Alledaagse echo’s van Gods zegen
2010-06-11
Zegenen heeft een ruime ingang in het kerkelijke leven gekregen. Bij allerlei gelegenheden zegenen christenen elkaar, al dan niet met handoplegging, los van het ambt en buiten de kerkdiensten. Hoe ging dat in Bijbelse tijden? Bijvoorbeeld in het boekje Ruth…- Jaargang 54
- nummer 12
Ruth, kan het gewoner en alledaagser? Geen boek over koningen, priesters of profeten, maar over boeren en boerinnen. Geen verhaal over geslaagde mensen, maar een verhaal over geslagen mensen. Maar juist in dat opmerkelijk alledaagse boekje speelt het zegenen een hoofdrol.
Kantelpunt
Centraal in het boek staan Noömi en haar schoondochter Ruth. Twee door tegenslag geplaagde vrouwen. Hoe Noömi er na het overlijden van haar man en zonen aan toe is klinkt door in hoe zij genoemd wil worden: Noem mij geen Noömi (Gelukkige) noem mij maar Mara (Bittere), want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt. Het Bijbelboek nu verhaalt dat gaandeweg de glans weerkeert over het leven van Noömi en Ruth. En aan het slot van het boek wordt Noömi omringd door blijde buurvrouwen die met recht tegen haar kunnen zeggen: Gezegend zij de HERE! De situatie van Noömi is compleet gekeerd en het kantelpunt is, dat Ruth en Noömi terecht komen in een sfeer van zegeningen.
Zuivere sfeer
In Bethlehem gaat de verarmde Ruth aren lezen achter de maaiers. In welke sfeer komt deze kwetsbare jonge weduwe terecht? Dat blijkt als de eigenaar zijn akker opzoekt en zijn arbeiders begroet. Over het gersteveld klinkt geen ‘Hallo’ of ‘Dag’, maar De HERE zij met jullie en De HERE zegene u. Het heeft iets van een liturgisch moment. Maar wat zeggen die woorden? Zijn groeten als ‘Grüß Gott’, ‘Adieu’ en ‘Vaya con Dios’ geen uitgeholde frasen? Wel, het valt op dat deze – niet ongebruikelijke! – zegengroeten in Ruth in hun geheel uitgeschreven worden. Daardoor wordt hun betekenis onderstreept. Boaz creëert op zijn akker ook daadwerkelijk een zuivere sfeer waarin kwetsbare mensen gedijen kunnen. Hij geeft aandacht aan Ruth en neemt haar (en zo Noömi) op allerlei manieren in bescherming. Zij krijgt alle ruimte om aren te lezen, mag niet lastig gevallen worden en wordt ook nog van drinken voorzien.
Om Boaz hangt de sfeer de messiaanse koning van Psalm 72. Hoezeer hij met erbarming bewogen is blijkt ook uit zijn reactie op de vraag van Ruth naar zijn motieven om haar zo te helpen. Boaz geeft aan op de hoogte te zijn van het offer dat zij bracht en voegt daaraan een zegen toe: Moge de HERE je daarvoor rijkelijk belonen – de HERE, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht. (Ruth 2:12)
Van zegen tot zegen
Als Ruth beladen met aren thuiskomt heeft de bijdehante Noömi meteen door dat hier iets bijzonders gaande is. Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die zo goed voor jou geweest is! Dit is het eerste positieve woord dat we uit haar verbitterde mond te horen krijgen. En als Ruth haar van Boaz vertelt valt het muntje: Moge de HERE hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden. Vanaf dit punt verloopt het verhaal bijna als een sprookje en telkens speelt de zegen daarin een rol. Als Ruth ‘s nachts Boaz opzoekt en hem vraagt als losser op te treden is zijn eerste reactie: Moge de HERE je zegenen! Nu, die woorden missen hun uitwerking niet, al heeft de zegenende Boaz daar zelf de hand in. Hij neemt Ruth tot vrouw en verklaart zich bereid zo de naam van haar overleden man Machlon te laten voortleven op zijn land (leviraatshuwelijk). De oudsten, onder de indruk hiervan, spreken op hun beurt een zegen uit: De HERE geve dat de vrouw die in uw huis komt zal zijn als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël groot hebben gemaakt, zodat ook u groot zult zijn in Efrata en uw naam in Betlehem zal voortbestaan. Moge uw huis worden als het huis van Peres, de zoon van Tamar en Juda, en wel door de kinderen die de HERE u bij deze jonge vrouw zal geven. En als deze zegenbede door de HERE vervuld is, zegenen de buurvrouwen de HERE: Gezegend zij de HERE, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan!
Hiermee is de cirkel rond: van de HERE, in wiens naam mensen zegenen, gaat zegen uit en om die reden zegenen mensen zijn naam.
De schoonheid van het boekje Ruth licht ondermeer op in de wijze waarop de betrokkenen met zegenen omgaan.
Echo’s
Het hele leven, het gewone leven is doortrokken van zegenen en gezegend worden. Op het veld, in de poort en in de buurt, spreken mensen – mannen en vrouwen, heren en knechten – elkaar de zegen van de HERE toe. De zegenwens is niet gebonden aan typisch sacrale momenten of personen, maar vindt ook plaats tijdens begroetingen of spontaan. Ze gaan naar mijn indruk met weinig ceremonieel gepaard, zonder zwaar opgetuigd ritueel met handoplegging. Het voltrekt zich bijna terloops en tegelijk welgemeend en zeer zorgvuldig tegelijk. Dat laatste blijkt hieruit, dat elke zegen op maat van de naaste is gesneden. Er wordt niet in het wilde weg gezegend, ieder krijgt steeds een eigen, geconcretiseerde zegen.
Van betekenis is ook dit: de woorden waarmee de arbeiders Boaz begroeten in Ruth 2 zijn exact gelijk aan de eerste twee woorden van de Aäronitische zegen in Numeri 6: De HERE zegene u. Er lijkt dus een verband te zijn tussen die priesterzegen en die doordeweekse begroeting. De laatste is een echo van de eerste. En zo bereikt het volk van God de bestemming die het vanaf het begin in Gods plan heeft: Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk (Exodus 19:6).
Natuurlijk
In en om Bethlehem leeft dus een gemeenschap die iets wegheeft van een ‘koninkrijk van priesters’. Het leven van zo’n priestergemeenschap speelt zich af voor het aangezicht van de heilige God. Noties als afhankelijkheid van en aanhankelijkheid jegens de HERE spelen hierin een rol. Het gezegde ‘Aan ’s HEREN zegen is ‘t al gelegen’ is geen belegen spreuk of vrome frase, maar een bewust doorleefde realiteit. We bevinden ons mijlenver van de maakbaar geachte samenleving en kretologie als ‘Yes we can!’ (Overigens, één ernstige olieramp verder blijkt de samenleving verre van maakbaar en het menselijke onvermogen onvoorstelbaar groot.) Tegelijk is die afhankelijkheid geen kwestie van ‘Inch Allah’ en vervolgens lijdzaam afwachten, maar gaat ze hand in hand met de bereidheid een zegen te zijn. Boaz wenst niet alleen Gods zegen, hij ís een zegen, participeert met Herz und Mund und Tat und Leben in het doorgeven van die zegen. De zegeningen en de eed (Ruth 3:13) die Boaz uitspreekt zijn daarom volstrekt authentiek. Waar mensen werkelijk uit en tot de HERE leven, is het niet geforceerd, maar volstrekt natuurlijk om te zegenen.
Wijd verband
Plaatsen we Ruth in wijder Bijbels verband (zie mijn vorige artikel), dan krijgen we het volgende plaatje: de HERE God is de bron van alle zegen, van Hem gaat een zee van zegeningen uit. Vervolgens vertrouwt Hij het zijn gevolmachtigde vertegenwoordigers (de priesters) toe om Zijn zegen ook uit te spreken over en toe te zeggen aan zijn volk. De zegenende hand van de priester (of de voorganger) verzekert ons die zegen, elke eredienst weer. Ten slotte worden degenen die in de sfeer van Gods zegen leven een zegen, of ze nu ambtsdrager zijn of niet. Zij brengen anderen in het leven van alledag in die sfeer van zegen, spetteren druppels van Gods zegen op anderen. Zegenende daden en woorden gaan bij hen hand in hand. Zo althans is het de uitgesproken bedoeling van de HERE. Gods volk is immers een koninklijk priesterschap. En vervolgens kunnen mensen in die sfeer tot groei en bloei komen.
Aversie
Nederlandse christenen gaan beduidend zuiniger met de zegen om dan in het Bijbelboekje Ruth – en het Nieuwe Testament! – het geval is. Elkaar zegenend groeten is er normaal gesproken niet bij, of het moet zijn dat een enkeling op Nieuwjaarsdag zegt: Veel heil en zegen. Slechts weinigen hebben de vrijmoedigheid om na de kerkdienst een pasgetrouwd stel Gods zegen toe te wensen. Het zit niet zo in ons taalveld en komt op ons daarom al gauw wat geforceerd over. Natuurlijk wensen we elkaar wel degelijk alle goeds toe en niet zelden concretiseren we die goede wensen ook, en mogelijk denken we daar ook de naam van de HERE bij, maar het noemen van zijn naam laten we achterwege. Mensen die zegenen irriteren ons zelfs een beetje. Waarom dat zo is, weet ik niet. Uitsluitend Hollandse nuchterheid? Of is het in onze ‘maakbare’ samenleving wat op de achtergrond geraakt dat aan Gods zegen werkelijk alles is gelegen? Of kan er een angst voor, een aversie tegen mooie, maar nietszeggende vrome woorden achter zitten? Die aversie kent de Bijbel overigens niet minder. Als iemands zegenwoorden loos zijn, heeft de Bijbel liever dat iemand zijn zegenende mond houdt. Wie zijn naaste in de vroege morgen op luidruchtige wijze zegent, het wordt hem als een vloek aangerekend lezen we in Spreuken 27:14. Het gaat hier niet om de harde stem die door het slaapdronken hoofd knettert. Nee, je kunt zo hard en luidruchtig zegenen dat het overkomt als ‘holle vaten klinken het hardst’. Daar heeft de Bijbel een bloedje hekel aan. Duizend keer liever een zwijger die een zegen is, dan een mooiprater waarvan geen zegen uitgaat.
Gewone leven
Toch is dit geen argument om het elkaar wensen van Gods zegen achterwege te laten. Blijkens het Bijbelboekje Ruth kunnen zegenende daden en woorden op een heel zuivere en zinvolle manier samen gaan. ‘Gewone’ mensen mogen en kunnen een middeltje in Gods hand zijn om anderen in deze wereld aan Gods zegen deel te geven. Dat gaat op een volstrekt natuurlijke manier en zonder poespas. En het gaat gepaard met het creëren van een veilige sfeer, waarin mensen werkelijk gedijen kunnen.
Het boekje Ruth biedt een prachtig en in mijn ogen uiterst aantrekkelijk plaatje van hoe de zegen binnen het menselijke samenleven door God bedoeld is. Misschien kan het ons aanmoedigen om iets vrijmoediger te worden in het elkaar toewensen van Gods zegen?
Maar heeft die ander daar wat aan? Doet dat wat, zo’n zegen? Daarover de volgende keer.
Drs. Jan Mudde is predikant van de NGK van Haarlem.