'Vaderen' en 'kinderen'
1994-03-11
Tijdens het beluisteren van een preek over Lc. 1,17 rezen bij mij twee vragen.- Jaargang 38
- nummer 5
De eerste naar aanleiding van een probleem in de grondtekst. Dáármee zal ik de lezers van ons blad niet vermoeien. Het verhaal zou te 'vaktechnisch' worden. En zó belangrijk is de kwestie voor het verstaan van de boodschap van de tekst nu ook weer niet.
De tweede vraag is: wie zijn in Mal. 4, 6, dat Lucas hier gedeeltelijk aanhaalt, de vaderen en de kinderen?
Met vele anderen, dacht de predikant dien ik beluisterde, dat de profeet het hier heeft over wat wij noemen 'de generatie-kloof'.
Van der Woudé 1 wil daarvan niet weten.
Hij schrijft: "In vers 6a... wordt niet verwezen naar de (onze moderne samenleving plagende) 'generation gap' tussen ouders en kinderen ....
Veeleer hebben wij met Horst te denken aan een typisch motief van de oudoosterse volkseschatologie: aan het komende oordeel, c.q. de heilstijd gaat een desintegratie van de sociale verhoudingen vooraf ...". Hij verwijst daarbij o.a. naar Micha 7, 1-7 en Jer. 9, 1-5.
Bij mij kwam een andere gedachte boven. Ik moest nl. opeens denken aan Jes. 63, 16 "Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet". In zijn commentaar op deze tekst verwijst Beuken 2 naar Dt. 33, 9, waar het van Levi heet: "Die van zijn vader en moeder zeide: ik zie hen niet; zijn broeders wilde hij niet kennen en van zijn kinderen wilde hij niet weten". Mozes zinspeelt hier op de geschiedenis, in Ex. 23, 27 vlgg. vermeld, waar de Levieten gehoorzaam Mozes' opdracht uitvoerden: "ieder dode zijn broeder en ieder zijn verwant en ieder zijn naaste". Beuken schrijft dan: "Juist het feit dat nergens in de Schrift behalve in deze tekst en in Jes. 63:16 de werkwoorden yada en hikkir in parallelle positie voorkomen, versterkt de opvatting dat de zin 'Abraham en Israël kennen ons niet' het volgende betekent: de aartsvaders hebben de verbintenis met hun nageslacht opgezegd."
Ik vraag mij nu af: hebben zo ook in Maleachi's dagen de aartsvaders zich volgens den profeet van hun kinderen van zijn dagen afgekeerd? Is hun toenmalige nakroost hun vreemd geworden en willen ze daarvan niet langer weten? En krijgt nu de komende Elia de taak die ongehoorzame
(Lc. 1,17) kinderen weer in het spoor der vaderen terug te brengen, zodat de aartsvaders van hun kant nu ook hun kinderen weer genegen worden?
Ik kijk even terug naar de Elia uit Achabs tijd. Als deze na het mislukte optreden van de Baälpriesters naar voren komt, bidt hij aldus: "Heere, God van Abraham, Isaäk en Israël, heden moge bekend worden, dat Gij God zijt in Israël, en dat ik uw knecht ben, en op uw bevel al deze dingen doe, Antwoord mij, Heere, antwoord mij, opdat dit volk wete, dat Gij, Heere, God zijt en dat Gij hun hart weer terugneigt (1 Kon. 36, 37). Het 'terugneigen van de harten der kinderen', dat de door Maleachi beloofde Elia tot stand zal brengen, blijkt hier ten diepste het werk van den Heere zélf te zijn. En Hij doet dat blijkens Elia's aanhef als God van de aartsvaders.
Ik kijk ook even vooruit. Als de Farizeeën en Sadduceeën bij hem komen, zegt de nieuwtestamentische Elia hun meteen, dat ze zich niet moeten verbeelden kinderen van Abraham te zijn (Mt. 3, 9); een thema waarop Jezus later zal voortborduren (Jh. 8, 30-47).
Ik hoop dat met name de oudtestamentici onder ons mijn suggestie eens willen overwegen.
Noten
1 Dr. A.S. van der Woude, Haggai en Maleachi (in De prediking van het Oude Testament), Nijkerk 1982, blz. 159.
2 Dr. WAM. Beuken, Jesaja deellllb (in De prediking van het Oude Testament), Nijkerk 1989, blz. 24.