Ingezonden

1994-03-11
  • Jaargang 38
  • nummer 5
Huwelijksbevestiging
Erg veel moeite heb ik ook - en dan formuleer ik ingetogen - met de passage waarin ds. Mudde spreekt over de huwelijksbevestiging van mensen die samenwonen of samengewoond hebben. Ik beperk me tot een aantal opmerkingen. Zoals wel vaker gebeurt in het gesprek over huwelijk en samenwonen, legt ook ds. Mudde de nadruk te veel op het publieke karakter van het samengaan van man en vrouw. Dit samengaan is toch in de eerste plaats een zaak die slechts twee mensen aangaat, voor het aangezicht des Heren.
Deze omgang heeft, bij wijze van spreken, pas in de derde plaats een publiek karakter. Door het benadrukken van het publieke aspect ontstaat ook het gevaar van een soort slaapkamerpastoraat: predikanten of ouderlingen die zich niet ontzien bij samenwonenden, verloofden en anderen die op het punt staan te trouwen, te informeren naar de seksuele antecedenten of geschiedenis tijdens de verkerings- of verlovingstijd. Dit gevaar wordt nog vergroot door de eerder aangesneden isolatie en overwaardering van de seksualiteit. Zinsneden als "toen de gemeente erbij betrokken wilde worden, werd de gemeente gepasseerd"
en: nu kan "de gemeente alsnog komen opdraven" en: "het is beneden de stand van de kerk (sic) om te leveren op bestelling, voor wijwaterkwast te spelen (sic)", dergelijke zinsneden zijn verongelijkt, misplaatst en ds.
Mudde treft, zoals vaker in zijn artikelen, niet de juiste toon. Ik ben het eens met ds. Mudde dat een kerkelijke bevestiging van een huwelijk na jaren van samenwonen iets inconsequents heeft, maar daarmee is dan ook het meest negatieve gezegd. Het zou mij daarom somber stemmen indien het "pedagogische beleid" van ds. Mudde en zijn kerkeraad om serieus samenwonenden hun kerkelijke huwelijksbevestiging te onthouden, landelijk navolging zou vinden. Dan slaan we een weg in waarvan nu reeds duidelijk is dat hij doodloopt.

Onzuivere tegenstelling
Ik schreef reeds eerder dat de tegenstelling huwelijk-samenwonen geen vruchtbare, geen werkbare is.
Ds. Mudde vraagt zich af of de strijd reeds verloren is. Ik denk het niet. Wel staat hij te vechten aan het verkeerde front.
Hij .voert strijd op een front met fantomen en bierkaaien als voornaamste tegenstanders. De strijd zou moeten worden gevoerd op een ander front.
De kerk, onze kerken, zouden zich sterk moeten maken voor een vorm van samenleven van man en vrouw die recht doet aan de bedoeling die Jahwe.met de instelling van het Bijbelse huwelijk had. Ik denk dat wij daar beter onze energie -en talenten aan kunnen besteden dan aan een onduidelijke pedagogische jacht op mensen die serieus samenwonen. We moeten ons daarbij niet laten afleiden door een te sterke nadruk op het juridische aspect of door het misverstand dat het huwelijk, zoals dat hier en nu gebruikelijk is, op één lijn te stellen is, of naadloos samenvalt met Bijbelse noties.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief