Twee carrierès, kán dat?

1995-12-01
  • Jaargang 39
  • nummer 24
In Opbouw werd een aantal bijdragen geplaatst naar aanleiding van het congres van de Vereniging van Christen Pedagogen en Beroepsopvoeders (VCBP). De titel van het congres luidde: ’twee carrières op één kussen’.

Is het verantwoord als beide ouders buitenshuis werken en als de kinderen door anderen worden opgevangen?
Ook in de kring van de 'Opbouw'-Iezers werden vragen ober dit onderwerp gesteld. Over het algemeen lijkt het feit dat het thema kinderopvang ook in christelijke kring bespreekbaar is (geworden), gewaardeerd te worden.
Wel blijkt tevens dat het onderwerp emotioneel vaak heel gevoelig ligt. Voor- en tegenstanders hebben de neiging om opmerkingen van anderen als een aanval op hun keuze te zien.

Berichten uit de pers
Mogelijk de meest opvallende ontwikkeling is dat als progressief bekend staande dagbladen (zoals 'De Volkskrant' en de NRG) momenteel ook kritische kanttekeningen over kinderopvang in hun kolommen toelaten. 'De Volkskrant' besteedde zelfs een hele (weliswaar kritische) pagina aan het congres van de VGPB. In de NRG verscheen een bijdrage over de mogelijke schadelijke gevolgen van kinderopvang'. "Baby's die zich niet goed hebben kunnen hechten aan een paar vaste opvoeders, blijken, wanneer je ze op de schoolleeftijd opnieuw onderzoekt, de minst weerbare kinderen.
Het zijn de buitenbeentjes, de te agressieve of juist teruggetrokken kinderen", zo wordt Prof.dr. Rien van IJzendoom geciteerd. Overigens kenmerkt het artikel zich in het algemeen door een genuanceerde toonzetting; er wordt vooral gewaarschuwd tegen voltijdopvang en tegen crèches met sterk wisselende begeleiding. Dat is heel wat genuanceerder dan een kop in 'Het Parool': 'Crèche vergroot kans op misdaad' (naar aanleiding van uitspraken van de criminoloog Prof.dr. P. Hoefnagels).
Toch riep ook de genuanceerde bijdrage in de NRG een aantal felle reacties op. Opnieuw een bewijs van het feit hoe gevoelig het onderwerp ligt. Hoe je het ook wendt of keert: niemand weet nog precies wat de gevolgen zijn van kinderopvang voor het individuele kind en evenmin hoe het met de kwaliteit van crèches gesteld is. Daarom is het goed als er publiekelijk vragen worden gesteld bij het verschijnsel van de kinderopvang.

Werkende vrouwen?
Eerst nog even een eigen reactie. Er wordt in het dagelijks spraakgebruik gesproken over 'werkende vrouwen'.
Daarmee wordt dan de buitenshuis werkende vrouwen bedoeld. Men zou er de verkeerde conclusie aan kunnen verbinden dat vrouwen die geen betaalde baan buitenshuis hebben géén werkende vrouwen zijn. Wie zijn ogen een beetje open heeft voor de drukte die het runnen van een huishouden met zich meebrengt, zal tot de erkenning moeten komen dat de suggestie geheel bezijden de waarheid is, dat alleen buitenshuis werkende vrouwen ook daadwerkelijk werkende vrouwen zijn. In dit verband een tip uit 'De Volkskrant': een vrouw die het huishouden runt kun je een domestic manager noemen. Denk daarbij maar eens aan de spreuken van Lemuël (Spreuken 31 vs 10 e.v.).

Vrijwilligers
Een lezer vroeg zich af of ik in de bijdragen in 'Opbouw' wel voldoende oog had gehad voor de waarde van het vrijwilligerswerk.
Hij zei bezorgd te zijn over het feit dat het steeds moeilijker wordt om vrijwilligers te krijgen voor allerlei kerkelijke en niet-kerkelijke taken. Ik kan die zorg met de vragensteller delen. Ter illustratie een bericht uit (alwéér) 'De Volkskrant'. Een schoolreisje van een basisschool ging niet door omdat.... er onvoldoende vrijwilligers beschikbaar waren. In de bijdrage werd gemeld dat het - vooral in de Randstad - steeds moeilijker wordt om op scholen vrijwilligers te werven (Iees'moeders', klus'vaders', klaarovers, medezeggenschapsraden, hulp bij het overblijven van kinderen). Tot nu toe konden 'dubbel-buitenshuis-werkende-ouders' nog profiteren van de inzet van vrijwilligers. Het is echter de vraag of dit zo blijft. Als het over enige tijd heel gewoon is dat beide ouders werken of als een groot deel van de gezinnen eenoudergezinnen is, zal het heel moeilijk zijn om nog ouders bereid te vinden om op scholen vrijwilligerswerk te doen. Ik deel ook de zorg van de vragensteller dat deze ontwikkeling het functioneren van een kerkelijke gemeente (die het immers voor het overgrote deel van vrijwilligers moet hebben) negatief kan beïnvloeden. Hoeveel tijd blijft er over voor kerkelijke activiteiten (bijbelkring, pastoraat, kerke raad)? Voor de goede orde: het gaat mij hierbij niet om de vraag wie er buitenshuis werkt. Het gaat evenmin om de vraag óf beide ouders een baan buitenshuis kunnen hebben. De vraag is, of we ieder voor zichnaast ons werk - nog voldoende energie over hebben om ons vrijwillig in te zetten voor gezin, kerk en samenleving. Het is een vraag die niet alleen aan moeders gesteld moet worden, maar ... minstens evenzeer aan de buitenshuis werkende vader ....

Opvang door derden: mag dat?
Een vraag die meerdere keren gesteld werd is, of kinderopvang eigenlijk wel 'mag'. Als je kinderen hebt, heb je ze immers van God gekregen. Mag je ze dan wel 'uitbesteden' aan een ander?
Voor mensen die het verdriet met zich mee dragen dat ze geen eigen kinderen hebben gekregen is het soms ook moeilijk te begrijpen en zelfs schrijnend om te zien dat ouders hun kinderen van jongsafaan in een crèche plaatsen.
Op de principiële vraag of kinderopvang mág kan m.i. geen algemeen antwoord gegeven worden. Er past niet zondermeer een 'ja' of een 'nee' op. Het antwoord op de vraag ligt veel genuanceerder en is van veel omstandigheden afhankelijk. Veel belangrijker lijkt mij de motivatie áchter de keuze. En daarbij vooral: welke plaats nemen de belangen van het kind daarbij in?
Ter relativering is het goed om even naar de geschiedenis te kijken. Uit de lezing van Jan Kaldeway (1995/10) kwam naar voren dat het nooit zo is geweest dat de eigen ouders voor 100% zorg droegen voor hun kind. (In het Nederlands Dagblad van 18 november 1995 werd beschreven hoe een moeder in de vorige eeuw 36 uur achter elkaar in een kaarsenfabriek moest werken). Het gezin waarbij de moeder 'continue' aanwezig is, is een 'verworvenheid' uit het midden van de 20e eeuw. Met andere woorden: vroeger waren ouders minder beschikbaar dan we nu met onze romantische blik geneigd zijn te denken. Het idee van de altijd beschikbare moeder is dan ook een mythe: die moeder is er nooit geweest. Anderzijds: sinds de invoering van de leerplicht zijn ouders wettelijk verplicht om een deel van de opvoeding uit handen te geven. De enige principiële reactie die ik kan geven is de vraag of opvang elders aansluit bij de sfeer in het gezin. Op zijn minst zal de kinderopvang jouw christelijke uitgangspunten moeten respecteren én ruimte moeten geven aan christelijke gewoonten. Dit heeft ook een pedagogisch voordeel: vooral peuters ervaren een gevoel van veiligheid als de rituelen aansluiten bij de sfeer van het gezin (bijv. het lezen uit de Bijbel en het bidden aan tafel). Zoek dus naar een opvang die qua klimaat en levensbeschouwing aansluit bij de sfeer in het eigen gezin. In de praktijk blijken christelijke vormen van kinderopvang helaas zeer schaars te zijn3• Is daarmee de kous af? Prof.dr. W. ter Horst heeft op allerlei plaatsen een pleidooi gevoerd voor de christelijke opvoedingsgemeenschap. Volgens Ter Horst moeten christen-ouders elkaar opzoeken en elkaar steunen, want opvoeden kun je niet alleen. Kunnen ouders niet samen een 'verbond' sluiten waarbij ze elkaar opvangen, vragen bespreken, een vangnet vormen en zorg dragen voor elkaars kinderen? Dat zou ook de gezinnen in deze tijd minder kwetsbaar maken .....

Factoren tegen elkaar afwegen
Bij het nadenken over kinderopvang moet een aantal aspecten 'gewogen' worden. Marianne de Wolft (1995/16) noemde er in haar lezing enkele. Mijns inziens is de vraag of het kind opvang door derden áán kan de meest essentiële vraag. Het ene kind is nu eenmaal het andere niet. Wetenschappelijk onderzoek geeft slechts in zijn algemeenheid een indicatie over de gewenstheid van kinderopvang; ouders hebben de verantwoordelijkheid om deze vraag ten aanzien van hun eigen kind te stellen. Het aantal uren dat het kind elders wordt opgevangen is daarbij één van de criteria. Een andere vraag betreft de kwaliteit van de kinderopvang: daar zitten nu eenmaal grote verschillen tussen. Opvang in je eigen huis door oma is heel anders dan opvang in een grote crèche met vaak wisselende leiding. Daarbij wil ik nogmaals een extra vraag benadrukken: sluit de sfeer van de kinderopvang aan bij de sfeer van het gezin? Ook de vraag of de beide ouders het met elkaar eens zijn is van belang. Zo vertelde een moeder dat haar echtgenoot moeite blijft houden met het feit dat hun dochter halve dagen naar de crèche gaat. Navraag leerde dat hij zelf in zijn jeugd negatieve ervaringen op heeft gedaan met kinderopvang.

Tegengestelde reacties
Een moeder vertelde dat ze voor haar idee pas echt moeder kon zijn, nu ze ook een baan buitenshuis had. Een andere moeder reageerde juist andersom: "Nu ik gestopt ben met buitenshuis werken heb ik pas voldoende energie over voor mijn kinderen." Twee reacties van moeders met kinderen in de peuterleeftijd .... Soms zijn we - in reformatorische kring - geneigd om het eigen gevoel weg te drukken. Wat we zelf vinden, dat doet er niet toe. Toch mág de vraag gesteld worden: hoe ervaar je zélf het feit dat je 6f 'alleen' voor de kinderen zorgt 6f juist dat je er een betaalde baan bij hebt of vele uren aan vrijwilligerswerk besteedt. Het blijkt steeds weer dat het ook erg belangrijk is hoe de ouders zich zelf bij een bepaalde omstandigheid voelen. De ene ouder is nu eenmaal de andere niet en de ene baan is ook de andere niet. Goede aandacht voor kinderen hangt niet alleen samen met het aantal uren aandacht, maar ook met de kwaliteit van de aandacht. De moeder die stopte met buitenshuis werken omdat ze voelde dat ze na een intensieve dag op het werk 's avonds geen energie meer over had om met haar koppige peuter om te gaan heeft (in overleg met haar echtgenoot) een goede keuze gemaakt. Overigens geldt ook hier weer: misschien wil de moeder buitenshuis gaan werken, maar waarom zou de vader dan niet er voor kiezen om zijn kinderen wat vaker te zien?
Zowel door Anneke Rots in 'Gezin 2000'4 als door J.P. de Vries in het Nederlands Dagblad (4 november 1995) werd deze vraag aan de orde gesteld. Misschien biedt de huidige ontwikkeling dus nieuwe kansen voor vaders om hun vaderschap in de praktijk te brengen. Dat zou een goede ontwikkeling zijn, want het kind heeft 'recht' op een moeder én op een vader ....

Samenvattend
Er zitten meer nuanceringen aan de discussie dan hier ter sprake werden gebracht. Soms hebben ouders trouwens weinig te kiezen; ze worden gedwongen om hun kind elders onder te brengen. Ontwikkelingen in de politiek wijzen erop dat de keuzevrijheid in de toekomst verder zal worden ingeperkt.
Mijns inziens is dit een slechte ontwikkeling: men houdt onvoldoende rekening met de individuele omstandigheden.
Je zou misschien kunnen zeggen: kinderopvang door derden mág, maar zodra het m6ét wordt er een verkeerde weg ingeslagen. Er liggen overigens nog meer vragen; die komen in een volgend nummer aan de orde.

Noten:
1 De bijdragen verschenen in de nummers 10, 11, 16 en 17 van deze jaargang van 'Opbouw'.
2 Crèches kunnen kinderen ook schaden; NRC, 15juli 1995
3 A. Joh. Kisjes (GPV-wethouder in Bunschoten) vraagt zich in het boekje 'Gezin 2000' af waarom er geen gereformeerd peuterspeelzaalwerk bestaat. (ln: drs. Jac. Schaeffer (red.), Gezin 2000: dynamiek of dynamiet. De Vuurbaak, GSEV-reeks 26).
4 Anneke Rots: Gevolgen voor kinderen als vaders en moeders de taken anders verdelen. In: Gezin 2000 (zie boven).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief