Eeuwigheid (2)

1994-03-25
  • Jaargang 38
  • nummer 6
Hier volgt mijn antwoord op het 2e artikel äetdrs. H. de Jong (11 februari 1994) heeft gewijd aan mijn boek 'De grote Toekomst van Israël, de Kerk en de Volken', Kampen 1992, 450 blz.

1) Tijd en eeuwigheid
Ds. de Jong zegt in zijn tweede artikel dat ik met een beroep op het hebreeuwse woord en begrip 'olaarn' tracht af te komen van de 'eeuwigheid'.
Dat is echter allerminst het geval.
Waarom zou ik dat toch willen!
Hoe zou dat in mijn hoofd kunnen opkomen?
Mijn boek is juist vol van het boven-alle-tijden staan van de levende God, de Schepper van hemel en aarde die in Jezus Christus, de Heer, de 'eeuwen' (aionen) heeft geschapen. In die aionen werkt God de Here Zijn grote heilsplan uit tot eer van Zijn grote Naam. Helaas is in de bijbelvertalingen (nagenoeg in alle) zoekgeraakt het zicht op het geweldige feit dat God de Here door Zijn zoon de 'eeuwen' (aionen) heeft geschapen en dat Hij Zijn heilsplan met de mensheid in die tijdsperioden uitwerkt. Deze door Jezus Christus gemaakte tijdsperioden zijn als het ware ingebed in het niet te vatten goddelijke bestaan dat er was vóórdat die eeuwen gemaakt werden en dat er zal zijn als die eeuwen voltooid zullen zijn. Zo spreekt m.i. de Schrift. Door een veronachtzaming van deze aionen van Jezus Christus zijn er grote misvattingen ontstaan in het verstaan van Gods heilsplan. De aionen van Gods hei Isplan zijn vervaagd in een 'eindeloze eeuwigheid', hoewel de Schrift de heilsgebeurtenissen steeds een plaats geeft in 'bepaalde tijden', fasen, perioden.
Zo kon men gaan spreken over Gods 'eindeloze toorn' en Zijn 'eindeloze straf'. Hebreeën 1:2 zegt (N.B.G.
vertaling) dat God Zijn Zoon heeft gesteld "tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld heeft geschapen". In het oorspronkelijke staat er dat God door de Zoon de eeuwen (aionas) geschapen heeft. God gaf in Zijn heilsplan de eeuwen hun aangewezen plaats. Als we die 'eeuwen' vertalen door 'wereld' (kosmos) raakt er m.i. een belangrijk inzicht zoek. Zo laten ook de meeste vertalingen in Mattheüs 24:3 de discipelen Jezus vragen, als ze de majestueuze tempel gebouwen zien waarvan Jezus zegt dat ze geheel zullen worden weggebroken: "wanneer zal dat geschieden en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?" Er staat echter, zoals we weten, dat de discipelen Jezus vragen naar de voleinding van de eeuw (aioon) waarin zij leven. Eerst in de voleinding van de aioon zal het wereld bestel van die aioon plaats maken voor het bestel van de komende aioon. Zo spreekt m.i.
de Schrift. Zo is het voortschrijden in de eeuwen van Gods grote heilsplan, waarin Hij eenmaal alles zal worden in allen, onplaatsbaar en on.voorstelbaar geworden in een 'eindeloze eeuwigheid'.

2) Genesis 21:33
Ds. de Jong betwijfelt of het juist is in Genesis 21:33 te zeggen dat Abraham bij Berseba de naam van de HERE 'de God van de eeuw' heeft aangeroepen in plaats van 'de eeuwige God' zoals de gangbare bijbelvertaling heeft. Hier kan alleen de Schrift zelf scheidsrechter zijn.
Genesis 21:33 zegt in het Hebreeuws: "En Abraham ... riep de naam aan van de HERE (Jahweh). de God (EI= enkelvoud van Elohim) van de oteem". .
Deze hebreeuwse relatie tussen Jahweh en de tijd van de olam (eeuw) wordt bevestigd door het spreken van MOZES in Psalm 90:2, waarnaar ds. de Jong ook verwijst. In Psalm 90:2 staat in onze vertalingen: "Ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God".
In het Hebreeuws staat er: "Ja, van ad olam (= eeuwdurend) tot ad olam (eeuwdurend) zijt Gij God (EI=enkelvoud van Elohim)". Ad-olam is een iets preciserende hebreeuwse uitdrukking, het wil zeggen: de eeuwuit-
durend. ELOHIM duidt in het Hebreeuws op God de HERE, als de Almachtige, die dat is van 'eeuw' tot eeuw', Zij n gehele hei Isplan door. Dat is hebreeuws gedacht en voegt zich ongekunsteld in het denken van de gehele Schrift. Het griekse 'eindeloos' is in de christenheid slechts een helleens binnenstulpset. Ik meen in mijn boek dat proces correct te hebben beschreven.
Ds. de Jong verwijt mij dan ook ten onrechte dat ik de toekomstverwachting 'konkreet' wil hebben en dat ik daarvoor ruimte denk te scheppen door de 'eindeloze eeuwigheid' van de gangbare bijbelvertalingen in te ruilen voor de 'eeuw van de grondtekst'.
Zijns inziens is de vaagheid van het bijbelse 'olaam-denken', waarover ik mij zou beklagen, juist zo bedoeld.
Maar ik beklaag mij in het geheel niet over de vaagheid van het olaambegrip, want het blijkt juist zeer konkreet op de tijd betrekking te hebben.
Ik heb er wel bezwaar tegen, zoals ik in het vorige artikel beknopt heb uiteengezet, dat in de dogmatieken en de exegeses de onbekendheid van de duur van een olaam of aioon wordt gemaakt tot onbepaaldheid van die duur. Daardoor wordt Gods vaste voornemen onbepaald gemaakt wat m.i. in strijd is met wat de Schrift bij voortduur onderwijst.

3) Lukas 1:32
Ds. de Jong wijst er op dat Lukas 1:32 zegt: "en de Here God zal Hem (Jezus) de troon van zijn vader David geven en Hij zal als koning heersen tot in eeuwigheid, en Zijn koningschap zal geen einde hebben". Hier schijnt het dat de Schrift reeds lang het begrip 'eindeloosheid' kent en de legitimering ervan niet behoefde te wachten op keizer JUSTINIANUS, die - zo heb ik in mijn boek vermeld - dat begrip eerst in de 6e eeuw legitimeerde. Het verwijt dat ik de duidelijke tekst van de Schrift hier verdraai is echter onterecht.
In de grondtekst staat namelijk niet dat Jezus Christus, Davids Zoon, als koning zal heersen tot 'in eeuwigheid'.
Er staat dat Jezus zal heersen tot 'in de eeuwen' (eis tous aionas).
Vóór het einde van die eeuwen (aionen) zal Zijn koningschap geen einde hebben! Na die eeuwen zal Jezus Christus echter overeenkomstig de openbaring van de apostel Paulus in 1 Corinthiërs 15:24- Zijn koningschap.
teruggeven aan Zijn Vader van wie Hij het ontvangen heeft. Het einde van Zijn koningschap zal gekomen zijn "wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben".
Ik heb niet een bijbelse uitspraak in overeenstemming gebracht met mijn 'vooropgezette mening'. Ik heb de Schrift correct nagesproken.

4) Efeze 3:11
Ds. de Jong meent dat mijn kritiek op de vertaling van Efeze 3:11, waar sprake is van Gods 'eeuwig voornemen' hoewel de grondtekst spreekt van Gods 'voornemen der eeuwen', ingegeven wordt door mijn bezwaar tegen de vaagheid ervan. Inderdaad.
De vaagheid wordt echter veroorzaakt door de niet juiste vertaling. In de vertaling gaat weer een belangrijke informatie teloor. De apostel Paulus laat in Efeze 3:11 zien dat Gods hei Isplan meer dan één toekomende aioon omvat. De griekse tekst spreekt zoals gezegd over Gods 'voornemen der eeuwen' (prothesin toon alonoon), Paulus openbaart dat in dit meer dan één aioon omvattende goddelijke voornemen der eeuwen in de hemelse gewesten de 'veelkleurige wijsheid Gods' bekend zal worden gemaakt door de gemeente die het lichaam van Christus wordt genoemd.
Ik heb in mijn boek besproken wat de Schrift m.i. over de verschillende aionen van Gods heilsplan zegt. De traditionele vertaling van Efeze 3:11 spreekt echter over Gods 'eeuwig voornemen', waarin het zelfstandig naamwoord 'eeuwen' is vervangen door het bijvoeglijk naamwoord 'eeuwig' waardoor de zakelijke mededeling van de apostel Paulus opgaat in de vage mededeling van een in een onbestemde eeuwigheid besloten voornemen Gods.

5) Prediker 1:10
Ds. de Jong betwijfelt of mijn gebruikvan deze Schriftplaats legitiem is. De Statenvertaling zegt in Prediker 1:10: "Is er enig ding waarvan men zou kunnen zeggen: Zie dat, het is nieuw?
het is alreeds geweest in de eeuwen (Ie-olamim) die geweest zijn". Ik heb aan onze Statenvertalers hier de voorkeur gegeven omdat alleen zij de uitdrukking 'eeuwen' (olamim) die de grondtekst heeft, hebben bewaard in de vertaling. Er staat in het Hebreeuws 'Ie-olamim', dat de duur van de eeuwen benadrukt. Deze uitdrukking komt in meervoud alleen in Pred. 1:10 voor.
Ik ken in de Schrift geen andere 'eeuwen die geweest zijn', dan die ik heb besproken. Indien iemand meer licht heeft in deze zaak houd ik mij broederlijk aanbevolen. Mijns inziens doen wij aan de wijsheid van Salomo in Prediker zeer tekort als we die bijna laten opgaan in het op zijn nummer willen zetten van de mens die zijn plaats niet weet. Salomo spreekt onder meer met grote kennis van zaken over de grondslagen van onze schepping; daarvoor begint in onze tijd veel meer oog te komen.

6) Geen secularisatie
Het is m.Î. onterecht als ds. de Jong zegt dat ik tegen alle woordenboeken in beweer dat 'olaam' een concrete hebreeuwse tijdsaanduiding is. Hij zegt dat mijn boek op die bewering rust en hem dat daarom een secularisatie toeschijnt. Het tegendeel is m.Î.
het geval. Olaam is een niet bij mensen bekende maar wel een bepaalde tijdsduur. De woordenboeken staan aan mijn zijde. Alleen de dogmatieken onttrekken zich daaraan. Dat in te zien is niet een secularisatie maar een terugkeer naar bijbelse waarheid.
Eeuwige verwerping, eeuwige dood, eeuwige straf zijn onbijbelse leringen.
Ze doen zeer tekort aan de verzoening van Jezus Christus, de Redder der wereld. Onze Calvinistische vaderen waren er soms zo dicht bij. Maar dan waren er weer zulke ogenschijnlijk machtige tegenspraken: "Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat!"
Totdat gezien wordt dat hier sprake is van Gods vrijmacht in het stellen van Jakob boven de eerstgeboren Ezau in Zijn grote reddingsplan. Want in de Schrift is verkiezing altijd ten gunste van de niet verkozenen.
Ik heb persoonlijk ervaren hoeveel er nodig is voor de bereidheid een geloofsinzicht te toetsen aan de Schrift.
Daarom prijs ik drs. de Jong, men vergunne het mij, voor deze bereidheid in zijn m.i. begrijpelijke tegenwerpingen.
Mijn antwoorden bedoelen geen twisting, maar verder onderzoek.

7) Israël, de onvruchtbare vijgeboom
Ds. de Jong heeft er bezwaar tegen de woorden die Jezus in Mattheüs 21:19 spreekt tegen de onvruchtbare vijgeboom: "Nooit groeie aan u enige vrucht in eeuwigheid" op Israël te betrekken. Hij acht dat een overvragen van de bijbeltekst en biblicistische willekeur. Hij is van mening dat Jezus' uitroep blijk geeft van Zijn emotie en verontwaardiging over, plastisch gezegd, die 'rotboom'.
De tegenwerpingen van ds. de Jong zijn rn.i. begrijpelijk. Wij zijn allen groot geworden bij de thesen van de christelijke dogmatieken die de christelijke kerk zien als de voortzetting in geestelijke zin van de roeping die Israël heeft ontvangen. Dan is er weinig aanleiding aan Israëls aardse roeping te denken in de verontwaardiging van Jezus over een Israël dat zijn nationale koning afwijst. Want Israëls koninkrijk zou immers komen in de gedaante van de christelijke ecclesia.
Dan is er geen plaats in het Schriftverstaan voor een vijqeboorn die symbool is van Israëls koninkrijksroeping evenmin als Israëls godsdienstige roeping getypeerd zou zijn in de olijfboom waarover de apostel Paulus in Romeinen 11 spreekt. We kunnen dan ook niet aanvaarden dat reeds in de rede van Abimelech in Richteren 11 Israëls verschillende roepingen in de verschillende bomen zouden zijn getypeerd.
Als we echter op de grondtekst van Mattheüs 21:19 letten dan zegt Jezus tot de onvruchtbare vijgeboom: "Nooit groeie aan u enige vrucht tot in de eeuw (eis ton aiqna)". Jezus doelt op de toekomende eeuw waarover Hij bij herhaling tot de discipelen heeft gesproken. Eerst dan zal Israël weer vruchtbaar zijn. Jezus' verontwaardiging over de onvruchtbaarheid van de boom ging ook niet tegen de natuurwet in. De vijgeboom die weliswaar nog niet aan de oogsttijd toe was, had reeds bladeren (Markus 11:13). Vijgebomen plegen echter reeds vóór of tijdens de bladzetting vruchten te hebben.
Deze boom stelde wel zeer teleur.

8) Selectief en willekeurig?
We moeten thans tot een besluit van dit artikel komen en een enkel punt onbesproken laten. Anders wordt het misschien te lang. Ds. de Jong besluit zijn tweede artikel met verschillende bezwaren tegen mijn boek en mijn omgaan met de Schrift. Hij is beducht dat de Schrift op deze wijze niet meer een boek wordt voor dorstigen maar voor nieuwsgierigen en dat geen liefde tot het Woord maar een hekel er aan het gevolg kan zijn. Hij vindt het alles te moeilijk worden. Hij besluit met een variant op een woord van Jezus: de bijbel is er voor de mens en niet de mens voor de bijbel. Wat hiervan te zeggen. Is dat het karakter van dit boek dat velen prijzen vanwege de grote vertroosting die het bevat? Algemene tegenwerpingen zijn altijd moeilijk te weerspreken. In mijn boek is de Schrift inderdaad een zeer betrouwbaar historisch document tot in de onderdelen van Gods grote reddingsplan tot redding van de gehele mensheid.
Beoogt het de prediking te veranderen?
De kern van de bijbelse boodschap van alle tijden is en zal steeds dezelfde blijven: alle heil is door Jezus Christus en die gekruisigd. Maar de visie op de toekomst zal zich m.i. inderdaad ingrijpend moeten wijzigen.
De christelijke ecclesia is m.Î. niet in Israëls plaats gekomen. Zij heeft een verderreikende en hogere boodschap dan Israël. Het toekomstige Israël dat in Jezus, Davids Zoon zijn Messias zal erkennen, heeft de roeping in de toekomende eeuwen alle bewoners der aarde te maken tot onderdanen van Sions Koning, tot kinderen Gods. De hemelse ecclesia van Jezus Christus is geroepen alle kinderen Gods te doen opwassen in geloof tot mondige zonen en volkomen mannen in het geloof. Dat zal zich in de beide toekomende eeuwen verwerkelijken, totdat langs Gods wegen en op Zijn tijden de gehele mensheid zal zijn gekomen tot aanbidding en lofprijzing van Gods grote Naam.

Slotopmerking
Ik zeg drs. de Jong hartelijk dank voor de inspanning die hij zich heeft willen getroosten in het bespreken van het grote onderwerp de 'eeuwigheid'. Het zal m.i. een van de fundamentele onderwerpen zijn waarmee onvermijdelijk de gehele christenheid zal worden geconfronteerd. De tijd roept er om.

Naschrift
Ik dank de heer Keizer voor de vriendelijke toon waarop hij op mijn artikelen over zijn boek geantwoord heeft.
Om 'herhaling van zetten' te voorkomen lijkt het mij beter dat ik nu niet nog eens op zijn gedachten inga.

H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief