Jeremia 46:2
1994-03-11
Over Egypte.- Jaargang 38
- nummer 5
Tegen het leger van Farao Necho, de koning van Egypte, dat aan de rivier de Eufraat bij Karkemis stond, en dat Nebukadrezar, de koning van Babel, verslagen heeft in het vierde jaar van koning Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda." (Jer. 46:2).
Bij het lezen van het O.T. komen we naast de namen van de koningen van Juda en Israël ook nogal eens de namen van buitenlandse vorsten tegen. We zijn er eigenlijk al zo mee vertrouwd, dat we die namen gewoon lezen en bij de personen zelf niet stil staan en ook de historische datering van hun daden voor kennisgeving aannemen. Het bovenstaande opschrift boven de profetie over Egypte is daarvan ongetwijfeld een goed voorbeeld. Niemand zal met de bewoording ooit moeite hebben gehad.
In diverse commentaren kunnen we lezen, dat de hoofdstukken Jeremia 46-51 oorspronkelijk waarschijnlijk een plaats hadden ná Jeremia 25:14 en dat verzen 15-38 het onderschrift vormden na hetgeen we nu lezen in hoofdstuk 51. Eveneens, dat de opschriften boven de hoofdstukken 46, 47 en 49:28 er later zijn bijgezet. Wanneer de verplaatsing van de hoofdstukken 'en de toevoegingen van de opschriften zijn aangebracht is niet bekend, maar komen zo al honderden jaren in het O.T. voor. De verklaringen en toelichtingen gaan dan ook al heel lang van bovenaangehaald opschrift als vaststaand gegeven uit. Zo is dat het geval met de slag bij Karkemis in het jaar 605 v. Chr., dat een beroemd jaartal in de wereldgeschiedenis wordt genoemd omdat dat jaar van beslissende betekenis voor het lot der volken is geweest. Aldus stelde men vast. Maar werd Farao Necho met zijn leger wel zo volledig verslagen?
Natuurlijk hadden zij enorme klappen opgelopen, want tevergeefs namen zij veel geneesmiddelen; er was geen genezi ng (Jer. 46:11). Het was niet zo dat zij in paniek naar Egypte zijn gevlucht, maar wel hun wonden moesten verzorgen in Ribla. Bovendien was, naast het verval van het Assyrische Rijk, het Nieuw Babylonische Rijk o.l.v.
koning Nabopolassar, de vader van Nebukadrezar, pas een tiental jaren in opkomst. De profetie van Jeremia in hoofdstuk 25 stond nog op het punt in vervulling te gaan: "Ik laat alle geslachten van het Noorden komen en Nebukadrezar, de koning van Babel, mijn dienaar en breng hen tegen dit land en zijn inwoners, ja tegen al deze volken rondom."
Nabop Olassar
Voor de geschiedenis, die achter vers 2 schuilgaat, zullen we eerst moeten kennisnemen van de veldtochten, die de stichter van het Nieuw Babylonische Rijk, koning Nabopolassar, heeft ondernomen.
In het O.T. komen we zijn naam niet tegen, maar er bestaan buitenbijbelse bronnen waaruit we belangrijke gegevens kunnen putten, waarvan wemet de Schrift als belangrijkste leldraad - dankbaar gebruik mogen maken. We vonden die bronnen in het boek: 'Ancient Near Eastern Texts-relating to the O.T.' - Third Edition with supplement (1960)uitgegeven door J.B. Pritchard.
Verwijzingen naar deze uitgave onder: A.N.E.T. bldz ...
Allereerst volgen we nu Nabopolassar.
Nadat hij in zijn 14e regeringsjaar (612 v. Chr.) samen mèt koning Cyaxares der Meden Ninevé had verwoest", ging hij in de daaropvolpende jaren voort met aanvallen op Assyrië uit te voeren.
In zijn 16e regeringsjaar riep hij zijn leger op en trok door Assyrië zonder tegenstand te ontmoeten. De troepen der Meden voegden zich bij Nabopolassar en gezamenlijk trokken zij op naar Haran. In deze stad bevonden zich ook Egyptische troepen. Haran werd ingenomen en een ontelbaar aantal gevangenen gemaakt en weggevoerd.
De legers keerden naar huis terug, maar Nabopolassar liet op zijn beurt een garnizoen in de stad achter".
En dan lezen we direct aan het begin van de notities van het 17e jaar (d.i. dan 609 v. Chr), dat koning Ashuruballit van Assyrië en een groot leger van Egypte, dat hem was komen helpen, de rivier de Eufraat overstaken en optrokken om Haran te veroveren", Dit is het moment, dat we 2 Kron. 35:20 moeten opslaan: " ... (toen) trok Necho, de koning van Egypte op om te strijden bij Karkemis aan de Eufraat".
Necho zal hebben gedacht in dit stadium iets te moeten doen om zijn betrekkelijke macht te verstevigen en als het kon uit te breiden. Het Assyrische Rijk was al behoorlijk verzwakt, maar in een samengaan kon misschien de vloedgolf uit Het Babylonische Imperium worden gestopt. Had Nechonadat zijn troepen in Haran waren vernederd - een jaar later zo'n optimistische kijk op de stand van zaken?
Wanneer de profetische woorden door Jeremia werden gesproken tegen Egypte en het leger weten we niet, maar aan de hand van de schriftgegevens moet dit tijdstip niet ver voor Necho's veldtocht naar Karkemis hebben gelegen. Door het misverstaan van die woorden werkten deze juist als een aanmoediging voor de farao.
Vers 3-5: "Bereidt rondas en schild en rukt aan tot de strijd! Spant de paarden in en stijgt op, gij ruiters, en schaart u in slagorde, de helmen op; scherpt de lansen, trekt de pantsers aan!" Vers 7-10: "Wie is het, die komt opzetten als de Nijl, wiens wateren bruisen als rivieren? Egypte komt opzetten als de Nijl, terwijl de wateren bruisen als rivieren, en zegt: Oprukken zal ik, ik zal de aarde overdekken, ik zal verdelgen steden met inwoners en al! Vooruit, paarden; jaagt vooruit, wagens; laten de helden uittrekken: Ethiopiërs en Puteeërs, die het schild hanteren, Lydiërs, die de boog spannen!"
Deze woorden moeten Necho als muziek in de oren hebben geklonken. Een te overtrokken voorstelling?
Maar let eens op hetgeen in 2 Kron.
35:21-22 door Necho als boodschap wordt gezonden aan koning Josia van Juda, die het Egyptische leger tot aan Megiddo was tegemoet getrokken: "Wat heb ik met u te maken, koning van Juda? Het gaat thans niet tegen u, maar tegen het huis waarmede ik in oorlog ben (de koning van Babel), en God heeft gezegd, dat ik mij haasten moest. Staak uw verzet tegen God, die met mij is, opdat Hij u niet verdelge."
M.a.w. loop me niet voor de voeten.
"Doch Josia wendde zich niet van hem af; hij luisterde niet naar de woorden van Necho, die uit de mond van God kwamen."
Josia werd zwaar gewond en overleed in zijn 31e regeringsjaar. Farao Necho zette zijn tocht voort en verenigde zijn strijdmacht met die van de koning van Assyrië bij de Eufraat. De notities van het 17e regeringsjaar van Nabopolassar (609 v. Chr. tevens sterfjaar van Josia) verder volgend lezen we, dat de gecombineerde legers het beleg voor Haran sloegen en er in slaagden de stad binnen te dringen. De binnendringers werden echter door het daarin het jaar tevoren door Nabopolassar gelegde garnizoen vernietigend verslagen.
De belegering en de aanvallen werden wel voortgezet doch zonder resultaat. Toen de koning van Babel zijn garnizoen te hulp kwam moesten de Assyriërs en de Egyptenaren het veld ruimen. Uit de verdere - nogal beschadigde notities - valt slechts op te maken, dat de koning van Babel en de troepen der Meden veel steden platbrandden en veel buit maakten.
Nabopolassar keerde naar zijn land teruç".
Farao Necho zien we met zijn terugtrekkend leger weer terug te Ribla in het land Hamath (2 Kon. 23:33).
AI de beschreven gebeurtenissen rondom de gevechtshandelingen vonden plaats in het 31e regeringsjaar tevens sterfjaar van Josia, is gelijk aan het 17e regeringsjaar van Nabopolassar = 609 v. Chr. Aldus niet in het jaar 605 v. Chr. zoals in historische beschouwingen, schriftverklaringen, encyclopedieën etc. staat vermeid.
We zullen dit in het vervolg verder moeten aantonen.
Joahaz - Jojakim
In Jeruzalem was koning Josia bijgezet in de graven van zijn vaderen. Geheel Juda en Jeruzalem had rouw over hem bedreven. Jeremia zong een klaagzang op Josia en ook de zangers en zange ressen gewaagden van hun overleden koning in hun klaagzangen (2 Kron.
35:24-25).Niet zijn oudste zoon volgde hem op, maar het volk riep de jongste zoon Sallum = Joahaz tot koning uit.
Eenjongeman van 23jaar, die slechts drie maanden regeerde en deed wat kwaad was in de ogen des Heren.
Hij vond het blijkbaar nodig Necho in Ribla te gaan bezoeken; een afstand van plm. 300 km. Hij werd niet vriendelijk ontvangen en ter plaatse gevangen gezet, opdat hij te Jeruzalem niet zou regeren (2 Kon. 23:33).
De farao vervolgde daarna zijn reis naar Egypte met Joahaz als gevangene en richtte allereerst zijn schreden naar Jeruzalem, waar hij, gelet op de vijandige houding van Josia en de uitschakeling van Joahaz nog het een en ander te regelen had o.a. het innen van de boete, die hij het land had opgelegd, en het aanstellen van een opvolger van Joahaz. De bewoners van Jeruzalem wisten al uit de woorden van de profeet Jeremia (22:10-12), dat de door hen gekozen vorst was gevangen genomen, zou worden weggevoerd naar Egypte en nooit meer zou terugkeren naar zijn land. Zijn oudere halfbroer Eljakim - wiens naam werd veranderd in Jojakimwas de door Necho gewenste opvolger.
We zijn nu weer een jaar verder en kunnen noteren: het 1e jaar van Jojakim = het 18e regeringsjaar van Nabopolassar = 608 v. Chr. Necho had dus zijn zaken geregeld in Jeruzalem, maar had geen rekening gehouden met zijn grote tegenstander Nebukadrezar.
In Daniël 1:1 lezen we namelijk, dat al in het derde jaar van Jojakim Nebukadrezar naar Jeruzalem kwam en het belegerde.
We kunnen nu de gevolgtrekking maken, dat het derde regeringsjaar van Jojakim gelijk is aan het 20e regeringsjaar van Nabopolassar en dat Nebukadrezar officieel nog geen koning van Babel was. Uit het vervolg van de geschiedenis valt op te maken, dat zijn vader al een ziek man was en er van een regerend vorst eigenlijk geen sprake meer was. In zo'n situatie werd de opvolger/kroonprins in die tijden reeds koning genoemd. Als legeraanvoerder had Nebukadrezar zeer zeker al naam en faam verdiend.
We zijn nu gevorderd tot het jaar 606 v. Chr.
Het jaar daarop (605 v. Chr.) wordt in Jeremia 25:1 vermeld als het 4e regeringsjaar van Jojakim en als het 1e regeringsjaar van Nebukadrezar. Dat jaar is dus niet alleen het sterfjaar van Nabopolassar, maar eveneens het jaar waarin Jojakim en de stand Jeruzalem Nebukadrezar onderdanig werden.
Karkemis
We zijn thans met de bezetting van Jeruzalem gekomen in hetzelfde jaar, dat in de wereldgeschiedenis bekend staat als een zeer beroemd jaar nl. 605 v. Chr. - de slag bij Karkemis. En dat kan natuurlijk niet.
Nebukadrezar mag een knap strateeg zijn geweest, maar 2 veldtochten - op zo'n grote afstand van elkaar - ondernemen in dezelfde periode zal voor hem geen haalbare zaak zijn geweest.
Temeer niet omdat hij door het overlijden van zijn vader waarschijnlijk eerder naar huis moest dan in zijn bedoeling had gelegen.
We lezen immers in 2 Kron. 36:6, dat hij Jojakim met twee koperen ketenen had geboeid om hem naar Babel te voeren. En misschien wel met hem een deel van de inwoners van Jeruzalem.
Hij moest daarvan afzien en nam alleen een deel van het gerei van het huis des Heren mee en plaatste dat in zijn paleis te Babel (vers 7). Jojakim werd hem onderdanig gedurende 3 jaar (2 Kon. 24:1). Weer thuis beval Nebukadnezar wel het hoofd van zijn hovelingen enige Israëlieten uit het koninklijk geslacht en uit de edelen te laten komen w.o. Daniël, Hananja, Misaël en Azarja (Dan. 1:3+6). Maar waar wringt de schoen eigenlijk, nu we voor het onmogelijke feit staan, dat twee zulke belangrijke gebeurtenissen in hetzelfde jaar zouden hebben plaatsgevonden?
Het kan niet anders zijn, dan dat het jaar 605 v. Chr. - genoteerd bij de slag van Karkemis - gebaseerd is op het laatste gedeelte van het opschrift bij de profetie: het 4e jaar van Jojakim. Is dat terecht gebeurd?
We zouden direct moeten zeggen: natuurlijk is dat het geval, want het staat zo opgetekend in het O.T.
Echter, we hebben al gezien, dat de woorden van de Here over de volken (Jer. 46-51) niet op de oorapronkel ijke plaats staan en de opschriften boven Jer. 46 en 47 later eraan zijn toegevoegd.
Laten we deze toevoegingen weg en zetten we de hoofdstukken 46-51 op de goede plaats ná Jer. 25:14 en slaan we vervolgens Jer. 36 op, dan krijgen we een heel ander beeld.
Want in het 4e jaar van Jojakim kwam het woord des Heren tot Jeremia: "Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u over Israël, Juda en alle volken geschreven heb, sedert de tijd van Josia tot op heden.
Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, en Baruch schreef uit Jerernia's mond al de woorden die de Here tot hem gesproken had, op een boekrol."
Deze rol werd wel door Jojakim verbrand, maar naar het woord des Heren heeft Baruch een andere rol genomen en daarop geschrevemal de vorige woorden, die op de eerste rol stonden.
Kanttekeningen
Het mag nu in zijn geheel gezien duidelijk zijn, dat alle profetieën over de volken zijn uitgesproken tot aan het 4e jaar van Jojakim, in het 4e jaar van deze koning zijn teboekgesteld en de daarbij voorkomende opschriften ná dat jaar eraan zijn toegevoegd. We kunnen, indien we die opschriften na elkaar lezen, zo ongeveer vaststellen in welke periode zij zijn aangebracht.
Misschien is het beter te spreken van kanttekeningen bij de profetieën, die later bij het overschrijven tot opschriften zijn verwerkt en daarbij zijn verminkt.
We zagen reeds, dat de 1e profetie over Egypte zijn vervulling vond in het jaar 609 v. Chr. (Jer. 46:2).
Het woord over de Filistijnen kwam vóórdat Farao Necho Gaza innam. Dit is gebeurd tijdens de veldtocht naar de Eufraat en vóórdat koning Josia bij Megiddo dodelijk werd verwond. De vervulling zelf kon nog niet worden aangegeven. Het 3e opschrift staat boven de profetie over de Arabieren
(Jer. 49:28): "Over Kedar en over de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, verslagen heeft." Over de vervulling van deze profetie lezen we in de notities betreffende het 6e jaar van Nebukadrezar het volgende: "De koning van Akkad voerde zijn leger Hatti-Iand binnen. Hij zond zijn leger uit Hattiland, deed een inval in het woestijngebied, nam veel buit van het land der Arabieren, ook hun kudden en godenbeelden in een groot aantal"."
Het 6e jaar van Nebukadrezar = het ge jaar van Jojakim = 600 v. Chr. Het 4e opschrift vinden we bij de profetie over Elam (Jer. 49:34): "Hetgeen als woord des Heren kwam over Elam, in het begin der regering van Zedekia".
Nu moet het ons bij het lezen hiervan eigenlijk aanstonds duidelijk zijn, dat dit eenvoudigweg niet kan. De profetieën over de volken, waaronder óók Elam, werden uitgesproken vóór het 4e jaar van Jojakim en derhalve niet in het begin der regering van Zedekia.
De vervulling van de profetie kan evenwel zo worden gedateerd, want de notities van de koning van Babel geven daarover uitsluitsel nl. in het ge jaar van Nebukadrezar = het 2e jaar van Zedekia = 597 v. Chr.6.
Waarom missen we soortgelijke kanttekeningen bij de overige profetieën over Egypte 11,Moab, Ammon, Edom en Damaskus? Wel, omdat die profetieën in de periode, dat de eerdergenoemde kanttekeningen werden geplaatst, nog niet in vervulling waren gegaan.
Zo lezen we in 2 Kon. 24:2-4, dat de benden van Moab en Ammon door de Here tegen Juda werden gezonden om de opstand van Jojakim tegen Nebukad rezar te bestraffen (het 8e jaar van Jojakim = 601 v. Chr.).
In Jer. 27:3 vinden we, dat in het 4e jaar van Zedekia (28:1) afgezanten van de koningen van o.a. Edom, Moab en Ammon zich voor een samenzwering tegen Nebukadnezar te Jeruzalem bevinden (595 v. Chr.). Het waren toen nog steeds koninkrijken, die de vervuIling van de profetieën, die over hen waren uitgesproken, nog niet hadden ervaren.
Ondanks de waarschuwende woorden van Jeremia om niet te luisteren naar het verhaal van de valse profeet Hananja, dat binnen twee jaar al het vaatwerk van het huis des Heren en al de ballingen naar Jeruzalem zouden terugkeren, werd de samenzwering voortgezet. Zedekia kwam in opstand en in diens ge regeringsjaar rukte Nebukadrezar op tegen Jeruzalem en sloeg het beleg erom.
We kunnen wel aannemen, dat ná de 2e wegvoering naar Babel er geen mogelijkheid of gelegenheid tot het plaatsen van verdere kanttekeningen op de boekrol meer is geweest.
Eveneens, dat de plaatsing van de kanttekeningen (door Jeremia of Baruch?) zijn geschied in de periode vanaf het 4e jaar van Jojakim tot halverwege de regering van Zedekia. Tot slot keren we terug naar het schriftgedeelte waarmee we zijn begonnen en lezen nu: "Over Egypte, Tegen het leger van Farao Necho, de koning van Egypte, en dat door Nebukadrezar, de koning van Babel werd verslagen."
1 A.N.E.T. bldz. 304
2 A.N.E.T bldz. 305
3 A.N.E.T. id.
4 A.N.E.T. bldz. 305
5 A.N.E.T. bldz. 564
6 A.N.E.T. bldz. 563