De dirigent

1994-03-11
  • Jaargang 38
  • nummer 5
Biddag en dankdag roepen steeds weer de vragen op rond Gods bestuur van onze wereld, Zijn voorzienigheid, de onderhouding of hoe je het maar wilt noemen. Alleen daarom al is het goed deze dagen in ere te houden.
Psalm 104 roept op tot bewondering.

Eerst zien en dan loven
Het doet weldadig aan, al die vrolijkheid in deze psalm. De dichter heeft er duidelijk plezier in. Om precies te zijn: hij heeft plezier in de Here God. "Ik zal mij in de HEREverheugen."(34) Kom op, ziel, wé gaan weer loven! (1) Loven is met bewondering over God tegen God spreken. En dan hier vooral vanwege de schepping. Dat is niet vanzelfsprekend, dat een mens dat doet: God loven om Zijn schepping.
Velen zouden daar niet eens opkomen.
Daarvoor moet je iets gezien hebben.
Je moet ontdekt hebben dat die schepping niets meer of minder is dan Gods hermelijnen mantel (1,2). Wij zien die mantel en zeggen vol bewondering: die is van de Koning! Wij zien sporen om ons heen en zeggen opgewonden: kijk, sporen van Gods wijsheid!(24) Dat ziet niet iedereen zo. Daarvoor moeten ogen verlost worden. In Christus zien wij Gods majesteit in de schepping en gaan over tot de lofzang. Eerst zien en dan loven. En dan kom je ook tot zo'n prachtig gedicht als deze psalm.
Over die Man die een tent heeft en die tent is de schepping. En in die tent is een zolder (3), lopen dienaren af en aan (4), tikt een klok (19) en hangt een lamp (19). En de Man loopt zorgend door dat huis. Dat is de luister van God!
Als je zo niet naar de schepping kunt kijken komt de lofzang in gevaar. En velen kijken er zo niet naar. Terecht heeft iemand opgemerkt dat dit lied dan ook wel eens een strijdlied kan worden. Dwars tegen heersende gedachten in. Zo'n lied aanheffen is dan net zoiets als gaan staan terwijl iedereen zit. Dat kan weerstand oproepen.
En misschien heeft dit lied die weerstand ook al opgeroepen toen het de eerste keer gezongen werd.

Een anti-lied
Je kunt me nog meer vertellen maar ik denk er zo over. Is dat de toon van dit lied? Het zou kunnen. Geschreven in de taal van toen, soms zelfs woordelijk gelijk aan andere liederen: Geschreven in een taal vol scheppingsverhalen en mythische beelden. En de psalmist kuiert daar onbekommerd tussendoor.
Hij spreekt een aardig woordje van de mythe mee en speelt wat met de taal van de afgoderij. Niet Baäl zit op een wolkenwagen maar de Here God natuurlijk (3). Die oorlog tussen de oervloed (de waterdiepte,6) en de scheppergod waar de verhalen van spreken: God heeft met één donderend bevel die zg. vijand weggejaagd (7) en dienstbaar gemaakt (10v). De dichter kruipt in de huid van de mythe en maakt grapjes. De Leviatan, dat oermonster, jullie zijn er bang voor maar God speelt ermee (26). Een grap maar dan wel een dappere.

Je zult de maan maar een klok noemen (19) terwijl mensen zich er eerbiedig voor neerbuigen. Heiligschennis!
De dichter spreekt de taal van zijn tijd en probeert de mensen daarmee te bereiken. Een strijdlied. Tegenwoordig natuurlijk net zo goed.

Dirigent of componist?
Maar maakt deze psalm het de moderne mens niet onnodig moeilijk?
Wordt er niet op een manier over God gesproken die wij toch echt niet meer kunnen overnemen?
Kijk eens naar hoe er over Gods zorg wordt gesproken. De onderhouding.
Op twee manieren. Allereerst indirect.
Vers 14: God laat het koren groeien en dat is voor ons materiaal om er brood van te bakken. God legt alles voor ons klaar en dan stappen wij uit bed en gaan ermee aan de slag. Indirect.
Maar er wordt ook akelig direct gesproken.
Die jonge leeuwen die er 's nachts op uit trekken en dan opeens op hun knieën vallen om te gaan bidden (21). De hele schepping die in de rij staat en wacht tot God begint met het uitdelen van het eten (27vv.).
Is dat nu alleen maar beeldspraak of toch meer?
Wij zeggen toch ook: geef ons heden ons dagelijks brood. Een heel directe vraag aan God. Dat directe, is dat nu iets van zoals men er toen mee om ging of moet ik dat ook geloven?
Waarom hebben wij eigenlijk zo'n moeite met dat directe spreken?
Waarom geloven wij liever dat God als componist een muziekstuk aan de winkel aflevert en dat wij dat als dirigent dan kopen en ermee aan de slag gaan? Schepping, o.k., maar onderhouding ...
Maar is nu juist die onderhouding hier in deze psalm niet overduidel.ijk een onderdeel van de hermelijnen mantel van God?
Zit er niet toch wat in, die biddende leeuw?
God die Zijn hand houdt onder deze wereld. "Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verdelgd" (29). Componist én Dirigent. Schepper én Onderhouder.
Wil de lofzang gaande gehouden worden dan zullen wij Hem zo' moeten erkennen.

Dubbele vreugde
Daarom dat aan het slot nog even de puntjes op de i worden gezet. Want het is toch wel wat al te idyllisch allemaal.
Die lofzang hapert nogal eens en daar komt een hoop ellende van. Dat de mens zich in zijn Schepper verheugt gaat niet altijd op. En de Schepper verheugt Zich niet altijd in Zijn schepping.
Met die dubbele vreugde is iets mis. Here, heb toch alstublieft niet nog eens spijt van Uw schepping (31v).
Vergeef ons dat wij U niet altijd erkennen en daarom zo makkelijk komen tot misbruik van de schepping. Alsof het allemaal van ons is. En toch is hier uit genade iemand opgestaan die wél de lofzang wil aanheffen.
Ik wel. In Christus. En de dag komt dat God met een stralend gezicht zal zeggen: Zie, het is zeer goed. En dat de mensen even stralend zullen zeggen: En U ook! Dat die dag komt daar zorgt de Here Jezus voor. Wij nemen in geloof daar alvast een voorschot op door dwars tegen alles in dit loflied aan te heffen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief