Dom
2007-06-22
Waar is m’n parkeerkaart? In paniek kiep ik m’n tas leeg op de bijrijderstoel. Er rolt van alles uit. Behalve een parkeerkaart. Even goed nadenken: ik kwam bij de betaalautomaat, voerde het parkeerkaartje in, zag de prijs, voerde de pinpas in, toetste ‘ja’ voor akkoord, haalde de pinpas er uit, deed hem terug in m’n portemonnee. En toen? … Het angstige gevoel bekruipt me dat ik het parkeerkaartje er niet heb uitgehaald. Weinig kans dat je die om half zes ’s middags in de parkeergarage van de Amsterdamse Bijenkorf nog terugvindt. Toch maar even kijken. Ik start de auto en rijd zes verdiepingen naar beneden; ik moest toch die kant uit.- Jaargang 51
- nummer 13
Beneden parkeer ik de auto op het laatste plekje voor de laatste afrit. Om zo snel mogelijk bij de betaalautomaat te komen, loop ik de afrit af. Maar dat gaat zo maar niet. Hoge, massieve hekken sluiten de uitgang aan alle kanten hermetisch af. Een beetje nette burger wordt ook niet geacht hier te staan; een beetje nette burger verlaat de parkeergarage via het trappenhuis. Mateloos geïrriteerd kijk ik om me heen en zie dan een traliedeur met de klink aan mijn kant. Zonder hoop druk ik die stevig naar beneden en warempel: de deur gaat open. Behoedzaam zet ik hem achter me op een kier en loop snel naar de betaalautomaat.
Daar is geen vergeten kaartje te bekennen. ‘Dat gaat een hoop geld kosten’, schiet het door me heen. Ik pieker nog even over een andere oplossing, maar het systeem is zo, dat je er zonder kaartje onmogelijk uit komt. Er zit niets anders op dan mijn domheid te belijden. Voor een doorgewinterde christen natuurlijk dagelijkse routine, maar mij valt het zwaar. En terwijl ik op zoek ga naar een bewaker, zend ik uit pure wanhoop een gebed op naar onze Vader. Het hokje dat ooit is gebouwd om die bewaker tochtvrij te laten zitten, is al jarenlang dicht, getuige de gesloten, smoezelige lamellen. Maar naast de deur hangt een intercom. Gedecideerd druk ik op een glimmende knop. Onmiddellijk reageert het apparaat met blikken stem. In smstaal leg ik m’n biecht af. ‘Momeh....’, klingelt het blik. Dan niets meer.
Geduldig wacht ik dertig seconden. Er komt niemand. Eens buiten kijken of er al een beveiligingsuniform aankomt.
Nee, niets. Ik drentel even rond. Voel dan weer de irritatie opkomen, druk weer op de glimmende knop, doe weer m’n verhaal. ‘Rij door naar de uitgang’, commandeert het blik nu, ‘meld u daar; doe ik voor u open’. ‘Dank u wel’, antwoord ik verbluft. Zelfs hier geldt genade voor recht. ‘Heel hartelijk dank, hoor.’ Vlug ga ik terug naar de traliedeur die nog steeds op een kier staat. Loop de afrit op. Ontwijk een gas gevende dalende auto. Stap in m’n auto. Start. Rijd de afrit af. Stop voor het massieve stalen hek. Druk door het portierraam de volgende intercomknop in. Meld me. En dan gaan traaaaaag de deuren open. Ik ben vrij!
Opgelucht rijd ik door. Twintig meter verderop sla ik rechtsaf het Rokin op en geef gas. Op naar huis! En dan is opeens het opgezonden gebed compleet uit m’n gedachten verdwenen en slaat de opperste verbazing van zojuist om in een triomfantelijke, bijna euforische zelfgenoegzaamheid: zelfs via een intercom weet ik mijn zaakjes te regelen.
Verbeeld ik me.
Emmy Viezee-Fock is bedrijfsjournalist en lid van de NGK in Krommenie.