Het gaat over de pastor van Dellwig in Westfalen. Hij en zijn lieve vrouw moesten in jan. 1869 in 13 dagen alle vier hun kinderen missen, Friedrich, Elizabeth, Karl, en Ernst. Ze stierven aan een epidemie. Dat ontzaglijke verlies heeft dit echtpaar gedreven tot een nog vuriger liefde tot het verlorene, dan ze al hadden betoond. De ministerszoon, afkomstig uit de hoogste kringen van het keizerlijke hof, had zich na zijn trouwen als prediker gevestigd in Parijs om daar te werken onder de Pruisische straatvegers, ellendige stakkers, gastarbeiders in het rijke Frankrijk, kapotgewreven tussen de molenstenen van brandewijn en kapitaal.
Slechte en bedorven mensen waren het, maar heel scherp zag Von Bodelschwingh dat het niet alleen eigen schuld was, maar vooral ook die van de grootgrondbezitters, de jonkers, de ridders, de jeneverstokers en de op geld beluste staat. Later heeft Von Bodelschwingh in Bielefeld (Bethel) 67 verpleeghuizen gebouwd, 30 stallen en schuren, 80 woonhuizen. Hij stichtte kerken, scholen, werkplaatsen, broeder- en zusterhuizen en een theologische opleiding. Daar heeft hij tweeduizend epileptici, drieduizend geestenszieken, t.b.c.-lijders, zwakzinnigen, en daklozen ondergebracht, mannen en vrouwen, een dorp van zevenduizend inwoners. Behalve dat, stichtte hij verspreid over het hele land, 34 toevluchtsoorden voor daklozen, waarin in de loop van 25 jaar 180.000 ellendigen verpleegden genezen, na hun revalidatie konden terugkeren in een geordend en arbeidzaam bestaan, veelal zelfs in de kring van de familie. Voor deze projecten verwierf hij de steun van de keizer, de regering en veel stadsbesturen. Zijn grootste tegenstander, Graf von der Schulenburg, probeerde zijn werk te verlammen. Argument: de kostbare overheidsgelden worden besteed aan deugnieten, dieven, zuiplappen, werkweigeraars, criminelen, verkrachters van jonge meisjes en vooral van socialisten die met hun politieke ideeën de samenleving vergiftigen. De invloedrijke man draaide de geldkraan dicht. Op zijn oude dag heeft Von Bodelschwingh zich zeer krachtig verdedigd: 9/10 van de werklozen - zei hij - zijn werkwilligen, die keihard de laan uitgestuurd zijn.
Als onze economie een slecht jaar heeft, komt het voor dat honderdduizenden in één maand op straat worden gezet, met alle ellende van dien. Toegegeven: deze zwervers vervallen vaak tot criminaliteit, diefstal, drankzucht enz.
Maar waar ligt de schuld? In malaisejaar 1881/82 toen er weinig werk was werden 175.000 meer mensen in de gevangenis gegooid, dan in jaren waarin er veel werk was. De moreel en lichamelijk zwakken en ouden worden voortdurend gedwongen tot stelen en straatschuimerij. Aldus von Bodelschwingh. Hij noemde de bewoners van zijn werkkampen dikwijls "mijn broeders en vrienden". Het waren vaak doodzieke mensen, kapot gegaan aan de drank. Het percentage alcoholisten onder die zwervers lag op 75%-90%. Werden deze mensen opgenomen, dan moesten ze buigen onder een streng regime: ze mochten niet meer bedelen, moesten hard werken en stoppen met alcohol. Maar de dwang was liefdevol en het geduld van de leiding was groot.
De statistieken waarop Von Bodelschwingh zich beroepen kon, wezen uit dat van de 23 opgenomen kolonisten er slechts één weggestuurd moest worden wegens onverbeterlijkheid (Kurt Pergande, Bodelschwingh, Der Einsame von Bethel, Siebenstern Taschenbuch 65/66, Stuttgart).

Eigen schuld?
Ik vermeld deze geschiedenis ietwat uitvoerig om daarmee kracht bij te zetten aan de onder ons groeiende overtuiging dat wij niet kunnen volstaan met de zorg voor eigen mensen. De hulptroepen van Os Visser van Rotterdam met zijn Perron Nul oefenden ook op jongelui van onze gemeente grote aantrekkingskracht uit. Met name in onze grote steden zullen we ons moeten inzetten voor aidspatiënten, drugs en drank- en gokverslaafden, asielzoekers, loslopende Antillianen, Turken en Marokkanen. Mijn voorbeeld is dat van de Christian Reformed Church van New Westminster in Canada, waar een met zorg samengesteld diakonaal team van ouderen en jongeren op zaterdagavond een zaaltje huurt in een café aan de haven. Daar wordt een korte samenkomst gehouden met veel zang. Er wordt gratis brood en soep verstrekt en gezorgd voor gezelligheid en gelegenheid tot gesprek. Dat werk draagt rijke zegen naar binnen en naar buiten.
In de tweede plaats memoreer ik de geschiedenis van Von Bodelschwingh omdat er ook in onze kring zijn, die het slachtoffer worden van sociaaleconomische wantoestanden. Er is op dit punt natuurlijk veel verbeterd sinds de welvaartsstaat zijn intree deed. Maar het aardse paradijs kraakt in al zijn voegen. Denk aan stille armoe van mensen die leven op de rand of onder het bestaansminimum, aan langdurig werklozen ook onder jongere academici, aan leidinggevende figuren van middelbare leeftijd die worden afgedankt wegens fusering, aan vluchtelingen, asielzoekers, Antillianen.
Het hoeft niet te verbazen dat er in zulke situaties kneuzingen optreden: alcoholisme, kleine criminaliteit, huwelijksproblemen, winkeldiefstal en traumatische verschijnselen. Eén van de ellenden die mij het meest aangreep was die van de eenzame zusters, verslaafd aan sherry. Eigen schuld. Maar is eigen schuld altijd en alleen eigen schuld?
En dan de psychisch beschadigde mensen. De diepte van het kwaad en de ellende in deze wereld is niet uit te drukken, aldus Or Schoonhoven, psychiater in Veenendaal. Eén van zijn patiënten zei: "Dokter, we leven in een rotwereld hé, in een rotwereld". De meeste stoornissen en trauma'saldus Schoonhoven - ontstaan door een tekort aan liefde en aandacht, aan emotionele verwaarlozing in de jeugd.
Als je de wachtlijsten ziet bij de Riagg's en de GPZ denk ik wel eens: zijn er nog normale christenen (Schoonhoven). Hoe staat het met liefde en aandacht voor zwakken en onaanzienlijken in onze kerkelijke samenleving?

Tekorten in de opvoeding
Een enkel woord over het complex zonde-leed-schuld ontstaan als gevolg van tekorten in de opvoeding. Een teer onderwerp. Want wie van ons maakt geen fouten bij de opvoeding?
Veel godvruchtige ouders kwellen hun rechtvaardige ziel met de vraag wat ze toch verkeerd deden, dat hun kind de verkeerde weg koos. Intussen moeten we de feiten onder ogen zien. Ik breng die naar voren aan de hand van materiaal aangedragen door Frank Matthijsen in zijn onthutsende boekje 'Zand in je eten'. Matthijsen is uitermate deskundig. Hij vertelt authentieke verhalen over kinderen uit orthodox protestantse kring, die door hun omgeving beschouwd worden als zand in hun eten: niet te verdragen! Ze worden er misselijk van! Ze spugen hen uit en schuiven hen ver van zich af. Matthijsen schreef dit boekje voor ouders die kwaad werden als ze de sporen van wanhoop, verzet en opstandigheid in hun kinderen ontdekten en die zich grimmig afvroegen: hoe komt zo'n lelijke vogel in ons keurige nest? Matthijsen voert een meisje ten tonele. Ze is pas geboren. Ze praat en zegt: "Vanmorgen heb ik voor 't eerst mijn moeder gezien toen ik bij haar aan de borst lag - ik zag haar als een vaqe schim. Dat was de enige en laatste keer dat ik haar zag, en dat ik haar geur rook, die me al zo bekend was. Het hoefde van haar niet meer. Ze had al genoeg kinderen geproduceerd.
Ze heeft me afgestaan. Ik ben van het ene huis doorgeschoven naar het andere. Ik was moeilijk plaatsbaar, en ben als groente doorgedraaid. Toen ik 16 was ben ik getrouwd. Nou ja, ik ben gaan samenwonen. Nou is het beroerde dat ik een maand geleden een baby gekregen heb, een meisje. Ik weet niet wat ik met dat kind aan moet. Ik denk dat ik het maar afsta."
De tweede is Alex: hij heeft uitgevonden hoe hij zijn vader uit de weg moet gaan: "Als hij thuiskomt, ga ik niet naar hem toe. Hij begint direct rotopmerkingen te maken. Hij wil dat het eten direct klaar is. Als dat niet het geval is, begint hij te mopperen. Als ik de kamer binnenkom zeg ik altijd netjes g'ndag. Als ik het niet doe, krijg ik commenaar. Doe ik het wel, dan reageert hij daar niet op. Hij maakt dikwijls ook rotopmerkingen tegen moeder. Zij blijft altijd aardig. Het is net alsof zij niet hoort dat hij vervelend doet. Ik ben bang voor hem. Ik heb ontelbare keren gehoord dat ik mijn vader en moeder eren moet. Ik begrijp niet wat dat is. Ik ontloop hem. Ik ben bang voor zijn harde woorden en voor straf. Voor en na het eten bidt vader altijd. In de kerk wordt ook veel gebeden. Ik ben dan altijd bang. Ik geloof niet dat God naar me luistert. Misschien haat ik Hem ook wel, net zoals ik mijn vader haat." (Frank Matthijsen, Zand in je eten. 1991, Dekker & van de Vegt, Assen) Het is geen opwekkende lectuur die Matthijsen biedt, maar je kunt er niet omheen. AI lezend daalt een lawine van zonde, leed, en schuld op je neer.
Bijvoorbeeld in het verhaal van de jongen uit kerkelijk milieu die schrijft: "Met drie opvoedingsinrichtingen, twee psychiatrische klinieken, ongeveer zeven huizen van bewaring en gevangenissen achter de rug, ben ik nu ruim 35 jaar." Eigen schuld! Ja maar is eigen schuld altijd en alleen eigen schuld?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief