Laat de bijstandsmoeders niet creperen
1994-03-11
Verraderlijk- Jaargang 38
- nummer 5
De brief van Jakobus is heel in het bijzonder op de dagelijkse geloofspraktijk gericht. We vinden er geen uitvoerige uiteenzettingen over de christelijke leer maar wel veel directe, concrete aanwijzingen voor onze levenshouding en Jakobus kan de dingen daarbij op een heel korte formule brengen. Zo zegt hij bijvoorbeeld in 1:27 dat de waarachtige vroomheid bestaat in het omzien naar wezen er weduwen in hun druk en in het jezelf onbesmet van de wereld bewaren.
Omzien naar wezen en weduwen. Wat bedoelt Jakobus daarmee? Voor velen zal die vraag overbodig klinken. Voor hen is het overduidelijk dat Jakobus hier de opdracht geeft wezen en weduwen te bezoeken. Ze hebben hun ouders of hun man verloren. Dat verlies is zo ingrijpend, dat ze daarom regelmatig en bij elevoortduur bezocht moeten worden. Dat is Jakobus' bedoeling.
Daarover kan toch geen twijfel bestaan?
Ik denk dat de overgrote meerderheid van de bijbellezers Jakobus' woorden zo opvat. Maar dan leest men er toch iets in, dat Jakobus zelf nooit bedoeld heeft te zeggen. De ogenschijnlijk zo voor de hand liggende duidelijkheid van deze woorden is verraderlijk en leidt er gemakkelijk toe te vergeten, dat de uitdrukking 'wezen en weduwen' in bijbelse tijden een heel andere klank had dan tegenwoordig.
Maatschappelijke positie
De opdracht om te zien naar wezen en weduwen wordt niet gegeven omdat ze zo'n groot verlies geleden hebben, 'maar omdat ze beneden hun bestaansminimum dreigen weg te zakken als er geen aandacht aan hen wordt besteed. In heel de bijbel zijn weduwen en wezen de representanten van de maatschappelijke verschoppelingen.
Je bent niet echt vroom als je die aan hun lot overlaat, wil Jakobus zeggen. Als je hen verwaarloost, gedraag je je tegenover hen net als de heidenwereld die zich niet om hen bekommert. Dan bewaar je jezelf niet onbesmet van die wereld.
Het motief voor het omzien ligt dus niet in het verlies dat de weduwen en wezen geleden hebben. Als we het motief daar wel moesten zoeken, zou het onbegrijpelijk zijn dat Jakobus de weduwnaars en de ouders die een kind verloren niet vermeldt. Hun verlies is toch niet kleiner dan dat van weduwen en wezen? Hun leven wordt er toch niet minder door geraakt? Als daar het motief lag, zou er toch ook naar hen omgezien moeten worden?
Maar als het motief in de maatschappelijke omstandigheden ligt, wordt het duidelijk waarom Jakobus alleen de weduwen en de wezen noemt. Een man wiens vrouw overleed, kwam daardoor niet zonder inkomsten te zitten, Zijn maatschappelijke positie kwam niet in gevaar. Datzelfde gold ook voor ouders die een kind verloren.
Maar wanneer een gehuwde man overleed, kwamen zijn vrouwen kinderen maar al te vaak in grote financiële problemen en vervielen ze niet zelden tot een bestaan in slavernij.
Druk
Dat mag met weduwen en wezen in de christelijke gemeente niet gebeuren, zegt Jakobus. Naar h'en moeten jullie omzien, zodat ze voläoende levensonderhoud ontvangen. In de gemeente van Jeruzalem gebeurde dat ook, hoewel er, toen de gemeente groeide, even de klad in dreigde te komen (Hand. 6:1-3). Wat inJeruzalem gedaan werd, behoort overal te gebeuren, zegt Jakobus. Daaraan herken je nu waarachtige vroomheid.
Dat Jakobus daar op/doelt, blijkt ook uit het woord 'druk' dat hij gebruikt (omzien naar wezen en weduwen in hun druk). Dat woord duidt in het Nieuwe Testament nooit ziekten of sterfgevallen aan. Het gaat bij dat woord vrijwel altijd om druk die door anderen wordt uitgeoefend.
Zo kan bijvoorbeeld wat Jozef ondergaat (zijn verkoop als slaaf naar Egypte en zijn gevangenschap daar) met dit woord worden aangeduid (Hand. 7:10), maar ook geloofsvervolging (Hand. 11:19). In iets ruimer verband wordt het gebruikt in Hand. 7:11 in verband met de hongersnood die over Egypte en Kanaän kwam. En in 2 Cor. 2:4 verwijst het naar de zorg die Paulus beklemt vanwege de problemen met de gemeente van Corinthe. Maar nergens vinden we het in verband met ziekte of een sterfgeval.
Het gebruik van dit woord laat dus zien dat Jakobus het oog heeft op de moeilijke maatschappelijke en financiële positie waarin wezen en weduwen in zijn tijd verkeerden. Zij werden vaak verdrukt (zie bijvoorbeeld 2 Kon. 4:1; Job 24:3; Jes. 1:23; Jer. 7:6; Ezech.22:7; Matth. 23:14).
Door God gevraagde vroomheid
In zijn wetgeving wijst de HEREhet onderdrukken van wezen en weduwen scherp af (zie Ex. 22:22). Met name in het boek Deuteronomium wemelt het van bepalingen die de rechtspositie van wezen en weduwen (en andere armen) bedoelen te beschermen (14:29; 16:11, 14; 24:17-21; 26:12,13; 27:19). Het is dan ook de HERE zelf die als hun beschermer optreedt (Deut. 10:18;Ps. 146:9;
Spr. 15:25). Omzien naar wezen en weduwen is dan ook een wezenlijk onderdeel van de door God gevraagde vroomheid.
Wanneer in de bijbel wezen en weduwen ter sprake komen, moeten we bovengeschetste achtergrond in rekening brengen. Dat geldt ook voor Jak. 1:27. Gezien deze achtergrond is het dan ook vanzelfsprekend dat weduwnaars en ouders die een kind verloren, daar niet genoemd worden.
De hierboven gegeven verklaring ligt trouwens ook in de lijn van de hele brief. Jakobus blijkt een heel gevoelige antenne te hebben voor maatschappelijke verhoudingen. In overeenstemming met de oudtestamentische wetgeving en in navolging van de profeten geeft hij veel aandacht aan de armen. Die vinden in hem een krachtige pleitbezorger. En hij geselt de houding van de rijken die over de armen heenlopen, hen aan hun lot overlaten en zich ten koste van hen verrijken (zie 1:9, 10; 2:1-13; 5:1-6). Tot die armen waarvoor hij in de bres springt, behoren niet alleen arbeiders (5:4) maar ook wezen en weduwen (1:27). En helemaal in de lijn van het Oude Testament zegt hij dat de waarachtige godsdienst uitkomt in het omzien naar deze zo kwetsbare groep in de samenleving.
De conclusie kan duidelijk zijn. Jakobus brengt de wezen en weduwen hier niet ter sprake omdat ze zo'n groot verlies geleden hebben, maar omdat ze maatschappelijk gezien zo kwetsbaar zijn. Naar hen omzien wil zeggen: ervoor zorgen dat ze niet wegzinken onder het bestaansminimum. Naar onze tijd getransporteerd zou je de betekenis ervan als volgt kunnen weergeven: laat de bijstandsmoeders niet creperen. Of, algemener gezegd: laat de sociaal-zwakken niet aan hun lot over.