Trouwen of samenwonen, cultuur of norm: een reaktie (2)
1994-03-25
Als ik me niet vergis bevat de reaktie van Anne Bergsma een tweetal kerngedachten.- Jaargang 38
- nummer 6
De eerste is, dat het huwelijk geen bijbelse norm is. De tweede - hieruit voortvloeiende gedachte - is een benadering van trouwen en samenwonen waarbij niet de vorm, maar de aard van de relatie (liefde, trouw, exclusiviteit en betrokkenheid op de Schepper) kriterium is. Voor de praktijk van het pastoraat betekent dit, dat mensen die serieus samenwonen volledig geaccepteerd moeten worden.
Mijn pleidooi voor het op verandering gerichte gesprek met allen die saménwonen typeert hij als een 'jacht op samenwonenden'.
Op beide kerngedachten wil ik in dit artikel ingaan, overigens zonder ze als afzonderlijke punten te bespreken.
Vergissing?
Mag een verbondssluiting voorafgaande aan het aangaan van een totaalrelatie een bijbelse norm genoemd worden? Zo vertaal ik de vraag van Anne Bergsma, om het misverstand te vermijden dat het mij - hoe infantielenkel om de gang naar het stadhuis zou gaan. De bespreking van dit punt wordt des te boeiender wanneer je er een opmerking van ds. H. de Jong uit hetzelfde Opbouw-nummer bij betrekt: "Moeten we niet erkennen dat het beroep op de bijbel voor de ethiek knap lastig is en dat de weg waarop dit de geschiedenis door gegaan is bezaaid is met treurige vergissingen?" Ik pas deze vraag toe op mijn Bijbelgebruik inzake relaties en relatievorming en vraag me af of dit er één is. Anne Bergsma twijfelt daar niet aan, gezien de overeenkomst die hij ziet tussen mijn opvattingen en het principieel verwerpen van televisie, fietsen op zondag, voorbehoedmiddelen, kort haar voor vrouwen en de bolvormige aarde. Slechts een cultureelmaatschappelijk instituut zou ik verdedigen.
Ik weet deze uitleg van Anne Bergsma niet beter te weerleggen dan door stap voor stap de weg die ik gegaan ben nog eens te bewandelen, hier en daar nader toe te lichten en te verantwoorden.
Woord èn wijsheid
Overzien we mijn argumentatie, dan valt er een onderscheid te maken tussen een tweetal 'typen' argumenten.
Ten eerste direkt bijbelse argumenten, d.w.z. argumenten die teruggaan op het beluisteren van Gods Woord. Ten tweede indirekt bijbelse argumenten, d.w.z. argumenten die met wijsheid, doorleefde en doordachte ervaring te maken hebben, 'menselijke' argumenten.
Beide typen argumenten vullen elkaar aan en bevestigen elkaar, zo is mijn indruk.
Graag benadruk ik, dat het publiek en '.
officieel aangaan van een totaalrelatie voor mij óók in de sfeer van de wijsheid ligt. De wijsheid echter heeft iets wat alle eeuwen meegaat (kijk maar naar de wijsheid in de Schriften), omdat ze raakt aan zo iets essentieels en algemeen menselijks, dat ze boven tijd, plaats en - dus - ook cultuur, verheven is. Het kan mij er dus nooit om te doen zijn slechts een cultureelmaatschappelijk instituut te verdedigen, het gaat dieper, het gaat me allereerst om de wijsheid, die in dat cultureel-maatschappelijke instituut tot uitdrukking komt.
Laat ik nu op beide bovengenoemde typen argumenten wat dieper ingaan.
Eerst de direkt bijbelse argumenten.
Verbond een feit
Ten eerste draagt het huwelijk in het O.T. het karakter van een verbond. Met vele anderen maak ik dit o.a. op uit Spr. 2:17; Ez. 16:8en Mal. 2:14,om me tot de meest expliciete aanwijzingen te beperken.
Er zijn exegeten, die w.b. deze verbondssluiting een andere mening zijn toegedaan, vooral omdat harde gegevens dateren uit de na-exilische tijd. In Ez. 16zou het woord 'verbond' niet slaan op de huwelijkssluiting, maar op het verbond tussen God en zijn volk bij de Sinaï. En dat de echtgenote in Mal.
2:14 de 'vrouw van het verbond' genoemd wordt, zou enkel betekenen, dat zij deel uitmaakt van het verbondsvolk.
Deze interpretaties staan echter niet sterk. W.b. genoemde teksten: In Mal. 2:14 staat niet de vrouw van het verbond, maar de vrouw van uw verbond.
Dit pleit voor de opvatting, dat het gaat om een vrouw met wie de aangesprokene zelf een verbond heeft gesloten. W.b. Ez. 16, de slagkracht van dit bijbelgedeelte zit 'm in de analogie met het alledaagse leven. De HERE wil op zijn volk overbrengen hoe diep het zich moet schamen voor de ontrouw jegens Hem. Daarvoor gebruikt Hij een voor de hoorder herkenbare beeldspraak, die van de relatie tussen man en vrouw. Door het volk met een verloren wegwerpkindje te vergelijken maakt Hij duidelijk dat Zijn band met Israël pure genade is. Door de uitdrukkingen: "Ik spreidde de slip van mijn kleed over u (verg. Ruth 3:8!) en bedekte uw naaktheid, Ik ging onder ede een verbond met u aan...", wordt de hoorders vervolgens volstrekt duidelijk wat de aard van de relatie tussen hen en de HEREis.
Zoals de man recht heeft op de vrouw en zij op hem - zij zijn immers een verbondsrelatie aangegaan -, zo heeft de HERErecht op Israël en Israël op de HERE.Wanneer de eed en het verbond ter sprake komen, worden geen 'vreemde' elementen de beeldspraak ingevoerd, maar elementen die herkenbaar waren in het dagelijkse leven.
M.a.w. het door Anne Bergsma terecht gesignaleerde metaforische karakter van Ez. 16doet niets af van het feit, dat de huwelijkssluiting als een verbondssluiting werd gezien. Integendeel, juist dankzij deze consequent doorgevoerde beeldspraak wordt duidelijk, dat van een verbondssluiting - in welke vorm dan ook - sprake was.
Totaalrelaties werden 'officieel' gesloten.
Dit geldt m.i. ook van het huwelijk van Isaäk en Rebekka (Gen. 24:67), dat door Anne Bergsma aangevoerd wordt als een voor ons onderwerp meer relevante Schriftplaats. Dan ziet hij verschillende dingen over het hoofd: 1. de overhandiging van de bruidsschat in :53; 2. de zegengroet in :60, die qua funktie en strekking enige gelijkenis vertoont met Ruth 4:11-12; 3. het feit, dat Rebekka haar gezicht met de sluier bedekt zodra zij Isaäk ontmoet. De ondertrouwde vrouw namelijk bleef voor haar echtgenoot gesluierd tot na de officiële huwelijksvoltrekking.
Hiervan maakte Laban gebruik bij zijn bekende wisseltruc. 4.
de uitdrukking 'hij nam Rebekka' moet hier waarschijnlijk gezien worden als de gebruikte term voor de öfficiële
huwelijkssluiting.
Publiek èn feestelijk
Ook andere Schriftgegevens zijn van belang. Bijv., dat de huwelijkssluiting gepaard ging met een grote maaltijd.
Gen. 29:22: En Laban vergaderde al de mannen van die plaats en richtte een maaltijd aan. De sluiting van het huwelijk droeg een publiek, feestelijk karakter.
Het feestelijk karakter moge ook blijken uit de liederen die dan gezongen werden (het Hooglied) en de raadsels (Ri. 14) die werden opgegeven. In kringen waar het huwelijk in ere is pleegt men vergelijkbare dingen overigens nog wel te doen. Het aangaan van een totaalrelatie wordt daar als iets heel bijzonders ervaren.
Nog geen norm ...
Nu ben ik me bewust, dat met deze gegevens op zich nog niet iets normatiefs is gezegd. Immers, uit het feit dat men tóén een verbond sloot, tóén feest vierde, mogen wij niet concluderen dat we het ook zo moeten doen. Laat staan dat we meteen van een bijbelse norm moeten spreken. in dit verband zou gewezen kunnen worden op de vele ingrijpende en minder ingrijpende verschillen tussen het toenmalige en huidige huwelijk: de bruidsschat, de rol van de ouders, i.h.b. de vader, het feit van het polygame huwelijk, het leviraatshuwelijk om maar enkele van de ingrijpende verschillen te noemen.
Hoewel al deze gebruiken voorkwamen, worden ze daarmee niet tot norm voor ons.
Dit ben en was ik me bewust. Waarom dan toch die publieke verbondssluiting hiervan onderscheiden en NB een bijbelse norm noemen? Dat heeft te maken met de wijze waarop in de Bijbel de bijzondere relatie tussen man en vrouw gebruikt wordt als beeld voor de bijzondere relatie tussen de HEREen zijn volk.
Liefdesrelatie en ...
Eén van de prachtige lijnen door de Schrift is de tekening van Gods relatie met Zijn volk als een huwelijksrelatie.
Enkele bekende passages in het O.T.
waarin van de huwelijkssymboliek gebruik gemaakt wordt zijn: Jes. 54:4-9; Jer. 2,3; Ez. 16,23; Hos. 1-3.
Ook in het N.T. wordt dit beeldgebruik voortgezet, maar dan toegepast op de verhouding tussen de Here Jezus Christus en zijn gemeente. Hij is de bruidegom, zij is de bruid en vol verlangen zien bruid en bruidegom uit naar het bruiloftsmaal van het Lam.
Het mooie van deze beeldspraak is, dat de aard van de relatie tussen de HEREen zijn volk er zo prachtig in uit komt. Die relatie is een liefdesrelatie.
"Mijn geliefde is van mij en ik ben van hem!" zingt de bruid in Hooglied 2:16 het uit. Zo mocht Israël het uitzingen van de HERE. "Sta toch op, mijn liefste, mijn schone, en kom!" hunkert de bruid in Hooglied 2:10 en 12. Zo hunkeren wij naar de komst van de Bruidegom.
Wonderlijk, maar zo lief heeft de heilige God, de Schepper van hemel en aarde ons. Je gaat gewoon iets beter begrijpen waarom Hij voor onszijn grote liefde! - het grootst denkbare offer heeft willen brengen ... En wij, zijn wij het smetteloze witte bruidje ...!?
Verbondsrelatie!
Maar wat is nu kenmerkend voor deze liefdesrelatie tussen de HEREen zijn volk? Dat deze liefdesrelatie tevens een verbondsrelatie is. Dát de HERE God Zijn volk liefheeft, met Israël om wil gaan en hoe en voor hoelang en met welke intentie en op welke voorwaarden, dat houdt Hij niet vaag, laat Hij niet in het onzekere. Nee, Hij gaat onder ede een verbond met ons aan.
Zo wil Hij ons van zijn blijvende trouw overtuigen en zo wil Hij ons op blijvende trouw vastleggen. De HEREwil zijn liefdesrelatie met Israël officieel, rechtsgeldig maken. Het feestelijk karakter hiervan wordt onderstreept door de maaltijd, die de oudsten van Israël mochten hebben in de direkte nabijheid van de HERE (Ex. 24:11). Het publieke en tegelijk legale karakter van de verbondssluiting wordt onderstreept door het feit, dat de Schepper de hemel en aarde oproept om van deze gebeurtenis getuige te zijn
(Deut. 4:26,31:28).
Dit geeft aanleiding om alvast op de tweede kerngedachte van Anne Bergsma in te gaan, de ontkoppeling van de aard van de relatie en de relatievorm.
We moeten concluderen, dat de HEREdit in Zijn relatie met Israël niet heeft gedaan. Hij gaf vorm aan de aard van de relatie door de sluiting van een verbond.
Het is vanuit dit gegeven, dat ik de vrijmoedigheid heb in de verbondssluiting voorafgaande aan een totaalrelatie meer te zien dan enkel een cultuur- en tijdgebonden fenomeen.
Wie de weg van de publieke verbondssluiting gaan, gaan de weg die de HEREzelf is gegaan met zijn volk. Een relatie die naar haar aard een liefdesrelatie is, maar naar haar vorm een verbondsrelatie.
Het aangaan van een totaal relatie - en mutatie mutandis geldt dit ook voor geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw - is dus een moment van belangrijk emotioneel, psychisch en sociaal belang. In de oudheid kwam hierbij nog een economisch belang bij, maar dat is in onze tijd wat op de achtergrond geraakt, zij het niet verdwenen.
En dat geldt ook voor het aspekt van veiligheid.
Twee wegen
Maar nog is de argumentatie niet rond. Tot nu toe werd eenzijdig vanuit de openbaring van God in Zijn Woord gesproken. Komt echter een bepaalde door de Schrift aangereikte vorm door maatschappelijke veranderingen onder kritiek te staan, dan is het niet sterk je uitsluitend, eenzijdig op Gods Woord te beroepen. De omstandigheden dwingen je dan bepaalde zaken in heroverweging te nemen naar de blijvende wijsheid in het geopenbaarde te zoeken.
daarom ben ik op basis van de door de Schrift aangereikte gegevens op meer menselijke wijze gaan zoeken naar ondersteunende en aanvullende argumenten. zoeken naar de zin van de verbondssluiting: hebben we hier inderdaad met iets van blijvende betekenis te maken? Naast de weg van de openbaring bewandel je dan de weg van de wijsheid. Deze weg noem ik indirect Bijbels.
Bijbels, omdat de in de vreze des HEREN verwortelde, doordachte ervaring een plaats heeft gekregen in de Schriften. Indirekt bijbels, omdat de argumentatie hoewel doortrokken van bijbels gedachtengoed, uiteindelijk op onze tijd- en plaats- en persoonsgebonden ervaring teruggaat. Gaande de meningsvorming worden beide wegen overigens gelijktijdig bewandeld.
Kostbaar en kwetsbaar
Reeds eerder heb ik de betekenis van het woord totaal relatie uitgelegd.
Reeds eerder heb ik zo'n relatie kostbaar en kwetsbaar genoemd. Kostbaar omdat het vinden van een levenspartner, het zó liefhebben en zó geliefd worden eenvoudig tot het mooiste behoort wat een mens kan overkomen.
Kwetsbaar omdat een medemens letterlijk en figuurlijk zo dicht op je huid komt, zo diep tot je doordringt, dat je elkaar tot een grote zegen of tot een verschrikkelijke vloek kunt worden.
De in principe definitieve keuze voor een levenspartner is een uiterst ingrijpende gebeurtenis in iemands leven. In India kent men zelfs een spreekwoord dat luidt: Je wordt maar één keer geboren, je trouwt maar één keer en je sterft maar één keer. Het aangaan van een totaal relatie - en mutatie mutandis geldt dit ook voor geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw - is dus een moment van belangrijk emotioneel, psychisch en sociaal belang. In de oudheid kwam hierbij nog een economisch belang bij, maar dat is in onze tijd wat op de achtergrond geraakt, zij het niet verdwenen.
En dat geldt ook voor het aspekt van veiligheid.
Vormgeving gewenst
Het kostbare en kwetsbare karakter van een totaalrelatie dwingt ons bij het aangaan ervan en bij het inhoud geven eraan tot grote zorgvuldigheid. Het menselijk hart immers is breekbaar en met alles wat breekbaar is moet zorgvuldig worden omgegaan. Die zorgvuldigheid wordt gediend door vormgeving.
Gebrek aan vormgeving (samenwonen is strikt genomen geen vorm, maar gebrek aan vorm, vormloosheid) dient de zorgvuldigheid niet. Ik zie de vormgeving - oftewel het publiek aangaan van een verbond voor het leven als een noodzakelijk hulplijntje, dat de zorgvuldige omgang tussen man en vrouw bedoelt te dienen.
Ook een pedagogisch argument valt voor vormgeving te geven, een argument dat Anne Bergsma mogelijk zal aanspreken. Hij meent immers dat de eigenlijke strijd die we te voeren hebben, een strijd is voor het rechte zicht op de aard van de relatie. Ik val dat van harte bij. Maar is het niet zo, dat het rechte zicht op de aard van een totaal relatie naar Gods bedoeling ten zeerste gebaat is bij een vorm, die wat de aard van de relatie betreft duidelijkheid verschaft? In de vormloosheid komt niet tot uitdrukking wat een to taal relatie inhoudt. De vormloosheid schept alleen maar verwarring. Maar wat een totaalrelatie naar bijbels begrip bedoelt te zijn, komt maximaal tot uitdrukking in de publieke verbondssluiting, die wij tegenwoordig trouwen noemen.
Nu ben ik niet zo onnozel te denken, dat het dus goed zit als je maar trouwt.
Kom nou toch! Ook staar ik me niet blind op de vorm. Maar juist vanwege de aard van een totaal relatie (zeer kostbaar, zeer kwetsbaar) acht ik vormgeving als hulplijn noodzakelijk.
De aard van deze relatie - vanuit christelijk oogpunt althans - roept om vormgeving. Laat ik dit nader onderbouwen.
Tegen de vormloosheid
• Tegen samenwonen, d.W.Z.tegen de vormloosheid, pleit m.i., dat de samenlevingsvorm te laagdrempelig is. Je bent de drempel zo over, zowel naar binnen, als naar buiten. Mijn ervaring is ook, dat mensen eerder, soms veel eerder, gaan samenwonen, dan dat ze zouden zijn gaan trouwen. De wat hogere drempel van de verbondssluiting is heilzaam. Elkaar leren kennen, naar elkaar toegroeien - of afgroeienzekerheid krijgen - of niet - en ten slotte definitief de stap zetten, dat lijkt me een goede verantwoorde opbouw van een totaalrelatie. Ten overvloede, een goede opbouw van een totaalrelatie wordt door te trouwen natuurlijk niet gegarandeerd, en een goede opbouw van de relatie wordt door het kiezen voor samenwonen niet noodzakelijk geblokkeerd, maar dat er wel degelijk samenhang bestaat tussen het één en het ander valt ook niet te ontkennen.
* Tegen samenwonen pleit, dat de totaalrelatie onnodig kwetsbaar wordt gemaakt. Een totaal relatie is al kwetsbaar genoeg. Door een verbond voor het leven te sluiten, je relatie te legaliseren, toon je - als het goed is! - je bewust te zijn van die kwetsbaarheid.
Zo zoekt de liefde tot de naaste het recht van de naaste. Waar mag de ander op rekenen, welke rechten en plichten neem je t.o.v. elkaar op je. Ik sluit helemaal niet uit dat uitgerekend samenwoners, die op dit punt pijnlijke ervaringen hebben opgedaan, tot de eersten behoorden die samenlevingscontracten sloten ...
Wat uit christelijk oogpunt zo onbegrijpelijk is, is de 'zelf'verzekerdheid, die samenwoners - ook gereformeerde!uitstralen. We kennen het menselijk hart toch, zijn dwaasheid en onberekenbaarheid, zijn geneigdheid tot alle kwaad? De houding van 'Wij hebben dat hulplijntje niet nodig', is me veel te overmoedig.
* Tegen samenwonen pleit ook het individualisme, het a-sociale van deze samenlevingsvorm. In bijna alle gevallen, ik ken één uitzondering, verloopt samenwonen tamelijk geruisloos, soms zelfs zonder de naaste familie, laat staan de gemeente ervan in kennis te stellen. Er kan zelfs geen feestje van af, laat staan de zo dringend nodige voorbede in de gemeente van Christus. En dat terwijl één van de mooiste en meest ingrijpende stappen van het leven gezet wordt! Het mag dan waar zijn wat Anne Bergsma zegt, dat de relatie die man en vrouw aangaan pas in de derde plaats een publiek karakter heeft, maar dat publieke karakter moet dan wel recht gedaan worden. Vormloosheid doet het ook door Anne Bergsma erkende publieke karakter hoe dan ook geen recht.
Dit zijn allemaal indirekt bijbelse argumenten naast de direkt bijbelse argumenten.
AI deze argumenten tegen de vormloosheid van het samenwonen, zijn even zovele argumenten vóór de vormgeving in een publiek aangaan van een verbond voor het leven. Werkelijk, zelfs met de beste wil der wereld lukt het me niet een serieus argument vóór samenwonen te noemen, tenzij van niet-christelijke inhoud.
Wijsheid en openbaring wijzen m.i. in één 'en dezelfde richting. Dit alles geeft mij de vrijmoedigheid om van een bijbelse norm te spreken.
Ja, hoewel ik nog veel zou willen zeggen moet ik zo langzamerhand wel tot een afronding komen. Een paar opmerkingen nog.
Geen jacht
Anne Bergsma tekent mij als iemand die 'jacht' op samenwonenden maakt.
Even nog iets over deze terminologie.
Woorden als 'verbetenheid', 'jacht', 'strijd', 'front', 'tegenstanders' enz.
rieken naar kruitdamp, alsof ik een soort kruistocht tegen samenwonen aan het ondernemen ben. Het is weer één van de naargeestige karikaturen die br. Bergsma van me maakt. Een heel artikel lang doet hij doorlopend mijn standpunt geweld aan en vervolgens bestrijdt hij de door hemzelf ontworpen karikatuur - wat dan natuurlijk een makkie is - alsof hij een serieuze discussie voert. Hoe dan wel? Inderdaad geloof ik, dat we wat te verdedigen hebben, inderdaad meen ik, dat we samenwonen e.d. niet moeten laten lopen. Heel duidelijk heb ik deze benadering echter geplaatst in de kontekst van een totale heiliging van het leven (zie het derde artikel), niet minder duidelijk heb ik gepleit voor een niet-moralistische, maar geestelijke benadering (het vierde artikel) en niet minder duidelijk heb ik gepleit, niet voor tuchtmáatregelen, maar voor gesprek en geduld (het zesde artikel). Wie dit typeert als een jacht op mensen die serieus samenwonen heeft er heel weinig van begrepen.
·Iets· inconsequents?
W.b. het door mij voorgestane beleid t.a.v. hen die hebben samengewoond - geen trouwdienst, maar voorbede in de zondagse eredienst - zegt Anne Bergsma: "Ik ben het eens met ds.
Mudde dat een kerkelijke bevestiging van het huwelijk na jaren van samenwonen iets inconsequents heeft, maar daarmee is dan ook het meest negatieve gezegd."? Hoezo, "Als één lid eer ontvangt delen alle leden in de vreugde."? Hoezo, "weest blij met de blijden, weent met de wenenden."?
Maar los hiervan, wanneer iemand overleden is, en de familie gaat er pas na enkele jaren toe over de begrafenis te regelen, kaarten te sturen, om voorbede voor troost te vragen, het stadhuis in te lichten enz., dan zeg je toch ook niet, dat heeft iets inconsequents, maar daarmee is ook het meest negatieve gezegd? Een kromme vergelijking?
Slechts tot op zekere hoogte omdat het aangaan van een totaalrelatie mèt alle verwikkelingen rond leven en sterven behoort tot één van de ingrijpendste momenten in een mensenleven.
Men herinnere zich het reeds vermelde spreekwoord uit India.
Getuige zijn
Tenslotte nog één ding. Wij christenen kunnen tegenwoordig tussen verschillende samenlevingsvormen een keuze maken. Onmiskenbaar doet de keuze voor een publiek aangaan van een verbond voor het leven (in welke vorm dan ook) het meeste recht aan Gods bedoeling met een totaal relatie. Samenwonen echter is een samenlevings'vorm', die evident geworteld is in de niet-christelijke zienswijze op het huwelijk uit de 'Flower Power-tijd': vrije liefde, individualisme en een anarchistische inslag. Wij kunnen kiezen, d.w.z. aan onze christelijke visie vorm geven, of niet. Hoe de keuze ook uitvalt, er is sprake van een signaalfunktie in de samenleving. De keuze voor samenwonen beschouw ik in dit licht als een gemiste kans. Het publiek aangaan van een verbond voor het leven is een relatief klein, maar desondanks mooi middel om je als christen kenbaar te maken in de samenleving.
Waarom dan toch niet?!