Prachtige bundel geloofsgedichten

2007-06-22
  • Jaargang 51
  • nummer 13
Van de vele geloofsgedichten die in ons christelijke vaderland verschijnen spreken die van Jaap Zijlstra mij het meeste aan. Al weer een paar jaar geleden verscheen van hem de bundel Olijftak waarin er ruim 100 verzameld zijn. Zo juist is er een goedkope herdruk van uitgekomen.

De gedichten van Jaap Zijlstra zijn het resultaat van een doorworsteld geloof:

De zon is ondergegaan / het is nacht in mij, / een man komt voor mij staan, duisterling, ga opzij.

hij vecht mij aan / pijn om pijn (uit Gevecht, naar Genesis 32)

In Olijftak ontmoet je een echte dichter die zijn bijbel door en door kent en vooral, die zijn Heer liefheeft en zijn vreugde daarover uitzingt: O overvloed van leven, / bron van geluk / geloofd zij God / met diepe teugen (Vreugde)

De meeste gedichten zijn geschreven vanuit de relatie met God, met Christus. Bijbelse gebeurtenissen en personen vormen bij veel verzen het uitgangspunt, met name de geboorte van Jezus, de wijzen (!), Christus’ lijden en vooral zijn opstanding. Steeds is er de verwondering over het evangelie, de genade.
Soms kruipt de dichter in de huid van een bijbelse figuur – Jozef, de man van Maria, Andreas, Zacheus, Thomas, Johannes, soms schrijft hij over hen.
Uit Jozef: Verwonderd geef ik Hem de naam / Jezus – God redt – / en Hij is kind aan huis / bij mij, Jozef van Nazareth. / met de slotstrofe: / Dat ik een kind van God ben, / durf ik nauwelijks te geloven, / maar dat Hij nu mijn kind wil zijn, / gaat mijn begrip te boven.

Binnen een gedicht van vijf strofen zet hij Simsons leven neer; alles wat we over hem weten krijgt binnen deze ruimte een plaats.

Simson, vorst onder de mensen, / zonnekind, / die gekust werd en verraden, / stekeblind.

met als slotregels:
...zegevierend gaat hij onder in de nacht / die z’n leven als een offer heeft volbracht.

Met die laatste regels zet de dichter Simson neer als symbool van Christus. Zonder omhaal van woorden, met dat ene woord ‘volbracht‘ plaatst hij Simsons dood in het perspectief van Golgotha.

En daarmee kom ik bij het dichterschap van Jaap Zijlstra. Juist in zijn kortheid, het precies gekozen woord, de directe beelden zijn zijn verzen echte poëzie. Een goed gedicht moet immers met zo weinig mogelijk woorden zo veel mogelijk zeggen.

Uit Noach en wij:

Maar na verloop / van water en tijd is komen vast te staan / op de Ararat / dat God weer een open deur geeft / en bovendien een boog / met als doelwit de hemel.

En in hetzelfde gedicht:
De duif is uitgelaten / van vreugde

waarin de dubbele betekenis van uitgelaten mooi gevonden is.

In veel gedichten gaan bijbelse noties verbanden met elkaar aan:

Uit Avondmaalslied (met de prachtige regels: De beker die de ronde doet, het is de omloop van uw bloed)

Uw bloed het raakt de lippen aan de deurposten van het bestaan, de dood gaat aan ons hart voorbij, o Lam van God, U loven wij.

waar een heel direct beeldend verband gelegd wordt met de tiende plaag in Egypte.

En in het kerstgedicht Messias heet het: Hij drinkt, / de kleine bloedverwant, hij krijgt de borst, / opdat hij met z’n hele lijf / eens roepen zal: / mij dorst.

Ik noemde al de blijdschap die uit veel gedichten spreekt.

De liefde toont zijn aangezicht een zonnelied breekt aan, vandaag zien wij het levenslicht, de Heer is opgestaan.

Zelfs Kerkhof is een hoopvol gedicht: al wat er valt te schrijven is bloei en verrijzenis, want Pasen, de opstanding – er zijn vier gedichten over – geven perspectief aan de dood en dus aan de gedichten daarover, Rouwbrief, Kerkhof en Zicht (over een uitvaart).

Toch kent de dichter ook een andere kant:

Als ik alleen al denk aan Anne Frank kan ik niet blindelings verder gaan, er rust een verdenking op U, grote God, / U zoudt er wat aan hebben kunnen doen, / aan deze moord met voorbedachten rade.

De titel van dit gedicht is Magnalia Deï (de grote werken van God). Het lijkt een ironische titel, maar het gedicht komt wel uit bij de Godverlatenheid van Christus aan het kruis.

Er is in deze bundel zo veel moois.
Het eerste gedicht bijvoorbeeld over de kleine diepzeevis die van vliegende vissen gehoord heeft dat er vogels bestaan, maar hij heeft ze nooit gezien. ‘Maar ik geloof de vliegende vissen, ik geloof dat de vogels bestaan’.

Nog eentje. Tot slot.

De taal der liefde

Op alle vragen die er rezen, gaf U mij uw hand te lezen, één teken slechts, in spijkerschrift.
Sinds staat het in mijn ziel gegrift.

Jaap Zijlstra (2007), Olijftak. Uitg. Kok, Kampen; 128 blz; € 14,50.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief