Ik kom al
1995-12-01
Ik weet dat de term 'onzichtbare kerk' onjuist is. Je kunt het beter hebben over de 'onoverzienbare kerk', of iets dergelijks.- Jaargang 39
- nummer 24
Zelf heb ik het wel eens over mijn 'onzichtbare gemeente' - en dan denk ik aan al die mensen die alleen maar op de ledenlijst staan of die helemaal niet op een ledenlijst staan, en die toch op de een of andere manier bij de onoverzienbare kerk horen. Randkerkelijken, over-de-rand-kerkelijken of helemaal buiten-kerkelijken.
Ik laat in kerkdienst en vergadering wel eens merken, dat ik met deze periferie of corona van de gemeente dikwijls beter uit de voeten kan dan met het centrum. Niet iedereen neemt me dit in dank af en ik ben al eens gewaarschuwd dat ik zulke dingen niet te vaak moet ventileren. Van mensen die zich sieren met de enige naam die onder de hemel gegeven is om gered te worden, zou je anders verwachten. Maar ik ben in goed Gezelschap, en van deze kritiek trek ik me dan ook niet zoveel aan...
Ik was al op weg naar huis, toen ik opeens aan haar dacht. Er was geen enkele aanleiding voor, ik dácht gewoon aan haar. Bij de eerste de beste mogelijkheid keerde ik de auto en ik reed terug naar de stad.
Ik zou iedereen willen aanraden: als je zo'n idee/gevoel krijgt, geef er dan onmiddellijk gevolg aan.
Misschien schiet je in de roos, misschien is het loos alarm.
Maar in elk geval krijg je je geweten niet tegen je. Naargeestige straat, donkere gang, rommelige kamer. Daar leeft ze met haar nieuwe vriend. We praten over haar, hem, hun leven, hun werk. Na een uur stap ik maar weer eens op. Loos alarm. Naar huis, naar bed. We hebben al een poos geslapen, als de bel gaat.
Daar staat ze, met haar vriend, helemaal uit de stad gekomen, midden in de nacht. "Natuurlijk, kom binnen!" ik ontvang hen in kamerjas. "U kwam vanavond precies op tijd", zegt ze. "Ik ben in verwachting, en we hadden juist besloten de zwangerschap af laten breken. Maar toen kwam u, en dat kon geen toeval zijn. Maar nu weten we niet meer wat we moeten doen." Dus toch, denk ik, in de roos. We praten erover, we bidden ervoor.
"Nu het nieuwe leven er een keer is ... " En het is goed, zo goed als het met een aanstaande moeder maar zijn kan.
Een week later, op een middag, staat ze weer op de stoep. Heel moe en heel triest. "Ik kon het toch niet", zegt ze, "ik heb het laten weghalen." Dan is er echt brandalarm. Niet om aan te wakkeren maar om uit te blussen, niet om te vermanen maar om te vertroosten. Ik zou iedereen willen aanraden: als je zo'n verkreukeld mensenkind op je weg vindt, houd dan het opgeheven vingertje thuis en laat het Goddelijk mededogen uit je stromen. "Milde handen, vriendelijke ogen zijn bij U van eeuwigheid." Als je het kwaad ziet aankomen, moet je ertegen waarschuwen. Maar als het kwaad dan toch gekomen is, heb je met een heel nieuwe situatie te maken. Dan mag je nëëst 'deze ellendige hier' gaan staan.
Dus maar weer: we praten erover, we bidden ervoor. Je bent zelf toch geen haar beter? Later, toen ze eens in het ziekenhuis lag, na weer zo'n intens gesprek, heb ik haar benoemd tot ouderling - vrouw in het ambt of niet - ouderling in mijn onzichtbare gemeente.