Zo vader, zo zoon...

1994-02-25
  • Jaargang 38
  • nummer 4
"Natuurlijk wil ik lid zijn van de gemeente.
Maar ik heb geen tijd om aan kerkelijke aktiviteiten mee te doen. En met die mensen in de kerk heb ik ook niets, ik wil met mensen op ons nivo kunnen praten en die zijn er niet. De preken gaan wel hoor, daar heb ik niet zoveel kritiek op. De ene keer wat beter dan de andere keer, maar dat kan er best mee door. Je kunt merken dat de dominee in ieder geval studie maakt van zijn preken. Maar ik kom maar één keer naar de kerk, want ik heb een drukke baan en ik moet ook af en toe eens thuis zijn of een boswandeling kunnen maken."
Erg inzetbaar was deze broeder dus niet in de gemeente. En hij had er zo zijn redenen voor. Het was alsof de christelijke gemeente volgens hem hoorde te bestaan uit academici en leden van de Rotary, daar kon hij tenminste mee praten. Wat kon je eigenlijk leren van bejaarde mensen, van arbeiders in de papierfabriek, van een eenvoudige onderwijzer?
Zijn oudste zoon Rogier had ook zo zijn eigen gedachten over de gemeente.
"Met wie kan ik hier eigenlijk praten? Met niemand toch? Verkering met iemand uit de kerk? Kijk nou eens naar die meiden op catechisatie. Zodra het over een interessant onderwerp gaat vinden ze het te moeilijk worden. Jeugdvereniging? Mij niet gezien. Ik kan mijn tijd wel beter gebruiken!"
Hier ging het gezegde op: zo vader, zo zoon.
Na een tijdje haakte Rogier af, hij zag het met het geloof niet meer zitten. Dat was geen wonder, want wie in deze tijd als jongere geen geestelijke voeding meer krijgt van andere christelijke jongeren en maar af en toe naar de kerk gaat, raakt bijna altijd de weg naar de kerk kwijt.
Rogier haakte ook af op school. De druk vanuit het gezin dat hij prestaties moest leveren was hem teveel geworden.
Hij wilde of kon niet meer verder leren. Hij wist ook niet wat hij nu moest gaan doen in de maatschappij.
De baantjes lagen niet voor het oprapen en welke minder geschoolde baan kon er eigenlijk voldoen aan de eisen van zijn vader?
De vader was teleurgesteld in zijn oudste zoon. Of misschien beter: hij schaamde zich. "We vinden het heel jammer dat Rogier zijn opleiding niet heeft afgemaakt. En we hebben hem toch geen strobreed in de weg gelegd.
Hij hoefde nauwelijks mee te helpen in huis, want we wisten hoe druk hij het had. Het lijkt wel of hij alles naast zich neerlegt. Neem nu eens zijn manieren!
En let eens op zijn kleding! Dat stelt niks voor. Mijn vrouwen ik weten uit ervaring hoe belangrijk het is dat je de etiquette in acht neemt. Als je dat niet doet, kom je echt 'niet hogerop in de maatschappij. Maar hij vindt dat onbelangrijk.
Dat snap ik echt niet, we hebben toch echt het beste met hem voor." "En ..." vervolgde de vader, "mijn moeder vindt het heel erg dat haar oudste kleinzoon niet meer naar de kerk gaat." Dat dus ook nog. Alleen leek de vader dit meer een probleem voor zijn moeder te vinden, dan voor hemzelf. Arme vader. Hij moest perfect zijn, dus de opvoeding moest ook perfect zijn en het resultaat uiteraard ook. Arme vader. Ondanks zijn perfectionisme moet hij zelf ook nog veel leren. Bijvoorbeeld dat je je kinderen niet kunt dwingen om je eigen perfectionisme precies te volgen. Maar wat erger is: de zoon heeft een verkeerde boodschap van zijn vader wél van zijn vader overgenomen: de kerk is eigenlijk niet goed genoeg voor ons slag mensen. De gaven die God aan de hele gemeente en aan ieder lid afzonderlijk heeft gegeven werden door Rogier niet opgemerkt. Eigenlijk had zijn vader hem dat onmogelijk gemaakt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief