‘Een herder gaat op zoek naar zijn schapen’
2010-05-28
- Jaargang 54
- nummer 11
Pastoraat is één van de belangrijkste taken van de gemeente en tegelijkertijd één van de moeilijkste. Want zorgen voor de schapen van de kudde luistert nauw. En hoe kies je als gemeente de juiste aanpak van het pastoraat? Een serie over verschillende vormen van pastoraat in de NGK. In deel één het ‘klassieke’ pastoraat: het huisbezoek.
‘Een nadeel van het klassieke huisbezoek is dat sommige gemeenteleden het als een vorm van op de vingers kijken kunnen ervaren’, zegt ds. Gijs Bronsveld, werkzaam bij de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding en predikant in Doorn. ‘Deze gemeenteleden associëren de ouderling vooral met opzicht en tucht.’
Daarnaast worstelen ook ouderlingen vaak met hun positie. ‘Veel mensen stappen erin vanuit de verwachting dat je het allemaal moet weten. Ze zijn zich erg bewust van de serieusheid en de zwaarte van de opdracht. Dat is natuurlijk goed, maar daardoor kom je ook in een keurslijf waardoor je niet echt in gesprek komt’, zegt Jan van Raalte, pastoraal werker in onder meer Voorthuizen/-Barneveld en Apeldoorn.
In Emmeloord werken ze tot volle tevredenheid met het huisbezoek als pastorale vorm. Ds. Johan Weij: ‘De keus voor het huisbezoek door ouderlingen die in het verleden gemaakt is en bevalt nog steeds goed. Als iedere ouderling en diaken zijn werk goed doet, is het ook een waterdicht systeem. Iedereen krijgt dan in elk geval jaarlijks bezoek. En dat is, behalve in een bijzonder situatie, genoeg.’
Ook in de gemeente van Amersfoort-Zuid wordt het pastoraat nog ingevuld met het huisbezoek. De gemeente oriënteert zich intussen wel op andere vormen van pastoraat. De reden daarvoor is heel simpel. ‘Vlak voor de zomer 2008 zag de kerkenraad dat er in de gemeente mogelijk meer nood was dan een ouderling zou kunnen behappen. Er waren veel specifieke hulpvragen waarbij ouderlingen, diakenen en wijkassistenten overvraagd werden. Het was duidelijk dat er ondersteuning nodig was’, vertelt kerkenraadsvoorzitter Hans Delhaas.
De oriëntatie op een andere invulling in Amersfoort-Zuid staat nog in de kinderschoenen. In Emmeloord zijn er helemaal geen plannen om het pastoraat over een andere boeg te gooien. ‘Dit is een redelijk ouderwets dorp waar veel vertrouwen is in ouderling en predikant’, zegt Weij. ‘Daarnaast hoor je vaak via via wel of er wat speelt en er zijn altijd mensen die zelf bellen.’
Plek of geen plek
Het huisbezoek is al jarenlang een vaste waarde in de kerk. Tegenwoordig komt er steeds meer kritiek op het huisbezoek, waardoor de vraag rijst of het nog wel van deze tijd is. ‘In de traditionele vorm denk ik niet dat huisbezoek nog een plek heeft in de kerk’, vindt Jan van Raalte. ‘In die vorm is er te veel een mengeling tussen een geloofsgesprek en een gesprek over kerkenraadsbeleid.
Als je naast ouderlingen ook pastoraal bezoekers aanstelt, komt daar meer scheiding tussen. Dan spreekt de pastoraal bezoeker alleen over geloofszaken. Daarbij denk ik dat het op zich prima is om te zeggen dat iedereen minimaal eens per jaar huisbezoek krijgt, maar in de praktijk zie je dat het minimum vaak ook meteen het maximaal haalbare wordt.’
Volgens Bronsveld is er in sommige gevallen wel degelijk behoefte aan traditioneel huisbezoek. ‘Ik constateer dat onder de 50-plus-generatie behoefte is aan een ambtelijk bezoek, liefst door een ouderling of dominee. De 40-min-generatie is veel gevoeliger voor wie er op bezoek komt en of ze met diegene ook een goed gesprek kunnen voeren. Het ambtelijke karakter van het bezoek is in dat geval ondergeschikt. Het blijft natuurlijk lastig om in algemene patronen te praten, want het verschilt ook per gemeente.’
Bronsveld vindt het huisbezoek zeker van belang, al is het misschien in een andere vorm. ‘Ik pleit voor een jaarlijks contact tussen gemeente en gemeentelid. Het is aan de kerkenraad om te kijken of dit per se via ouderling of dominee moet gebeuren of dat het breder kan zijn, door bijvoorbeeld een wijkassistent of pastoraal medewerker. Het gaat erom dat er jaarlijks wezenlijk persoonlijk contact is geweest en dat er niemand tussen wal en schip valt. In het ideale geval gaat het hierbij om een geloofsgesprek. Maar in de praktijk worden vaak niet alle adressen ieder jaar bezocht.’
Tijdgeest
Een ander punt van kritiek op het huisbezoek is dat je met één keer in het jaar iemand bezoeken nooit de vertrouwensrelatie op kunt bouwen die nodig is om problemen te zien en te ondervangen. ‘Dat klopt misschien wel, als je van nature niet meteen een klik hebt met elkaar’, vindt Weij. ‘Maar het hangt er ook vanaf waar het over gaat. Sommige dingen bespreek je misschien makkelijker met een vreemde onder bescherming van het ambtsgeheim.’
Ook Delhaas vindt dat in sommige gevallen een gemeentelid meer gebaat kan zijn bij hulp van een ouderling of pastoraal werker dan van een gemeentelid, vriend of familielid. ‘Het zou mooi zijn als mensen met al hun moeite en nood naar vrienden, familie of hun kring gaan, maar ik denk dat er altijd situaties blijven waarin mensen dat juist niet doen’, taxeert hij. ‘Die mensen zijn juist wel gebaat bij iemand, al dan niet een ouderling, die zijn hulp aanbiedt. De gemeente moet er ook bewust van worden gemaakt wat er mogelijk is, als er in je leven iets niet in orde is. Dat hoort bij het evangelie: perspectief bieden aan mensen. Het zou mooi zijn als dat in de gemeente meer gebeurt.’
In de kritiek op het huisbezoek is ook iets terug te zien van de tijdgeest, vindt Van Raalte. ‘In onze kerkelijke traditie moet je de balans vinden tussen de mensen zelf serieus nemen, maar ze ook de weg wijzen. Het past niet zo in deze tijd om je de weg te laten wijzen door een ander. Maar het mag nog steeds gezegd worden, omdat God het beste met ons voor heeft. God wijst ons vaak een andere weg dan wij willen en dat druist soms ook in tegen de tijdgeest. Als je dat doet uit bewogenheid en betrokkenheid, mag dat met een bepaalde vrijmoedigheid.’
Niet ongetroost
Volgens Van Raalte is het belangrijkste bij het huisbezoek niet eens zozeer de frequentie, maar vooral de gedachte van waaruit je een bezoek aflegt. ‘Het is afhankelijk van ieders situatie hoe vaak je er komt. Soms zie je elkaar zo vaak dat je weet: “dat zit wel goed”. In andere gevallen is één bezoek niet genoeg. Om echt een goed gesprek met elkaar te hebben, moet je investeren in een relatie. Je moet vanuit ontferming en liefde een gesprek aangaan, je bewust zijn van hoe God jou ziet en zo ook anderen bekijken.’
Net als bij alle andere vormen van pastoraat is het ook bij huisbezoek belangrijk om te kijken wat het doel ervan is en wat je ermee bereikt. ‘Huisbezoek kost veel tijd en energie. Degene die het doet, is heel druk, maar wat levert het je op als gemeenschap?
In Hebreeën 3 zegt Paulus dat we voor elkaar verantwoordelijk zijn, op weg naar het nieuwe rijk. Als er iemand achter blijft, zorg je daarvoor. Dan vraag je niet eens per jaar: “zeg, loop je nog wel mee?”’ Ook voor Hans Delhaas is de opdracht om elkaar tot steun te zijn een belangrijke pijler in het pastoraat. ‘Ik moet denken aan een zin in het formulier dat wordt gelezen bij de bevestiging van een ouderling/diaken. Daar wordt gezegd dat het niet zo mag zijn dat mensen in de gemeente ongetroost blijven of alleen zijn. De gemeente is een plek waar je mag schuilen, waar er voor je gezorgd wordt en waar mensen je weer op het goede spoor helpen, als je een verkeerd pad dreigt te kiezen. Iemand die dat van zichzelf goed kan, heeft misschien minder zorg nodig. Maar
iemand die moeite heeft, mag dat niet alleen beleven.’
Verrijken
Behalve de insteek van het huisbezoek is ook de toerusting van de ouderlingen van belang. Van Raalte: ‘Er zou meer aandacht besteed moeten worden aan toerusting. Er is vaak de drang om heel veel te zeggen, maar ga ook eens luisteren en gewoon ontvangen wat iemand te zeggen heeft. Daar is heel veel te winnen.’
Volgens ds. Gijs Bronsveld zie je vaak ‘dat een ouderling al doende leert in de praktijk. En vanuit de praktijk weten we ook dat ouderlingen de gaven die ze hebben ontvangen verder ontwikkelen. Als ik naar mijn verlanglijstje kijk, zou ik het gewenst vinden dat ouderlingen meer toerusting ontvangen. Dat leidt tot kwaliteitsverbetering in het contact. Bovendien merk ik uit ervaring dat er ouderlingen behoefte hebben aan toerusting die concreet ingaat op de praktijk van hun werk, aan toegepaste kennis.’
Van Raalte en Bronsveld willen het huisbezoek niet afschaffen, maar wel aanpassen. ‘Ik zou zelf het huisbezoek willen verrijken’, zegt van Raalte. ‘Ouderlingen dienen vaak een periode van vier jaar. Het zou mooi zijn als dat niet betekent vier keer een gesprek hebben met iemand, maar vier jaar meelopen met iemand. Dat betekent voor sommigen vier gesprekken, voor anderen is het een veel intensievere periode.’
‘Ik blijf heilig geloven in het herderlijke karakter van de pastorale bearbeiding in de gemeente’, voegt Bronsveld toe. ‘Een herder gaat op zoek naar zijn schapen. Dat geldt niet alleen voor een dominee, maar ook voor een ouderling. Een herder is proactief bezig. Uit de praktijk blijkt het toch ook een goede vorm om op eigen initiatief op bezoek te gaan.’