Ingezonden
1994-02-25
Trouwen of samenwonen, cultuur of norm?- Jaargang 38
- nummer 4
Toen Abrahams knecht van Labans woning terugkeerde in het Zuiderland en Rebecca meebracht, kwam een peinzende Izaak hen tegemoet. Na een kort onderhoud, waarbij Izaak en Rebecca aan elkaar. werden voorgesteld, wordt ons in Genesis 24:67 verslag gedaan van één van de kortste verkeringen uit de menselijke geschiedenis.
We lezen in die passage het volgende (ik citeer uit de vertaling van het NBG): "Toen (d.w.z. na de kennismaking AB) bracht Izaak haar in de tent van zijn moeder, en hij nam Rebecca, en zij werd hem tot vrouw, en hij kreeg haar lief ..." Ik breng u deze passage in herinnering, omdat deze aartsvaderlijke huwelijksvoltrekking geen plaats kreeg in het rijtje teksten waarmee ds.
J.M. Mudde zijn onlangs in Opbouw verschenen artikelen reeks over relaties en relatievormen aanving.
Metafoor
Het is ook wel wat wonderlijk deze tekst te gebruiken in het kader van huwelijk en samenwonen, zult u misschien zeggen. Dat is ook zo. Maar laten we eens kijken naar de teksten die ds. Mudde van betekenis acht wanneer hij spreekt over samenwonen. Ik moet u bekennen dat ik met stijgende verbazing onder het kopje samenwonen de volqende' teksten zag staan.
De perikoop uit Ezechiël die ds. Mudde van belang vindt in verband met samenwonen, namelijk hoofdstuk 16:1-8, is een bijbelgedeelte met een bij uitstek metaforische strekking, waarin Jahwe het volk Israël vergelijkt met een ontrouwe vrouw. Naar mijn idee is het verhaal van Izaak en Rebecca _ relevanter voor dit onderwerp dan deze tekst. In de eerste plaats is, juist vanwege het metaforische karakter van het gedeelte, de verbinding met wat wij nu "samenwonen" noemen geheel afwezig. In de tweede plaats gaat er een kwalijke en kwetsende implicatie van dit soort schrifttoepassing uit. Ds. Mudde plaatst hiermee samenwonen in een sfeer van ontrouw en ontucht.
Samenwonen = ontrouw?
We lezen verder. Voor de duidelijkheid schrijf ik de twee volgende teksten helemaal uit, bovendien heb ik een aantal cursiveringen aangebracht. In Spreuken 2 komt de vreemde vrouw ter sprake die gladde woorden spreekt. In vers 17 staat dat zij iemand is " ...die de echtvriend van haar jeugd verlaat, en het verbond met God vergeet."
In Maleachi 2:4 staat: " ...Omdat de Here getuige is geweest tussen u en de vrouw van uw jeugd, aan wie gij ontrouw geworden zijt, terwijl zij toch uw gezellin en uw wettige vrouw is."
Ik schrok. Hoe nu? Dit lijken mij staaltjes van zeer opmerkelijk schriftgebruik.
Menigeen kent wel lieden in zijn of haar omgeving die samenwonen.
Toch zullen er, zeker in onze kringen, weinigen zijn, die samenwonen in een sfeer van ontrouw en promiscuïteit en ook wordt het verbond met God niet altijd vergeten; er wordt zonder twijfel wel eens een glad woord gesprokenook onder gehuwden overigensmaar voor het overige gaan deze teksten over iets geheel anders. Het is jammer dat ds. Mudde reeds bij het begin van zijn artikelenreeks zowelinhoudelijk, als wat betreft de toon, de plank misslaat. Zeker wanneer hij even verderop in zijn artikel schrijft dat hij deze Schriftwoorden normatief acht. Het is mij niet duidelijk waarom hij deze teksten toepasselijk vindt, wanneer hij verderop in zijn artlkeren"
schrijft dat hij geen christen-jongeren kent die samenwonen om te experimenteren en uit te proberen. Waarom legt hij een verband tussen samenwonen en ontrouw, als hij verderop schrijft dat de meeste jongeren die samenwonen dat op een serieuze manier doen? Hij benadrukt weliswaar het samenvattend karakter van zijn stuk, maar dat kan nauwelijks een excuus zijn om kwetsend te spreken over mensen die een andere vorm van samenleven hebben gekozen dan die waarvan hij vindt dat deze in de Schrift voorgeschreven wordt. Het laatste is bovendien maar zeer de vraag.
Samenwonen als symptoom
Het voert wat ver en het zou ook te veel ruimte vergen om op alle punten die ds. Mudde aansnijdt in te gaan.
Toch wil ik een aantal kanttekeningen zetten bij zijn artikelen reeks. Om te beginnen zal duidelijk moeten zijn dat er verschillende vormen van samenwonen zijn, zoals dat ook zo is met huwelijken (denk maar aan schijnhuwelijken, huwelijken voor het geld etc.). Volgens mij wordt het gesprek over huwelijk en samenwonen aanmerkelijk duidelijker als we een onderscheid maken tussen enerzijds samenwonen als substituut voor het huwelijk of als aanloop naar het huwelijk en anderzijds samenwonen als proeftuin om te experimenteren of als platform van een niet aflatende stroom wisselende contacten. Wat mij betreft staat die tweede vorm van samenwonen niet ter discussie. Ik bedoel dat ik me wat die vorm betreft grotendeels kan aansluiten bij wat ds. Mudde schrijft. Is het overigens niet zo dat waar (zeker in onze kringen) mensen zo relaties bouwen, er meer aan de hand is? Dergelijke vormen van samenwonen zijn altijd een symptoom van laat ik het maar randkerkelijk gedrag noemen, als ze al voorkomen.
Vorm en aard
Eén van de moeilijkheden in de discussie is dat een heden ten dage vigerend gebruik (het ten stadhuize aangaan van een band voor het leven) verward wordt met een norm die Jahwe ons gesteld heeft. Het komt mij steeds meer voor dat de tegenstelling die gemaakt wordt tussen het huwelijk en de consciëntieuze vorm van samenwonen, de vorm die ook ds.
Mudde dikwijls zegt aan te treffen, een onjuiste is, een valse antithese. De Schrift is helemaal niet zo eenduidig op het gebied van de huwelijkssluiting en de vorm waarin het huwelijk gegoten wordt. In de ene periode is het huwelijk meer burgerlijk en kerkelijk geïnstitutionaliseerd dan in andere.
Wel is de Bijbel duidèlijk over de aard van de relatie tussen man en vrouw.
Enkele van de meest centrale begrippen hierbij zijn: liefde, trouw, éxclusiviteit en betrokkenheid op de Schepper.
Hierover zou het gesprek moeten gaan, het gesprek met mensen die samenwonen èn met hen die in het stadhuis gehuwd zijn. Zo bezien is de gang naar het stadhuis een cultureel bepaalde zaak, geen verkeerde, maar ook geen normatieve.
Geen succes
Als mensen hun samenwonen gewetensvol inrichten, dat wil zeggen hun gezamenlijke leven aan Jahwe opdragen en één en ander goed regelen, bijvoorbeeld voor het aangezicht van een notaris, dan lijkt mij niet dat zo'n verbintenis staat in het teken van ontrouw.
Andere argumenten dan die van culturele - en wat mij betreft esthetische - aard heb ik ter verdediging van het thans gangbare huwelijk nog nooit gehoord, ook niet van ds. Mudde.
Persoonlijk vind ik het huwelijk de beste en mooiste vorm die ik ken en ik ben geen voorstander van samenwonen, dit om ieder misverstand te vermijden.
Graag wil ik een lans breken voor de hedendaagse vorm van het huwelijk, maar niet op de martiale wijze van ds. Mudde. Ik ben bijgevolg niet tegen het huwelijk (sterker nog: ik hoop zelf binnenkort met mijn ondertrouwde vrouw de gang naar het stadhuis te maken), maar het is niet per definitie de enige juiste samenlevingsvorm.
Waar het mij in mijn reactie op de artikelen van ds. Mudde dan ook om gaat is de verbetenheid en resoluutheid waarmee hij samenwonen veroordeelt als wezensvreemd aan een christelijke levenswandel en de toon die hij daarbij gebruikt.
Op pagina 436 schrijft ds. Mudde dat de bescherming van de wetgever belangrijk is, maar geen garantie biedt.
Hij schrijft: "Samenwonen is niet tot mislukken gedoemd, en trouwen bij voorbaat geen succes" (Ik denk trouwens dat ik hier geschreven zou hebben" ... niet bij voorbaat een succes".) Een waarwoord, zeker, maar wat betekent de huidige wetgever nog voor het huwelijk?
Op alle fronten is of wordt samenwonen gelijkelijk beschermd en is het verschil tussen getrouwden en samenwonenden aan het verdwijnen. Hier wordt, door ds. Mudde en anderen, een cultureel-maatschappelijk instituut verdedigd, terwijl de cultuur en de maatschappij een andere weg inslaan.
Het doet me een beetje denken aan het principieel verwerpen van de televisie, fietsen op zondag, preservatieven, kort haar van vrouwen en de bolvormige aarde.
Krampachtig
Het krampachtige, op prescriptieve wijze vasthouden aan het huwelijk in de huidige vorm, is daarom zo jammer dat je daardoor aan een gesprek over de aard van het huwelijk of het samenwonen niet toekomt. En als daarbij "gechargeerd" en "gegeneraliseerd"
wordt, zoals ds. Mudde toegeeft te doen dan schept dat niet de juiste sfeer. Bovendien staat dat op gespannen voet met de mooie titel van zijn brochure Kostbaar en kwetsbaar. Gechargeer en gegeneraliseer met kostbare en kwetsbare zaken leidt tot scherven en brokken.
Dualisme
Merkwaardig is de verabsolutering van het lichamelijke in het stuk van ds.
Mudde". Het is een over-accentuering van de seksualiteit die in deze discussie vaker naar voren Komt. Gesuggereerd wordt dat het lichamelijke, het seksuele "een geheel eigen plaats inneemt." Symptomatisch voor deze benadering zijn titels als Vrijen is gemakkelijker dan praten. Is het niet veeleer zo dat de seksualiteit een geïntegreerd bestanddeel is van de "totaal relatie"? Niet geïsoleerd, maar verweven met het "geestelijke" en al het andere wat maar bij het samengaan van twee mensen komt kijken.
Daar waar de seksual iteit een geheel eigen plaats inneemt, zien we praktijken als die de Schrift ons schildert in bijvoorbeeld Spreuken 2 en Maleachi 2. In dat geval geven mensen zich over aan losbandig gedrag, zijn liefde, trouwen exclusieve relaties van de baan en raakt God geheel uit het zicht.
Nee, de seksualiteit neemt binnen huwelijk of samenwonen geen eigen, geïsoleerde plaats in, gelukkig niet.
Het tegenovergestelde is eerder waar.
Juist buiten het huwelijk, buiten de exclusieve relatie tussen een man en een vrouw, zie je dat seksualiteit een geheel eigen plaats inneemt en dan gaat het altijd mis. Nee, deze dualistische manier van denken is niet heilzaam en leidt tot een verabsolutering en een overwaardering van de seksualiteit.
(Tussen haakjes: in dit verband vind ik het opmerkelijk dat over de niet-seksuele aspecten van de liefdesband tussen man en vrouw veel luchthartiger gedaan wordt. Soms vraag ik me wel eens (vrijblijvend) af, of mensen die elkaar laten we zeggen één jaar kennen "geestelijk" zover kunnen zijn dat ze gaan trouwen (zeker als je bedenkt dat ze die beslissing al namen terwijl ze nog slechts een half jaar kennis aan elkaar hadden).
Toch is mij geen kerkeraad bekend met een uitgesproken beleid op dit punt.)
Anne Bergsma, Groningen
Noten
1. Opbouw jrg. 37, p. 418
2. Opbouw jrg. 38, p. 7
3. Opbouw jrg. 37, p. 436
(In het volgende nummer hopen we het vervolg van dit artikel te plaatsen alsook een reaktie van ds Muddered.)