Na twintig jaren
1995-11-03
Op de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken, die dit najaar in Zierikzee bijeenkomt, stond op 19 oktober j.l. het gesprek met onze kerken op de agenda. Namens onze kerken waren ds. Horsman en ondergetekende bij de besprekingen aanwezig. En we hebben duidelijk ervaren, dat we in de ontwikkeling van onze onderlinge verhoudingen in een cruciale fase zijn aangekomen.- Jaargang 39
- nummer 22
Op het moment, dat ik dit schrijf, heeft de synode nog geen besluiten genomen. Op woensdag 8 november zullen de besprekingen worden voortgezet. Maar uit de gehouden beraadslagingen vallen al wel bepaalde conclusies te trekken.
In dit en in het komende nummer van ons blad wil ik verslag doen van onze bevindingen ter synode.
Om te beginnen geef ik u de toespraak door, die ik aan het begin van de besprekingen aan de synode gehouden heb ..
Verplicht agendapunt?
Geachte broeder praeses, eerwaarde en weleerwaarde broeders afgevaardigden, Hartelijk dank ik u voor de gelegenheid om in aanwezigheid van ds. Horsman en als vertegenwoordiger van de Ned. Geref. Kerken op uw synodevergadering u toe te mogen spreken. Het is voor mij de vierde keer, dat ik een zitting van uw synode bijwoon (na Den Haag '86, Groningen '89, Apeldoorn '92 nu vandaag in Zierikzee). En het is de tweede keer dat ik tot u het woord mag richten.
Dat is enerzijds de illustratie van het feit, dat onze onderlinge kontakten niet meer uit ons kerkelijk leven weg te denken zijn. Het is vooralsnog ondenkbaar, dat afgevaardigden van onze zijde op uw synodes ontbreken en dat uw afgevaardigden niet meer naar onze Landelijke Vergaderingen zullen komen.
Maar anderzijds, kijkend naar de concrete betekenis van deze contacten ende inhoud ervan, is er helaas weinig reden tot blijdschap en enthousiasme. Het lijkt eerlijk gezegd bij de wederzijdse uitnodiging om elkaars meeste vergadering toe te spreken zo langzamerhand meer om een verplicht agendapunt te gaan, dan dat we het als een hoogtepunt in onze omgang met elkaar ervaren. Van het geestdriftige begin van onze samensprekingen, resulterend in de Gemeenschappelijke Verklaring m.b.t. de toeëigening des hei Is in 1975, is na twintig jaar maar weinig overgebleven.
De Gemeenschappelijke Verklaring van 1975
In de vergadering van uw Deputaatschap met onze Kommissie, waarin toentertijd deze Verklaring definitief werd vastgesteld, heerste naar het getuigenis van sommigen, die daarbij aanwezig waren, zo'n sterk gevoel van geestelijke eenheid en verbondenheid, dat bij meerderen de behoefte bestond dat te bezegelen met de viering van het Heilig Avondmaal. Op 5 december 1975 werd in Opbouw de Gemeenschappelijke Verklaring gepubliceerd. Deze publicatie werd kort ingeleid door een lid van onze Kommissie voor Contakt en Samenspreking. De woordvoerder van de Kommissie sprak in die inleiding van "een historisch moment, omdat een kwestie die vele tientallen jaren gold als geschilpunt, als zodanig kon worden afgevoerd."
De Kommissie schrijft dan verder: "Intussen blijven daar nog de plaatselijke kerken, die over en weer wel moeite houden op het punt van de toeëigening des hei Is. Om deze kerken te helpen vroeg de christelijke gereformeerde synode beide commissies de door hen gevoerde gesprekken en bereikte overeenkomsten te verwerken in een stuk, dat zou kunnen dienen om vastgelopen besprekingen en zo mogelijke misverstanden op te helderen." 2 Ik begrijp hieruit, dat de schrijver van deze woorden destijds veronderstelde, dat er op deputaten-niveau over deze zaken niet meer uitgebreid van gedachten gewisseld zou hoeven worden.
Nee, het daar bereikte resultaat zou alleen een handreiking zijn om plaatselijke kerken van beide verbanden te dienen bij het weer op gang brengen van gestokte besprekingen of bij het aangaan van nieuwe kontakten.
En zo hééft deze Verklaring ook daadwerkelijk op vele plaatsen gefunctioneerd.
Ik weet uit eigen ervaring, hoe b.v. in Emmeloord en in Apeldoorn het in 1975 op landelijk niveau bereikte resultaat een middel is geweest om elkaar ook plaatselijk als Chr. Gereformeerden en Ned. Gereformeerden te verstaan in elkaars eigenheid alsook in de fundamentele verbondenheid met elkaar. Twintig jaar later vraag je je verbijsterd af hoe de geciteerde woorden de schrijver destijds uit de pen konden vloeien. Wat een flagrante miskenning van de werkelijke stand van zaken. Immers, tot op de huidige dag is het onderhavige punt wel degelijk als geschilpunt toch ook onze gesprekken op lándelijk niveau blijven domineren, tot op de laatste ontmoeting tussen uw Deputaatschap en onze Kommissie toe. Ja, van Chr. Geref. zijde is zelfs al meer dan eens betoogd, dat het vandaag ondenkbaar zou zijn, dat een dergelijke Gemeenschappelijke Verklaring alsnog tot stand zou komen. En het doet pijn, dat de meerderheid van uw Deputaatschap zelfs van mening is, dat de uitkomst van die gesprekken eenwording van onze kerken op dit moment ten enenmale verhindert. Een verhindering juist op een punt, waar plaatselijk gemeenten uit uw verband met behulp van die Gemeenschappelijke Verklaring de onze zijn gaan herkennen en erkennen als gemeenten van Christus.
Aard van de verschillen
Overigens hebben we van uw zijde nog steeds geen uitsluitsel ontvangen over de vraag of de inderdaad nog bestaande verschillen op dit punt nu wel of niet binnen de grenzen van Schrift en belijdenis vallen. Waarom gaat u een eenduidig antwoord op de door uw eigen synodes gestelde vraag nu al jaren zo hardnekkig uit de weg?
Immers, uw synode van Groningen 1989, had uw Deputaten al opgedragen hierover tot een duidelijk en onderbouwd advies te komen! Ik verwijs in dit verband naar het klemmende appèl, dat onze Landelijke Vergadering van Apeldoorn in een recente brief aan uw vergadering tot u deed uitgaan "om uit te spreken, dat de overgebleven verschillen vallen binnen het raam van de gereformeerde belijdenis". Maar ook in het rapport van uw synodale commissie, wordt een uitspraak, die hier eindelijk de zo gewenste helderheid biedt, en die overigens ook een groot deel van uw eigen kerken raakt, pijnlijk gemist.
Verder blijven wij, zoals ook in de brief van onze L.V. aan uw synode is aangegeven, grote moeite hebben met de taxatie van onze standpunten door uw Deputaten. Voor de zoveelste keer te worden beschuldigd van Remonstrantisme en van het tekortdoen aan ons geloof in Gods soevereiniteit, doet geen recht aan wat onzerzijds uit den treure daar tegenin is gebracht. Dit wordt door ons ervaren als een bedenkelijke aantasting van onze gereformeerde integriteit.
Uw synodecommissie schrijft in haar rapport, dat het onbevredigend is, dat het gesprek over de toeëigening des hei Is niet tot een afronding kon komen. Als met 'afronding' bedoeld is, dat we elkaar over de hele linie zijn genaderd en in dezen dezelfde taal spreken en dezelfde accenten plaatsen, nee, dan moet inderdaad worden toegegeven, dat het daartoe niet heeft kunnen komen. Maar is een gesprek pas afgerond als de gesprekspartners het voor de volle 100% met elkaar eens geworden zijn?
O.i. is het gesprek wel degelijk afgerond in die zin, dat we zo langzamerhand wederzijds van elkaar mogen weten wat onze standpunten en positiekeuzes zijn. En dat u dus voldoende van ons kunt weten om tot een afrondend oordeel te komen.
Positie van de samenwerkingsgemeenten
Mag ik nog eens met u teruggaan naar twintig jaar geleden. Ik heb niet de gelegenheid gehad om na te gaan hoe in 1975 in de Chr. Geref. pers de Gemeenschappelijke Verklaring aan de kerken is bekend gemaakt.
Maar ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen, dat dit fundamenteel anders is geweest dan in Opbouw. In elk geval is daar aanvankelijk in de wederzijdse kontakten na 1975 niets van te merken geweest. Toch is het een niet te verdoezelen feit, dat de verhoudingen tussen onze kerkverbanden op landelijk niveau in de loop der jaren aanmerkelijk zijn bekoeld en verkild. Hebben vroegere Chr. Geref. synoden de kerken opgeroepen de eenheid met onze kerken te zoeken, omdat dit een gebod van onze Heer en Heiland Jezus Christus is, uw synode van Apeldoorn 1992 kwam niet verder dan het advies "bij het onderhouden van contact met de Nederlands Gereformeerde Kerken de eenheid binnen eigen kerkverband te bewaren". Hier werd duidelijk de blik meer naar binnen dan naar buiten gericht. Zet deze tendens zich onder u voort? Met schrik en verslagenheid lazen wij in het laatste rapport van uw Deputaten Eenheid, dat aan uw synode de suggestie van sommige Deputaten wordt meegegeven om de samenwerkingsgemeenten, die dus juist uitermate consequent de oproep van vorige synodèn serieus genomen hebben, in de toekomst daarvoor te straffen door hen mogelijk voor de keus te stellen tot welk kerkverband zij willen behoren. Het is voor ons onvoorstelbaar, dat in uw midden op dit niveau serieus met dergelijke gedachten wordt gespeeld. AI verstaan wij, dat meerderen onder u zorgen hebben over een independentistische tendens binnen ónze kerken, bij u daarentegen zien wij in dergelijke uitlatingen het gevaar opdoemen van een heersen van het kerkverband over plaatselijke kerken. Maar is het geen algemeen erkend beginsel van gereformeerde kerkregering, datde ene kerk (of groep van kerken) niet over de andere heersen zal? We hopen dan ook van harte, dat een dergelijke suggestie in uw vergadering als volstrekt onbespreekbaar ter zijde wordt
geschoven.
Les van het verleden
Ik memoreerde zoëven, dat twintig jaar geleden de Gemeenschappelijke Verklaring t.a.v. de toeëigening des hei Is tot stand kon komen tot grote blijdschap en dankbaarheid van hen, die daar van weerskanten bij betrokken waren.
En bij die dankbaarheid werd uiteraard heel nadrukkelijk God als de gever van die gevonden en erkende eenheid betrokken. Na twintig jaar zijn we eerder verder van elkaar verwijderd dan dichter tot elkaar genaderd.
Hoe wordt door ons vandáág God bij deze verdrietige ontwikkelingen betrokken? Is Hij blijvend onze hoop en verwachting nu wij de wegen tot elkaar geblokkeerd zien? Ik denk aan een episode uit onze gemeenschappelijke voorgeschiedenis. Ik bedoel de periode van grote spanningen in de jonge Afgescheiden kerken in de vorige eeuw, ooit getypeerd als de 'crisis der jeugd'. Wat is er toen veel twist en tweedracht geweest - over de psalmberijming, over de kerkenordening, over de voorwaarden waarop men van de overheid vrijheid van godsdienstoefening zou mogen vragen, alsook over de gemeentebeschouwing en over de toeëigening des hei Is. Er deed zich, met name rondom de zaken van prediking en gemeentebeschouwing, al gauw groepsvorming voor. AI op de tweede synode van de Afgescheidenen, die in 1837 in Utrecht bij elkaar kwam, was het goed mis. Merkwaardig is wat één van de hoofdrolspelers, ds Simon van Velzen, daarover schrijft in zijn memoires:
Het was toen in de hitte der vervolging. Nacht en dag stond voor den ingang van het gebouw, waarin de vergadering gehouden werd, een schildwacht met zijn geweer, om niemand boven het beruchte twintigtal binnen te laten.
Nochtans hadden de 24 leden middel gevonden daar bijeen te zijn. Veertien dagen lang moesten de leden, om door de schildwacht niet te worden afgewezen, indien ze zich buiten het gebouw begaven en niet weder zouden binnengelaten worden, bij elkaar blijven. Ze aten, dronken, sliepen gemeenschappelijk in de zelfde vertrekken, deden, niet slechts in de vergadering, maar bij het ontwaken en als ze zich ter rust begaven en dan steeds knielende, met elkaar hun gebed. En toch in deze synode heerschte grote verdeeldheid van gevoelens tot het einde toe»
Na een aantal roerige jaren wordt in 1843 opnieuw een synode samengeroepen. Maar nog voor het officiële begin van de synode ligt m.n. ds Scholte op bepaalde punten dwars, waardoor samen vergaderen onmogelijk blijkt. In zijn boekje De crisis der jeugd schrijft prof. Bouwman daarover: Het pijnlijke van de toestand werd in de vergadering diep gevoeld. Het hart gevoelde behoefte zich te sterken in gezang en gebed. Vurig stegen herhaaldelijk de gebeden opwaarts. Maar men kon niet tot de eenheid komen.' Scholte, maar ook Brummelkamp en van Raalte vertrekken. Hun weggaan is voor velen diep verdrietig. Sommigen hebben tranen in de ogen. Wat moet gedaan worden? De overgeblevenen besluiten zich nu toch als synode te constitueren. Maar al gauw ontstaat er nieuwe onenigheid. Op een bepaald moment verklaart de praeses dat verder vergaderen onmogelijk is. Men besluit dan te doen alsof er geen synode geweest is.
En tenslotte knielt heel de vergadering, in diepe verootmoediging over de onenigheid, neer voor Gods troon, de machtige en trouwe Koning der gemeente de noden van Sion opdragend."
Noodzaak van het gebed
De geschiedenis van de Afgescheiden kerken, onze gemeenschappelijke voorgeschiedenis, is de geschiedenis van kleine, vaak ook kleingeestige mensjes. Koninkjes in eigen huis, die niet makkelijk de nek voor anderen wilden buigen. Strijders voor eigen gelijk, die lang niet altijd de breedheid van het heil zagen. Maar, en daar gaat het me in dit verband om, deze mensen wisten wel wat bidden was. Zij zochten in de hitte van de strijd telkens weer gelegenheid om sámen op de knieën te gaan voor Hem, die alleen kan helen wat wij breken en scheuren. Stonden zij weer op, dan stonden ze ook al te vaak weer op tegen elkaar. En toch was er als een onderstroom ook die bewogenheid. Met de ogen open zagen zij hun verschillen als levensgroot en onoverkomelijk. Maar op hun knieën en met de ogen dicht zagen zij Hem, die toch hun aller eenheid was. En die in zijn genade en barmhartigheid uiteindelijk de eenheid gaf, die zij zo schuldig verspeelden.
Kennen wij, Ned. Gereformeerden, Christelijke Gereformeerden, Vrijgemaakt Gereformeerden, Gereformeerde Bonders en wie verder ook maar in dit verband te noemen zijnkennen wij ieder voor zich, maar vooral ook samen met elkaar dit hartstochtelijk gebed vandaag nog? Waar dat gebed voortdurend en met een verbroken hart herhaald wordt, hoeft de afstand tot de dankbaarheid van twintig jaar geleden niet zo groot te zijn. Want dan zijn we èn in de dankbaarheid èn in de verslagenheid dicht bij onze Heer, die ons kerkelijk leven leidt. Daar waar de breuk en de gescheidenheid ons ondraaglijke pijnen bezorgt, dáár is de eenheid voor het geloofsoog in het verschiet. Zalig, die met tranen in de ogen hongeren en dorsten' naar gerechtigheid.
Naar gerechtigheid - dat is naar de rechte verhouding tot God èn tot elkaar. Zalig, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, d.w.z. naar de toeëigening van het heil, de heelheid in alle verhoudingen. Want zij zullen verzadigd en verkwikt worden. Dat deze honger en dorst, die tot vurig bidden en smeken brengt, onder ons, gereformeerde belijders, meer ervaren mag worden!
Reactie
In een eerste reactie op mijn toespraak werd mij verweten, dat ik wel anderen een spiegel voorhield, maar daarbij vergat zelf ook in die spiegel te kijken. Immers, sinds 1975 is er in onze kerken toch sprake van een bepaalde ontwikkeling, die ook een blokkade vormt op de weg naar eenwording. In dit verband worden dan met name de besluiten van onze laatste L.V. genoemd t.a.v. het openlaten van de mogelijkheid zusters te roepen tot het diakenambt en onze beslissingen m.b.t. het A.K.S. en het ondertekeningsformulier. Prof. W.H. Velerna sprak als zijn oordeel uit, dat wij als Ned. Geref. Kerken daarmee een zware hypotheek legden op met name de samenwerkingsgemeenten, die al tot volledige integratie zijn overgegaan, en die door de genoemde besluiten van de L.V. van Apeldoorn voor de keus gesteld worden op deze Ned. Geref. lijn verder te gaan of in het spoor van de Chr. Geref. Kerken te blijven. Achteraf gezien meen ik in mijn toespraak tot de synode inderdaad te weinig begrip te hebben getoond voor de moeiten, die in Chr. Geref. kring bestaan met betrekking tot de genoemde ontwikkelingen.
Hoewel op de taxatie van die ontwikkelingen nog wel het een en ander af te dingen valt. Maar ik had er op z'n minst meer blijk van mogen geven, dat ons kerkelijk reilen en zeilen bij een groot deel van de Chr. Geref. kerken verontrusting oproept. Dat zij bij dezen gezegd. Ik had dat graag ook nog eens ter synode zelf gedaan. Maar toen ik daarvoor aan de praeses gelegenheid vroeg, achtte hij het wijzer om dat toch niet te doen.
In het volgende nummer van Opbouw zal ik breder ingaan op de voorstellen, die de synode te bespreken kreeg en de beraadslagingen daarover. Nu kan ik alvast wel zeggen, dat de overwegende teneur van de besprekingen is geweest nog terughoudender te worden in de kontakten. En met name de positie van de samenwerkingsgemeenten dreigt een bijzonder moeilijke te worden. Ik denk, dat in de komende jaren deze gemeenten meer en meer de testcase zullen worden voor de onderlinge verhoudingen.
Noten:
1. Opbouw, 19e jaargang, nr. 46, pag. 366.
2. Zie noot 1
3. J.A. Wonnser, Een schat in aarden vaten, dl. J, Nyverdal, 1915; pag. 66.
4. H. Bouwman, De crisis der Jeugd, heruitgave door C. Smtts, 1976, pag. 52.
5. H. Bouwman, a.w., pag. 57.