Meedoen met Liedboek-2000? (1)
1994-03-25
Onze Nederlands Gereformeerde Kerken staan voor een van de belangrijkste beslissingen in haar geschiedenis. Nee, ik heb het niet over de vraag of ze de gang naar Canossa (lees: Dordt) moeten maken: daar zal het Nederlands Dagblad zich de komende maanden wel op storten.- Jaargang 38
- nummer 6
Het gaat mij om de toekomst van onze kerkzang, die samen met de preek de 'woordverkondiging' uitmaakt. Calvijn noemde liederen 'gezongen gebeden '. Beslissingen over de keuze van een gezangenbundel behoren m.i.
dan ook niet op een laatste vergadering van een L. V. even 'afgehandeld' te worden: het gaat om het hart van ons kerkelijk functioneren.
'Ons' Liedboek?
Misschien denkt u, als u dit leest: "Waar hééft Klein het over? We hèbben toch een liedboek: hèt Liedboek?"
Ja, we gebruiken een liedboek: het 'Liedboek voor de kerken' - en het hangt van de kerken af wat er met dit liedboek zal gebeuren: gehandhaafd en herdrukt, of afgeschaft en vervangen.
De kerken die indertijd het Liedboek voor de kerken samenstelden, hebben de eerste stappen gezet op weg naar een gezangenbundel die mettertijd het Liedboek moet vervangen. In tal van' publicaties wordt zo'n nieuwe gezangenbundel al aangeduid als 'Liedboek-2000'. Dat klinkt futuristisch, maar mijn agenda geeft al 1994aan; de uwe hopelijk ook. Overigens verwacht men niet dat 'Liedboek-2000' vóór het jaar 2006 klaar zal zijn. Er is dus nog tijd voor bezinning.
In de eerste plaats moeten we ons realiseren dat 'ons' Liedboek in werkelijkheid de gezangenbundel is van de Ned. Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken (syn.), de Evangelisch-Lutherse Kerk, de Doopsgezinde Sociëteit en de Remonstrantse Broederschap.
Zij werkten samen bij de totstandkoming van het Liedboek, namen de inhoud voor hun verantwoording en voerden de bundel in. Wanneer deze kerken, samenwerkend in de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied (I.S.K.), overgaan op een nieuwe gezangenbundel, zullen ze het 'oude' Liedboek niet meer laten herdrukken.
Men kan niet van hen verwachten dat ze rekening houden met kerken die destijds niet hebben 'meegedaan', maar die wel achteraf, krenten uit de pap pikkend, van hun werk profiteren.
Dan komen we als Nederlands Gereformeerde Kerken voor dezelfde keuze te staan als de vorige keer: moeten we een liedbundel overnemen waaraan we zelf niet hebben meegewerkt, voor de inhoud waarvan we niet verantwoordelijk zijn? Moeten we weer een commissie instellen die een beperkt aantal gezangen uit zo'n bundel aanbeveelt?
Wat treft zo'n commissie aan? Valt er uit een Liedboek-2000 even veel goeds te selecteren als uit het 'oude' Liedboek?
Hoeveel van het goede uit dat 'oude' Liedboek raken we kwijt? Heeft wat er voor in de plaats komt voor ons evenveel waarde? Het wordt tijd om ons te bezinnen op de toekomst van ons gemeentelied.
Kerk van Wezep
Op de komende Landelijke Vergaderinçkornt deze zaak aan de orde. Op de agenda staat een voorstel van de kerk van Wezep om als Nederlands Gereformeerde Kerken toe te treden tot de I.S.K. (de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied) en met de huidige lidkerken samen te werken bij de totstandkoming van een nieuw liedboek.
De voordelen daarvan springen onmiddellijk in het oog: zo kunnen we invloed uitoefenen op de samenstelling van onze nieuwe gezangenbundel en dragen we straks mee verantwoordelijkheid voor het eindresultaat (in de laatste acht woorden van deze zin zit meteen het nadeel dat aan dit voorstel kleeft verscholen).
De keuze waarvoor onze kerken staan is: afwachten wat óver ons komt of participeren. Kiezen voor het eerste betekent dat we de problemen naar later verschuiven, wanneer ze moeilijk meer zijn aan te pakken. Veel Ned.
Geref. Kerken zullen dan, voor een voldongen feit staande, het nieuwe Liedboek toch maar invoeren en er het beste van zien te maken. Kiezen voor het tweede betekent een confrontatie met een geestes- en belevingswereld die mijlenver van ons afstaat. Het wordt een heroïsche poging om met de wijsvinger een waterval tegen te houden.
Misschien is er een derde keuzemogelijkheid - maar die zal het meest van onszelf vergen. Met deze artikelen hoop ik een gedachtenwisseling op gang te brengen. Maar nu eerst een stukje voorgeschiedenis.
Liedboek-l 973
Het Liedboek voor de kerken stamt uit 1973. Zoals ik hierboven al schreef werkte bij de totstandkoming ervan een vijftal kerkgenootschappen samen in de I.S.K.: de Doopsgezinde Sociëteit, de Evangelisch-Lutherse Kerk, de Geref. Kerken (syn.). de Ned. Hervormde Kerk en de Remonstrantse Broederschap (de volgorde is alfabetisch; zie het 'Ten geleide' en 'Ter verantwoording' vóór in het Liedboek).
Deze vijf kerken droegen liederen aan, stelden wijzigingen voor, keurden het eindresultaat goed en voerden de bundel in hun erediensten in.
Voor het eerst werd in een kerkelijke liedbundel een zeer ruime keuze gemaakt uit de liederenschat van de Kerk der eeuwen (het baanbrekende werk van Ds. H. Hasper werd, vanwege een geringe dichterlijke zeggingskracht, niet overgenomen, maar in zekere zin voortgezet). We kunnen zeggen dat het Liedboek alle eeuwen van de kerkliedgeschiedenis voor de gemeentezang ontsloten heeft. We treffen er de Griekse en Latijnse hymnen van de Oude Kerk in aan (in vertaling), de (vaak mystieke) gezangen uit de Middeleeuwen, de rijke liederenschat van de Reformatie met haar nadruk op Gods genade, de vrome verzen van het Piëtisme, de barokke zangen uit de tijd van het Rationalisme, de bewogen gezangen uit de kring van het Réveil, de eschatologische liederen van vader en zoon Blumhardt, de liederen-na-Auschwitz van het 'Landvolk'.
Die laatste term heeft misschien nog toelichting nodig. 'Het Landvolk van de Pietersberg' (zie Zacharia 13:5): zo noemde zich een vijftal begaafde en bekwame dichters die in de totstandkoming van het Liedboek een belangrijk aandeel hebben gehad.
Het waren: Willem Barnard, Ad den Besten, Klaas Heeroma (pseudoniem: Muus Jacobse), Jan Willem Schulte Nordholt en Jan Wit (twee van hen, Heeroma en Wit, zijn intussen overleden).
In hotel 'De Pietersberg' bij Oosterbeek berijmden zij samen met enkele 'andere dichters de 150 Psalmen en later vertaalden zij vele gezangen uit de Oudheid, de Middeleeuwen, de Reformatie, het Piëtisme en de 1ge eeuw. Ook schreven ze vele 'Bijbelliederen' (de eerste 115 gezangen in het Liedboek zijn goeddeels van hun hand) en daarnaast ook 'vrije' liederen met een thema naar eigen keuze.
Parels uit de schatkist
Ik zal met het betuigen van m'n erkentelijkheid niet wachten tot al deze dichters zijn overleden. Het overkomt me te vaak dat ik pas uit een In Memoriam verneem wat voor goeds iemand tot stand heeft gebracht. Ik ben het Landvolk diep dankbaar voor de parels die het voor ons heeft opgediept.
Ik doe een greep in de schatkist. Vóór de verschijning van het Liedboek zongen we van Luthers liederen alleen 'Het gebed des Heren' en 'Een vaste burcht'; dankzij het Liedboek zingen we nu ook zijn prachtige genade-lied (gez. 402) en zijn in de Schriften gedrenkte Paaslied (203). Via het Liedboek ontvingen we van de Boheemse en Moravische Broeders een mooi, zuiver gezang over Gods woord (326) en een stralend lied over Gods meer dan moederlijke zorg voor zijn kinderen (409).
Jan Wit schreef zeer poëtische berijmingen van profetieën over Israëls heerlijke toekomst (32, 34, 38) en over de uitstorting van de Heilige Geest op alle vlees (39).
Willem Barnard dolf edelgesteente op uit Britse bodem (109, 299, 303, 457, 460), zong over de Koning die 'rijdt op een ezel', die 'lijdt als een knecht' (42) en over de geestelijke wapenrusting uit Efeze 6 (96).
Muus Jacobse liet de wolk van geloofshelden uit Hebreeën 11 aan ons voorbijtrekken (103) en vertaalde Heermann's gezang over de verlokten, de aangevochtenen, de twijfelenden (168).
Jan Willem Schulte Nordholt bracht de sobere en krachtige hymnen van de Oude Kerk weer tot klinken (156, 197, 226,346) en Ad den Besten liet de bronnen van de Kerkhervorming voor ons vloeien: 158, 203, 213, 216, 344, 375,401,402,409.
En dan noem ik nog Evert Louis Smelik die Frances Havergai's bloempje (Neem mijn leven, laat het, Heer, 473) onder ons tot bloei bracht en de eschatologische liederen uit de Blumhardt-beweging vertaalde (296, 297, 298), en Pieter Dinus Kuiper, aan wie we een prachtig hemelvaartslied te danken hebben (229). En last but not least Cornelis Rijnsdorp met zijn alle eeuwen omspannende Christushymne (gez. 476).
De zak van Aeolus
Die parels uit de schatten van de Kerk der eeuwen zou ik graag voor de gemeentezang willen behouden. Toch kan ik niet voorbij aan het feit dat het Liedboek een monument van moderne oecumene is. Niet alleen zijn alle eeuwen ontsloten, maar er is ook allerlei wind van leer in losgelaten. Het Liedboek is een Golf van Biskaye, waar de winden vrij spel hebben. In m'n serie 'Christus in het kerklied (1)' ben ik daar dieper op ingegaan, daarom beperk ik me nu tot een greep in de zak van Aeolus.
Heel veel gezangen in het Liedboek zijn niet bruikbaar in een gereformeerde eredienst. Vele ervan zijn zó subjectivistisch (355, 356, 433), zo mystiek (132, 323), zo zwoel soms (157, 430,487), dat men ze niet als kerkliederen moet beschouwen. Sommige gezangen zijn zó persoonlijk, zo individueel, dat men ze een gemeente niet in de mond mag leggen. Kun je een gemeente de volgende woorden van Jan Wit laten zingen? (bij Joh. 21:15-23!):
o Heer, blijf toch niet vragen.
Gij weet dat ik U haat.
Ik zou niet meezingen, ook niet met gez. 395, dat ik als persoonlijk gedicht respecteer. Moet een gemeente zich identificeren met de onrechtvaardige pachters, die Christus uit zijn wijngaard werpen, zoals Muus Jacobse doet in gez. 61:3:
o Here God, wat wilt Gij nog?
Zendt Gij uw Zoon? Gij kent ons toch,
Gij weet toch hoe wij met Hem handlen, hoe wij Hem doden als de andren.
Wij werpen Hem uw wijngaard uit om die te erven als een buit.
Hier proef ik de zuurdesem van Karl Barth, die de godvrezenden in de gemeente op één hoop gooide met de goddelozen in kerk en wereld. Wat heeft A. Janse tegen die 'Filistijn' gestreden!"
De 'Bijbelliederen' van het Landvolk zijn niet allemaal zo Schriftuurlijk als je zouwillen verwachten. Zo mis ik in Ad den Bestens berijmingen van de liederen van Hizkia (29) en Jona (40) tempel en verbond: de koning en de profeet worden gëindividualiseerd en van hun plaats (het Jeruzalemse heiligdom) gerukt.
Het moderne horizontalisme vinden we ondermeer in de liederen van Huub Oosterhuis (160.,161,162,488,489), maar ook in die van het Landvolk van de Pietersberg (480). In de volgende aflevering kom ik daar i.v.m. Liedboek-
2000 op terug.
Vooral in de liederen van Huub Oosterhuis treffen we het moderne Jezusbeeld aan. Jezus is de menselijke God, die er voor kiest om zwak te zijn, omdat Hij solidair met ons wil zijn.
Maar Hij wordt geen sterke Heer, die heerschappij voert over ons en over de hele schepping. Zie b.v. gez. 325:3:
Stem die de stilte niet breekt woord als een knecht in de wereld naam zonder lank zonder macht vreemdeling zonder geslacht
Dichterlijk woordenspel
En daarmee zijn we terechtgekomen bij een categorie liederen waarin dichterlijke taal zó met woorden en begrippen op de toop gaat, dat je er allerlei mogelijke betekenissen aan kunt verlenen.
Hier belijdt de gemeente niet meer haar geloof, maar hier bedient de dichter zich van bijbelse woorden en begrippen om er zijn eigen onnavolgbare gang mee te gaan. De gemeente hoort hier en daar oude, vertrouwde bijbelwoorden en meent (of hoopt) dat de bedoeling van de dichter dan wel bijbels zal zijn. Ze heeft vaak geen erg in de onschriftuurlijke denkwereld die zich van bijbelse termen meester heeft gemaakt.
Maar sommigen raken wel in de ban van het dichterlijk woordenspel en beginnen de smaak te pakken te krijgen van de schuimende, mythische wijn van Willem Barnard en de zoete, horizontalistische brandewijn van Oosterhuis. Ze verlangen naar méér van dit betoverende, maar onnavolgbare, spel met woorden en begrippen uit de bijbel. Een behoorlijk gesprek over deze liederen is al niet meer mogelijk: ieder leest er het zijne in, al wordt ook dat steeds vager. Voordat mijn verhaal mistig wordt, geef ik u een lijst van het soort liederen dat ik bedoel: 49, 54: 5, 57,161,172,184,198, 199, 219, 224, 246, 249, 252, 256, 274, 301,318,325,337,339,348,359,363, 487,489,490,491.
Bedoel ik nu dat al deze gezangen alleen maar onschriftuurlijke gedachten bevatten? Nee, dat bedoel ik niet.
In de bonte wereld van Barnard liggen bijbelwoorden, mythe en mystiek als een kluwen ineengerold. Wie lust heeft die kluwen af te rollen (van Barnard mag het niet), mag dat proberen, maar het is geen klus waarmee een zingende gemeente mag worden belast.
Die mag haar geloof in haar Heiland belijden in heldere taal met directe zeggingskracht. Men moet haar niet belasten met zinnen als: "Wij moeten de aarde vergeven! dat zij ons sterven laat" (54:5). Hier wordt Jezus' gelijkenis van de zaaier van haar eenvoudige zeggingskracht beroofd: de mythische denkwereld van de dichter maakt zich er meester van.
Graag wil ik in dit verband Ds. Hasper eens citeren. In het eerste deel van zijn 'Calvijns beginsel voor de zang in de eredienst' schreef hij op blz. 533: "Wanneer Calvijn tegen.over allerlei mysteriën en ceremoniën, die alleen voor ingewijden iets zeggen, het woord stelt, bedoelt hij dat God in Jezus Christus op begrijpelijke wijze iets tot zijn gemeente en tot de wereld te zeqqen heeft en dat de gemeente die Hem antwoordt in aanbidding, dat ook moet doen in een wijze van uitdrukking die de hare is. Dit zijn essentiële dingen, die bij de protestantse eredienst behoren. Zij moet in alle eenvoudigheid een verstaanbare boodschap brengen, in zang en prediking.
Het geloof is nog altijd 'uit het horen, en het horen door het woord van Christus' (Rom. 10:17). Jacques Chevalier bespreekt in zijn 'Histoire de la pensée', I, 1955, eerst de hele Griekse wijsbegeerte: Socrates, Plato, Aristoteles, het Stoïcisme, het Epicurisme, de Sceptici en de Neoplatonici, en zegt dan (blz. 531) dat, toen het heidendom der klassieke wereld zijn ondergang tegemoet ging, Jezus zich wendde tot de eenvoudigen, de kleinen, die geheel vreemd stonden tegenover kunsten en wetenschappen.
Hij onderwees hen 'met een Goddelijke eenvoud, die Hem aanvaardbaar maakte, niet alleen voor een élite van ingewijden, maar voor allen - en voor de kleinen nog meer dan voor de wijzen en verstandigen."
Ik ga voorbij aan de contekst waarin Hasper deze woorden schreef. Ze moesten kracht bijzetten aan de argumenten waarmee hij het gelijk van zijn Psalmberijming verdedigde tegenover een eventuele nieuwe berijming van Klaas Heeroma en andere dichters van professie. Naar mijn gevoel zou Hasper gelukkiger geweest zijn wanneer hij wat meer distantie had genomen van zijn eigen oeuvre. Geen enkele lieddichter!berijmer kan de kwaliteit van zijn eigen werk voldoende inschatten; daarom is terughoudendheid op dat terrein de beste attitude.
Maar met zijn grote liefde voor de liederenschat van de Kerk der eeuwen heeft de hymnoloog Hendrik Hasper ons met de bovenstaande gouden zinnen een gulden regel in handen gegeven, die we ook in de 21e eeuw zullen moeten blijven hanteren: een kerklied is een lied waarin de gemeente zich uitspreekt, niet een gedicht waarin de dichter zich uitleeft.
Zingend geloven
Ik hoop dat de Landelijke Vergadering zich hierop bezint, voordat ze vertegenwoordigers naar de I.S.K. stuurt.
Want als de L.V. over het bovenstaande geen duidelijk standpunt heeft ingenomen, stappen die vertegenwoordigers volkomen onvoorbereid in een trein die al lang aan het rijden is.
De voorbereidingen voor Liedboek-2000 zijn namelijk al jaren aan de gang. De bundeltjes 'Zingend geloven, Bijdragen tot de ontwikkeling van het nieuwe kerklied' hebben daarin een centrale plaats. In het Liedboek-1973 waren het dichterlijk spel met woorden, gedachten en associaties en het gebruik van verhullende taal in zekere zin nog randverschijnselen, in 'Zingend geloven' zijn ze norm geworden'.
Daarover de volgende keer.
Noten
1 Zie afl. 3, 4 en vooral 5 van 'Christus in het kerklied' (Opbouw 1992, blz. 300 e.v.).
2 Zie bijv. A. Janse: Leven in het verbond, blz. 119 e.v. (hoofdst. VIII)