Plaats en taak van de medische ethiek in christelijk perspectief (1)
1994-02-25
Inleiding- Jaargang 38
- nummer 4
Het bovenstaande was de titel van de rede, die dr. J. Douma in een zeer gevulde aula uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de medische ethiek aan de Vrije Universiteit. Die leerstoel is daar gevestigd vanwege het "prof. dr. G.A. Lindeboominstituut".
Dit instituut, dat naar ik aanneem, onder onze lezers niet onbekend is, is "een centrum voor medische ethiek, dat werkt vanuit de Bijbel als het Woord van God. " Medische ethiek houdt zich bezig met vragen betreffende wat wel en niet mag in de medische beroepsuitoefening en in de relatie tussen arts en patiënt. Dat Gods Woord daarbij het richtsnoer is, is voor ons misschien vanzelfsprekend, maar in de wereld van de medische beroepsuitoefening niet. Het instituut is opgericht door onder andere de Nederlandse Patiëntenvereniging en de hogeschool "De Vijverberg" in Ede.
Prof.dr. G.A. Lindeboom, naar wie het instituut en de leerstoel zijn genoemd, is jarenlang hoogleraar in de Interne Geneeskunde geweest aan de VU.
Daarnaast heeft hij zich in toenemende mate bezig gehouden met de medische ethiek. Hij was een van de eersten, die er op wezen, dat medische ethiek meer is dan medische etiquette.
Van een bijzondere leerstoel spreken wij, als aan een universiteit, met toestemming het bestuur een hoogleraar wordt benoemd door een stichting, vereniging of ander soort instelling, die van mening is dat zij iets heeft te brengen dat van wezenlijke betekenis kan zijn voor de vorming van studenten.
Een voorbeeld daarvan vindt u in de bijzondere leerstoelen die vanwege de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte (vroeger "Wijsbegeerte van de Wetsidee" geheten) bestaan aan de meeste universiteiten. Het programma, dat een bijzonder hoogleraar biedt, bevat geen voor de student verplichte leerstof. Een bijzonder hoogleraar is dus voor zijn studenten alleen afhankelijk van de interesse, die zij in zijn vak hebben.
Moest nu uitgerekend aan de VU, die van oorsprong gereformeerde universiteit, deze leerstoel worden gevestigd?
Ik wil niet ophalen, wat allemaal heeft afgespeeld in de discussie over de grondslagen van de universiteit. U weet ongetwijfeld, dat die aanmerkelijk ruimer zijn geformuleerd, dan indertijd de oprichters voor ogen stond.
Ik wil echter citeren uit de brochure "Medische ethiek in het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit", uitgegeven in 1991.Dit ziekenhuis is immers een onderdeel van de medische faculteit, waar de bijzondere leerstoel is gevestigd. "Het VU-ziekenhuis is een ziekenhuis met een christelijke achtergrond, dte is beschreven in de doelstellingen.
De centrale inhoud daarvan is dat het VU-ziekenhuis 'al zijn arbeid wil verrichten in het licht van het evangelie van Jezus Christus'. Voor het medisch ethisch beleid van dit ziekenhuis betekent dit, dat respect voor de mens in nood en zijn zorgen en vragen van doorslaggevende betekenis moeten zijn." In de praktijk betekent dit, dat de christelijke geloofsovertuiging geen of een zeer beperkte rol speelt bij ethische overwegingen. De oprichters van het Lindeboominstituut delen die mening niet, en hebben een achterban, die graag artsen ziet, voor wie het christelijk geloof een wezenlijke rol speelt bij het functioneren als arts.
Gezien het voorgaande verbaast het niet, dat het enige jaren heeft geduurd, voor er tussen Universiteit en Lindeboominstituut overeenstemming was over het vestigen van de leerstoel. Het is echter toch zover gekomen. En als eerste hoogleraar werd benoemd dr. J. Douma, bij velen van ons bekend als hoogleraar aan de Theologische Universiteit van de Geret. kerk (vrijg.) te Kampen en als schrijver van onder andere de serie "Ethische Bezinning."
Bovendien schrijft hij regelmatig in het Nederlands Dagblad.
De rede
Na de voorgaande inleiding wil ik nu stilstaan bij de inhoud van de rede van prof. Douma, waarin hij zijn programma ontvouwde. Daarna wil ik besluiten met enkele opmerkingen.
Douma herinnerde eraan, dat wij thans worden geconfronteerd met een veelheid van morele overtuigingen, die onderling strijdig zijn en een gemeenschappelijke basis missen. Dit heeft onder andere tot gevolg, dat op het terrein van de moraal er een verschuiving optreedt van het publieke terrein naar het particuliere. Bij het openbare debat over ethische onderwerpen moeten geloofsovertuigingen thuis worden gelaten en wordt de naam van God niet meer genoemd.
Het geloof is een privé-aangelegenheid en Gods Woord hoort thuis in de kerk, maar niet in het ethische debat.
Dientengevolge onderscheidt Douma, met vele anderen, twee hoofdstromingen in de ethiek.
Twee stromingen
De dominante stroming streeft naar een voor iedereen aanvaardbare moraal met als argument, dat regels nodig zijn om te kunnen samenwerken.
Er dienen echter zo min mogelijk regels te zijn, omdat de menselijke autonomie boven alles gaat. Die regels dienen er alleen voor om te voorkomen, dat de een bij het uitoefenen van zijn vrijheid de ander in zijn vrijheid zou belemmeren.
Vaak worden vier principes als richtinggevend beschouwd in de medische ethiek. Dit zijn de principes van (1) autonomie, (2) niet schaden, (3) weldoen en (4) verdelende rechtvaardigheid.
Van deze vier wordt het eerste als het belangrijkste beschouwd. Men is in de eeuw van de mondige mens vuurbang, dat die mondigheid en het zelfbeschikkingsrecht van de mens op enigerlei wijze wordt aangetast.
Tegen deze overwaardering van de menselijke autonomie zijn natuurlijk bezwaren ingebracht. Douma noemde er enkele. Het eerste bezwaar is, dat de patiënt helemaal niet zo autonoom is, omdat hij door zijn ziekte niet autonoom kan functioneren. Een ziekte heeft immers ook invloed op het denken en concentratievermogen van een patiënt. De nadruk op autonomie leidt ertoe, dat de arts-patiënt-relatie gezien wordt als een contractrelatie.
Voor zo'n relatie zijn twee gelijkwaardige partijen nodig. Dat is bij arts en patiënt niet het geval. Douma wil dan ook liever spreken van een verbondsrelatie.
Verder wees hij erop, dat autonomie en rechtvaardige verdeling van schaarse goederen strijdig kunnen zijn. Denk maar aan wat er staat in het rapport 'Kiezen en delen' van de commissie-Dunning.
Een tweede bezwaar, dat Douma noemde, betreft het verdwijnen van de morele discussie uit het publieke debat.
Dit hangt samen met de verschuiving van het publieke naar het particuliere terrein. Door de autonomie en de daarmee samenhangende keuzevrijheid wordt het morele debat kortgesloten en dat is jammer, want dan komen wij niet verder dan een discussie over ·zorgvuldigheidseisen. U behoeft alleen maar terug te denken aan de discussie, die in de Tweede Kamer is gevoerd over de euthanasie-wetgeving.
Zodoende is de medische ethiek weer een fatsoensleer geworden en gaat de technische ontwikkeling door, zonder dat er diepgaand wordt stilgestaan bij de juistheid en wenselijkheid van de ontwikkelingen.
Het derde bezwaar, vindt Douma, dat de voorgestane tolerantie kleiner is dan zij lijkt. Hoe gemeend is het respect voor autonomie, als sommigen worden uitgesloten van het debat, omdat zij hun geloofsovertuiging willen inbrengen? Als intuïties en levensbeschouwingen geen rol mogen spelen in de discussie, wordt de pluriformiteit van de meningen in de samenleving niet serieus genomen en is de beoogde neutraliteit een fictie.
Tegenover de hiervoor beschreven stroming onderscheidde Douma een tweede. Deze wordt onder andere gekenmerkt door kritiek op de eerste, en vaak ook door wantrouwen jegens de medische technologie. Douma deelt wel de kritiek, maar niet het wantrouwen.
Een probleem noemde hij, dat deze stroming terecht stelt, hoe het niet moet, maar zelf geen alternatief biedt.
Douma zelf stelt zich tot doel, vanuit christelijk perspectief expliciet zijn standpunt uit te dragen. Ook in het wetenschappelijk gesprek moet, naar zijn mening, spreken over God mogelijk zijn. Als wij menen dat ons hele bestaan door Hem wordt bepaald, kunnen wij in ons werk niet doen, alsof Hij er niet is. Zo'n vooronderstelling is niet te bewijzen, maar daar vanuit kan volgens hem wel degelijk wetenschappelijk werk worden verricht. Ondanks het misbruik dat er soms van wordt gemaakt, wil Douma bij de ethische discussie daarom vasthouden aan het beroep op Gods spreken in de Heilige Schrift.
Het standpunt van Douma
Welk standpunt heeft Douma zich nu als taak gesteld, uit te dragen?
De mens is het beeld van God. Daardoor heeft de mens een hoge waarde en een grote verantwoordelijkheid. Dat beeld-van-God-zijn komt onder meer uit in de relaties waarin de mens is geplaatst. Als eerste noemde Douma de relatie van de mens tot God. In deze relatie horen wij eerst het Woord van God. Daarop volgt het ant-woord van de mens. Hij ziet dit geconcretiseerd in de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens. In de medische context vraagt dit bijvoorbeeld om "informed consent" (toestemming op basis van voldoende en begrepen informatie) en het eventueel durven weigeren van een behandeling.
De tweede relatie is die tot de medemens.
Deze wordt volgens Douma bepaald door het "Wat gij wilt dat de mensen u doen, doet gij hun evenzo".
Dit betekent enerzijds een afwijzen van absolute eerbied voor het leven, maar anderzijds ook van uitspraken als: "Hij is door de bodem van zijn bestaan gezakt". Over mensen van wie onze maatschappij dit laatste zegt, denk aan de melaatsen, was Jezus met ontferming bewogen.
Als derde wees Douma op de relaties, die de mens heeft in allerlei verbanden.
Daarin geldt de gedeelde verantwoordelijkheid van het: "Ieder het zijne en samen het onze". Voor de gezondheidszorg noemde hij daarbij nadrukkelijk de relatie tussen arts en patiënt met hun verschillend geaarde wederzijdse rechten en plichten, maar ook die tussen patiënt en overheid als het gaat over verdeling van schaarse goederen.
Als laatste aspect van het beeld-Godszijn van de mens noemde Douma de opdracht, de aarde in cultuur te brengen.
Hieronder valt ook het medischbiologisch onderzoek. Met name op het terrein van het DNA-onderzoek worden wij dan geconfronteerd met de vraag, of wij beeld van God willen zijn, of god (of God?) zelf. Anders geformuleerd: rentmeester of beter dan God?
Hij kiest uiteraard voor het rentmeesterschap en hij wil daarin en in zijn onderzoek en onderwijs de lijn volgen van Lindeboom.
Enkele opmerkingen
Tot zover de rede van Douma. Wij wensen de stichting "prof. dr. G.A. Lindeboominstituut" geluk met de bereikte mijlpaal en wensen de, voor deze leeropdracht nieuwe, hoogleraar wijsheid toe bij zijn moeilijke taak.
Rest echter de vraag, waarom "Opbouw"
aandacht aan deze gebeurtenis zou besteden. Eén van de antwoorden op die vraag is, dat wij allemaal te maken hebben of krijgen met wat zich afspeelt op het terrein van de medische ethiek. Mede daardoor zijn de meeste onderwerpen die Douma aansneed, voor ons van direct belang en moeten ook wij erover nadenken. Eén van de verdiensten van Douma's rede was, dat hij bij mij allerlei impulsen opriep tot discussie. Dit is geen negatieve kritiek. Ik heb hem doorgaans met instemming aangehoord. Het is juist goed, dat hij tot discussie uitlokt.
Daardoor kunnen wij verder komen in de ontwikkeling van onze inzichten. Ik wil in het navolgende kort op enkele punten ingaan.