Na twintig jaren
1995-12-01
In de gesprekken met de Chr. Gereformeerden worden wij regelmatig aan de tand gevoeld m.b.t. tot de ordening van ons kerkelijk samenleven. Velen onder hen blijven het onvoorstelbaar vinden, dat kerken die zich Gereformeerd noemen niet uit de voeten kunnen met de aloude D.K.O. En men vraagt zich telkens weer af, of met name de binding aan de Gereformeerde confessie onder ons wel voldoende gewaarborgd is.- Jaargang 39
- nummer 24
Het Akkoord van Kerkelijk Samenleven
In dit kader blijft ons AKS vragen oproepen. En niet alleen bij de Chr. Gereformeerden. Leden van de Kommissie voor Kontakt en Samenspreking lopen daar ook in hun andere kontakten in binnen- en buitenland regelmatig tegenaan. Op zichzelf is het heel goed te begrijpen, dat de ordening van ons kerkverband, die nogal sterk gestempeld is door onze bijzondere geschiedenis in de jaren veertig en zestig, voor buitenstaanders niet zo heel doorzichtig is. Dat maakt, dat we altijd heel wat uit te leggen hebben. Toch hebben wij steeds durven verdedigen, dat we een gereformeerde vorm van kerkregering kennen. AI meer dan eens is er in de samensprekingen met de Chr. Gereformeerden op gewezen, dat ons AKS door hun eigen hoogleraar kerkrecht Prof. Van 't Spijker, in principe een gereformeerde kerkorde is genoemd. Ook al betekent dat niet, dat hij niet ook een aantal vragen aan ons had en heeft te stellen. Ook de Gereformeerde Kerken van Zuid-Afrika (de zgn. Dopperkerken) hebben uitgesproken, dat wij met hen één zijn in 'leer, diens en tug'. Toch gaven o.a. juist deze kerken ons aanleiding om nog eens kritisch naar ons AKS te kijken. Uit Zuid-Afrika ontvingen wij een stevig synoderapport n.a.v. een studie van Prof. Du Plooy, de hoogleraar kerkrecht van Potchefstroom, over ons AKS. Dit rapport gaf in 1992 onze L.V. van Ede aanleiding om een commissie te benoemen, die de kritiek uit Zuid-Afrika moest bestuderen.
Toen deze commissie daar kennis van had genomen, bleek er eigenlijk verrassend weinig van eerdere bezwaren te zijn overgebleven. De synodecommissie schreef: "Daar het vir ons baie lig opgegaan oor sake waaroor daar twijfel was". Ons werd slechts verzocht nog eens nader te kijken naar art. 17 van het AKS, dat handelt over de ondertekening van de Formulieren van Enigheid, en art. 30, dat betrekking heeft op de tucht over ambtsdragers.
Aan de bedoelde commissie werd niet goed duidelijk, wat nu precies het bezwaar van de Doppersynode tegen art. 30 was. Maar aan de Zuid-Afrikaanse bezwaren tegen art. 17 werd in zoverre tegemoet gekomen, dat aan de L.V. van Apeldoorn werd voorgesteld om dit artikel zo aan te scherpen, dat predikanten, die bedenkingen hebben tegen de belijdenis, zich niet alleen moeten verklaren ten genoege van hun kerkenraad, maar dat ook de Regio daarbij moet worden betrokken.
Nu dit voorstel is aangenomen, hebben de predikanten dus verantwoordingsplicht tegenover een breder forum dan de eigen kerkenraad alleen. Ja, de L.V. van Apeldoorn deed er zelfs nog een schepje bovenop, door niet alleen van de predikanten, maar van álle ambtsdragers deze verantwoordingsplicht tegenover de Regio te eisen.
Ondertekeningsformu1ier
De door Ede ingestelde commissie deed aan de L.V. van Apeldoorn ook de suggestie tot invoering van een ondertekeningsformulier. Dit voorstel vloeide naar het oordeel van de commissie voort uit de beoogde toespitsing van art. 17. Sinds de herconstituering van ons kerkverband na de breuk van '69 werd in sommige regio's van een soortgelijk formulier wel en in andere niet gebruik gemaakt. Ook dit voorstel werd op de L.V. van Apeldoorn aanvaard. Wel werd op de voortgezette landelijke vergadering in september de mogelijkheid open gelaten om, bij wijze van uitzondering, een dergelijk formulier niet te ondertekenen. Sommige kerken schrokken er, geplaagd door traumatische ervaringen uit het verleden, duidelijk voor terug in alle gevallen een dergelijke verplichting aan hun predikanten op te leggen. Overigens mag duidelijk zijn, dat ook in deze kerken wel degelijk ondertekening van de belijdenis gevraagd wordt, zij het dan niet met gebruikmaking van een ondertekeningsformulier. Helaas bleek in Zierikzee, dat sommigen onder de Chr. Gereformeerden er van uitgaan, dat we totaal geen binding aan de Gereformeerde confessie kennen. Uit de gang van zaken sinds de L.V. van Ede is toch wel gebleken, dat wij ons ontvankelijk hebben getoond voor kritiek uit binnen- en buitenland en dat we hebben bewezen ook op dit punt bewust in de gereformeerde traditie te willen staan. Maar wij zoeken in grote voorzichtigheid daarin een weg, rekening houdend met gevoeligheden in ons midden als gevolg van een bijzondere kerkelijke geschiedenis. Het is jammer, dat door de Chr. Geref. Deputaten en op de synode in Zierikzee meer aandacht gegeven is aan wat (nog) niet bereikt is, dan aan datgene waarin we wel meer naar elkaar zijn toegegroeid.
Reden tot verdenking?
Tegelijk moet ik zeggen, dat er onzerzijds ook wel eens publiekelijk uitlatingen worden gedaan, die de buitenwacht aanleiding geven te denken, dat we het met onze confessionele trouw inderdaad zo nauw niet nemen. Zo was duidelijk, dat het spreken op de synode van Zierikzee over ons AKS, met name als het gaat om de daarin omschreven binding aan de belijdenis, plaats vond tegen de achtergrond van een recent interview met drs. H. de Jong in het reformatorisch opinieblad Koers (het nummer van 1 sept. 1995). Meer dan eens werd hier op de synode op gezinspeeld. In dit interview werd De Jong gevraagd naar zijn mening over het gerucht makende boek van de Chr. Geref. Dr. B. Loonstra De geloofwaardigheid van de bijbel. De Jong breekt dan een lans voor een andere benadering van de Bijbel dan we tot nu toe in de gereformeerde traditie gewend zijn. Hij vraagt zich af, of we niet meer ruimte krijgen voor het bediscussiëren van de door Loonstra besproken vragen m.b.t. het gezag van de Schrift als we afstand nemen van de stelling, dat de Bijbel en het Woord van God samenvallen. Met de stelling 'de Bijbel = Gods Woord' wordt volgens De Jong de Schrift overvraagd. En hij pleit er voor met het spreken over het gezag van de Schrift een stapje terug te doen. De Jong realiseert zich, dat hij met zulke opmerkingen op gespannen voet staat met wat in art. 5 N.G.B. e.v. wordt beleden. Op de vraag of die belijdenisartikelen dan niet moeten worden bijgesteld en aangepast, antwoordt De Jong, dat hij ze rustig zou willen laten staan en er mee om zou willen gaan op een wijze die past in een veranderd Schriftverstaan.
We moeten er niet vreemd van opkijken, dat menigeen hiervan opschrikt. Een dergelijk geluid staat immers haaks op wat onder ons door velen als een betrouwbaar, zij het misschien niet onomstreden, belijden wordt nagesproken. En juist in een tijd, waarin de Schrift zoveel onheilige kritiek te verduren heeft, kunnen zulke uitspraken worden ervaren als dolksteken in de rug. Vooral als in deze context ook nog de uitdrukking 'eeuwig gereformeerd gezeur' valt als het over de hedendaagse discussies over het Schriftgezag gaat. Wie zulke uitspraken doet, moet er niet verbaasd over staan, dat bij velen, die hij juist wil bereiken, de oren gesloten worden. En dat is bijzonder jammer. Want ik meen, dat de zaak, die De Jong te berde brengt, de moeite van het overwegen alleszins waard is. Uit veel van wat hij in het bewuste interview zegt, spreekt juist een grote liefde èn een grote eerbied voor de Schrift. Zoals overigens ook duidelijk mag zijn uit talloze andere publikaties van zijn hand.
Daaruit blijkt, dat in de praktijk van zijn omgaan met de Schrift deze eenvoudig gezag over hem heeft en hem gebracht heeft tot inzichten, waar je slechts dankbaar voor kunt zijn. En wat De Jong beoogt met zijn 'stapje terug' met het spreken over het gezag van de Schrift is m.i. juist het winnen van de harten voor waar het wezenlijk in de Schrift om draait. Ik voel me er niet toe geroepen in dit kader inhoudelijk op de zaken in te gaan. AI hoop ik van harte, dat ook in 'Opbouw' de noodzakelijke discussie over deze materie met De Jong zal worden aangegaan.
Ik probeer in dit verband slechts de intentie te proeven en te waarderen, waarmee De Jong met deze levensgrote vragen bezig is. Maar tegelijk zou ik bij hem en anderen willen pleiten voor grote terughoudendheid in het doen van bepaalde uitlatingen. We zullen ons ook moeten bezinnen op effekten van ons spreken en schrijven, die juist tegengesteld zijn aan wat we beogen. We struikelen daar allen in, zoals ik zelf in Zierikzee ervaren heb. En De Jong moet het mij maar niet kwalijk nemen, dat ik ook naar hem luister met de oren van iemand, die aan samensprekingen deelneem en die antwoord moet geven op kritische vragen, die begrijpelijkerwijs mee door zijn schrijven opgeroepen worden.
De diakones
Het was te verwachten, dat het besluit van onze laatste L.V. om het in de vrijheid van de kerken te laten zusters te roepen tot het ambt van diaken ook een gesprekspunt in de samensprekingen zou zijn.
Door sommige afgevaardigden in Zierikzee werd dit gezien als het sluiten van de deur onzerzijds. Wij konden toch weten, dat een dergelijk besluit onverteerbaar zou zijn in Chr. Geref. kring. Uiteraard leefde er ook in onze kring wel het besef, dat een besluit van deze aard repercussies zou hebben op de samensprekingen. Maar hadden wij in dezen echt een andere weg kunnen gaan? De onderhavige vraag leeft in onze kerken al zo'n twintig jaar. Het antwoord daarop uitstellen zou onverteerbaar zijn geweest. Bij de uiteindelijke beslissing van de L.V. heeft wel degelijk een rol gespeeld welk effekt dat zou hebben op de samensprekingen, met name met de Chr. Gereformeerden. Maar de vraag is, of men van Chr. Geref. zijde werkelijk had mogen verwachten, dat er in dezen voor uitstel van de beslissing zou worden gepleit op grond van het feit, dat dit schadelijk zou zijn voor het groeien naar eenheid tussen onze kerkverbanden. De realiteit is immers dat de Chr. Geref. Kerken op landelijk niveau bezig zijn steeds meer afstand van ons te nemen.
Ik zou me hebben kunnen voorstellen, dat onze L.V. had aangespoord tot het afremmen van ontwikkelingen in dezen, als zo'n besluit juist een duidelijk merkbare beweging naar elkaar toe zou doorkruisen en afbreken. Maar hoe kun je kerken motiveren bepaalde besluiten niet te nemen omwille van kontakten met een kerkverband, dat er duidelijk blijk van geeft in de eenheid met ons minder en minder een reële mogelijkheid te zien? In plaats van te beweren, dat dit besluit de deur naar de eenheid met de Chr. Geref. Kerken in het slot gooit, zou met evenveel recht van spreken gesteld kunnen worden, dat een steeds verder dicht gaande deur van Chr. Geref. zijde het nemen van het onderhavige besluit versneld heeft. Daarbij moet ook nog worden bedacht, dat een aanzienlijk deel van onze kerken plaatselijk ook geen enkel kontakt heeft met de Chr. Geref. Kerken. En dat maakt het extra moeilijk te vragen om rekening te houden met een kerkverband, dat over het geheel genomen een afwijzende houding tegenover ons inneemt.
Ik acht het overigens wel aanbevelenswaardig, dat daar waar plaatselijk wel een band aan het groeien is of waar al warme kontakten bestaan met de effektuering van het besluit van de L.V. in alle wijsheid en voorzichtigheid wordt omgegaan. En als zou blijken, dat het kiezen en benoemen van zusters in het ambt van diaken een onoverkomelijk struikelblok zou worden voor het verder groeien naar eenheid op plaatselijk niveau, dan dient men zich m.i. wel twee keer te bedenken voordat men daar ook praktisch toe overgaat. Overigens, last but not least mag worden gezegd, dat wij dit besluit met een goed geweten genomen hebben, ons terdege afvragend of wij hiermee blijven in de weg die de Schrift ons wijst.
En we staan open voor elke kritiek, die ons door geestverwanten geboden wordt. We hebben de Chr. Geref. Kerken dan ook serieus uitgenodigd om haar licht hierover te laten schijnen. In dat opzicht is het vanzelfsprekend, dat dit in een volgende ronde een gesprekspunt zal zijn.