Het bovenaardse mededogen

1995-12-01
  • Jaargang 39
  • nummer 24
De Boeddha had de Verlichting bereikt en een duidelijk besef van zijn missie in het leven gekregen. In zijn verkondiging van de Dharma, de Leer, wees hij een weg van zelfverlossing. In een aantal opzichten kan men hem vergelijken met die Ander, die ook op aarde kwam om over verlossing te spreken, mar Die dat toch zo anders deed. In dit en het volgende artikel daarom een poging om de Boeddha en de Christus in (bepaalde aspecten van) leer en optreden met elkaar te vergelijken.

Het schijnt dat in Hokkaido, het Noordelijkste eiland van Japan, een klein Zenklooster door een meester werd geleid die geen enkele school bezocht heeft. De meester kwam als boerenzoontje in het klooster en had nooit leren lezen of schrijven, maar hij volbracht de koan-studie en kwam tot een volmaakt inzicht. Dat er andere religies dan het Boeddhisme waren wist hij nauwelijks totdat hij de monniken over het Christendom hoorde spreken. Een van de monniken had een universitaire studie gehad en de meester vroeg hem iets over de Christelijke religie te vertellen.
"Ik weet er niet veel van", zei de monnik, "maar ik zal u het heilige geschrift van het Christendom brengen".
De meester stuurde de monnik naar de stad en de monnik kwam met de Bijbel terug. "Dat is een dik boek", zei de meester. "En ik kan niet lezen. Maar lees me iets voor." De monnik kende de Bijbel en las de meester de Bergrede van Christus voor. Hoe meer hij las hoe meer de meester onder de indruk was. "Dat is mooi", zei de meester steeds. "Dat is heel mooi." Toen de monnik uitgelezen was bleef de meester een tijdje stil zitten. De stilte duurde zo lang dat de monnik de bijbel weglegde, de lotus positie aannam, en mediteerde. "Ja", zei de meester tenslotte. "Ik weet niet wie dat geschreven heeft, maar wie het ook was, hij was of een Boeddha of een Boddhisattva. Wat je daar hebt voorgelezen is de essentie van alles wat ik jullie hier probeer bij te brengen.'"

Theravada Boeddhisme
De voornaamste stromingen binnen het Boeddhisme zijn het Theravada en het Mahayana Boeddhisme. Het eerste treft men vooral in Sri Lanka, Thailand, Burma, Vietnam, Laos en Cambodja; het tweede wordt vooral in China en Japan gevonden en ook in de landen van de Himalaya. In de Theravadaschool gaat het om zelfverlossing. "De eerste en belangrijkste taak is zichzelf van lijden te verlossen. De Boeddha kan alleen de weg wijzen, maar men moet zelf de arbeid verrichten die nodig is om het doel te bereiken. De leer van het karma maakt hulp van anderen strikt gesproken, onmogelijk, immers de hulp die wij ontvangen is welbezien niet meer dan het resultaat van ons gunstig karma. Genoeg heeft hij gedaan die door gestadige arbeid aan eigen persoon zijn eigen verlossing heeft bewerkt. Een arhat noemt men zo iemand; hij heeft zijn taak vervuld en wacht kalm de dood af, waarop geen nieuw bestaan volgt. Er zijn er die, na de verlichting te hebben bereikt, haar voor zich houden.!"

Mahayana Boeddhisme
Er is echter een alternatief: "Een 'volmaakte verlichte' die de leer aan alle levende wezens wil brengen. De centrale figuur in het Mahayana Boeddhisme is de 'boddhisattva' de Meedogende die op weg naar Boeddhaschap is of degene die Nirvana bereikt heeft maar besluit om Nirvana nog niet binnen te gaan, maar op aarde te blijven om anderen te laten delen in zijn verlossing.
Uitgangspunt bij de opvattingen aangaande de Boddhisattva is de Boeddha's reaktie op Mara's verleiding.
Als deze demon van de onwetendheid en begeerte hem voorhoudt dat hij nu meteen Nirvana kan binnengaan, weigert hij op die suggestie in te gaan."2 Uit mededogen en bewogenheid met de mensen besluit de Boeddha nog vele jaren op aarde te blijven om hun de Weg te prediken. We vinden de Boeddha's bewogenheid in een passage uit de Buddhacarita, een oud geschrift: "Hij had zijn taak vervuld, en nu, kalm en majestueus, ging hij alleen verder, hoewel het leek dat een groot gevolg hem vergezelde. Een bedelmonnik die zich op de Dharma richtte, zag hem onderweg en vouwde in verwondering zijn handen en zei: 'De zintuigen van anderen zijn rusteloos als paarden, maar de uwe zijn getemd. Andere wezens zijn vol hartstocht, maar uw hartstochten zijn opgehouden. Ongetwijfeld hebt u uw doel bereikt. Wie is dan uw leermeester, die u dit hoogste geluk heeft onderwezen?' Maar hij antwoordde: 'Geen leermeester heb ik. Geen hoef ik te vereren en geen hoef ik te verachten. Nirvana heb ik nu bereikt, en ik ben niet dezelfde als anderen. Geheel alleen, ziet u, heb ik de Dharma verworven.
Geheel heb ik verstaan wat verstaan moest worden, hoewel anderen faalden in hun verstaan. Daarom ben ik een Boeddha. De vijandelijke machten van de bezoedeling heb ik overwonnen. Daarom moet ik bekend staan als degene wiens zelf tot kalmte gekomen is. En nu ik mezelf gekalmeerd heb, ben ik op weg naar Benares, om te werken voor het welzijn van medeschepselen die nog door vele kwalen gekweld worden. Daar zal ik dan de onsterfelijke trom van de Dharma roffelen, door geen trots bewogen en door geen faam verzocht. Nu ik zelf de oceaan van het lijden ben doorgetrokken, moet ik ook anderen helpen om die door te trekken. Waar ik zelf bevrijd ben, moet ik ook anderen bevrijden.' "3 Het Mahayana Boeddhisme is een zelfbewuste religie die jaarlijks vele zendelingen naar het Westen stuurt.
lets van dat zelfbewuste karakter klinkt door in de uitspraak van een Japanse aanhanger in een gesprek met een Noorse zendeling: "Het christelijke geloof is door vele moeilijke situaties heen gekomen. Het heeft het vuur van vervolging doorstaan, en tweeduizend jaar lang is het aan uiteenlopende culturen en filosofieën blootgesteld. Het is beproefd in het vuur van de wetenschap, de wijsbegeerte, skepsis, en anti-godsdienstig denken en op de een of andere manier heeft het dat alles overleefd. Het is echter nog niet door het vuur van het Mahayana Boeddhisme heengegaan. Als dat gebeurt, heb ik er niet de minste twijfel over dat het daarmee in een smeltkroes terechtkomt, waarin het door het Boeddhisme diepgaand veranderd zal worden."

Karoena, mededogen
De houding van de Boeddha om op aarde te blijven en de mensen de weg te wijzen is een illustratie van karoena, mededogen. Dat is een uitermate belangrijk begrip binnen het Boeddhisme. Een voorbeeld uit de Mahayana-literatuur is het verhaal van een jonge prins, Visvantara. Deze heeft zoveel mededogen dat hij letterlijk alles weggeeft! Als een koning van een buurland op slinkse wijze via priesters uit zijn land de prins diens heel zeldzame olifant afgetroggeld heeft, komen de onderdanen van de te vrijgevig geachte prins in opstand en dwingen zijn vader om hem in ballingschap te sturen. Alleen vergezeld van zijn toegewijde vrouwen kinderen laat hij het paleis definitief achter zich.
Onderweg vragen Brahmaanse priesters hem om z'n paarden, die ze krijgen; medelijdende geesten kunnen het niet aanzien dat de prins nu zelf zijn wagen moet trekken en veranderen zich in vier trekdieren. Iets verderop op de route staat de prins op verzoek van voorbijgangers zijn mooie karos af en moet het gezin verder lopen. Ze vestigen zich in een afgelegen streek en zijn gelukkig. Dan komt een oude Brahmaan die zijn twee kinderen als hulp (of als slaaf) hebben wil en hij krijgt ze. De prins die zielsveel van zijn kinderen houdt, staat hen desondanks af en draagt hun op om zonder morren mee te gaan en voor de oude Brahmaan goede slaven te zijn. Zijn vrouw is het elke keer met zijn beslissingen eens; ook zij 'houdt de Norm' konsekwent.
Tenslotte verschijnt het hoofd van de goden, Sakra, in vermomming aan de prins. Hij vraagt hem om zijn vrouw - en ook die staat hij af.
,,(Zijn vrouw) Madri werd niet verontwaardigd en weende niet, immers, zij kende zijn karakter, maar gedrukt onder de al te zware last van het ongekend leed, stond zij daar als een beeld. Toen Sakra, de heer der goden, dat gezien had, werd hij vervuld van verbazing en, dat grote wezen prijzend, sprak hij: 'Ach, wat een verschil is er tussen deugd en ondeugd! Hoe zouden zij die zichzelf niet in bedwang hebben kunnen geloven dat zo'n daad mogelijk is! Hoe verheven is het dat iemand, die zijn genegenheid niet heeft afgelegd, zijn dierbare vrouwen kinderen weggeeft zonder aan hen te hechten! Zonder twijfel zal, als de verhalen van hen die uw deugd bewonderen uw roem in alle regionen verbreid hebben, de roem en luister van anderen verdwijnen gelijk de lichten voor de gloed der zon.' " Goden, hemelingen en geesten "juichen deze bovenmenselijke daad van u toe".' Het verhaal is een goed voorbeeld van door Boeddhisten gewaardeerde karuna, 'mededogen'. Daarin lijkt het op het verhaal over de Boeddha die in een vorig bestaan als olifant met zes slagtanden zich opofferde voor zijn vrouw. (zie het eerste artikel in deze serie.)

Dus 'overeenkomsten'?
In De Lege Spiegel, zijn relaas van een vrij lang verblijf in een Japans Zen-klooster, vertelt onze landgenoot Janwillem V.d. Wetering het verhaal dat bovenaan dit artikel staat. Ik ben van dat verhaal wel onder de indruk.
Het is een van de (vele) voorbeelden die ik in de loop van de tijd vernomen heb van een zekere 'openheid' naar het Evangelie bij uiteenlopende mensen die uit zeer diverse culturen en religieuze systemen komen. Waar dat het geval is, ontslaat me dat als Christen niet van de plicht om ook kritisch te letten op 'het Systeem', Leer en Praktijk van (in dit geval) het Boeddhisme. In v.d. Weterings verhaal vinden we weinig gegevens om te weten of dit verhaal historisch is. Belangrijker is het om te konstateren dat, hoe aangrijpend en mooi ook, toch de Bergrede niet het gehéél van Christus' woorden in de Bijbel uitmaakt! De vraag blijft: Zou de eerbiedwaardige Zen-meester ook het relaas van de Zoon van God die voor onze schuld stierf en die de dood overwonnen heeft zo positief aanvaard hebben? Zonder bewust 'negatief' te willen spreken, moeten we immers constateren dat in het gesprek tussen Boeddhisten en Christenen het gebeuren van Kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart en Wederkomst niet uit de weg mag worden gegaan.

Een ander 'schema'
Dat opmerkend constateren we echter ook dat de Boeddha en de Christus niet dezelfde taal spreken en dat niet alleen, ze doelen ook op verschillende zaken. Ze bewegen zich binnen totaal verschillende kaders en denken en geloof. Het hele 'schema' van de Bijbel is niet in Boeddhistische geschriften of leringen terug te vinden. De eerste zin in de Bijbel: "In den beginne schiep God de hemel en de aarde" bevat tenminste drie dingen die Boeddhisten niet geloven of in elk geval niet zo zouden zeggen! Het bestaan van een persoonlijke God, het spreken over deze God alsof we die zouden kunnen kennen, de gedachte dat deze God een Persoon is met een te omschrijven en te kennen karakter, de opvatting dat Hij alles gemaakt zou hebben en de gedachte dat er een begin is aan de tijd, al deze visies zal de gemiddelde Boeddhist afwijzen. Dat kunnen we allemaal zeggen naar aanleiding van de eerste tien woorden in het boek Genesis ... De menselijke heerschappij over de dieren en planten en rest van de aardse geschapen werkelijkheid, in hoofdstuk twee, de zondeval in hoofdstuk 3, de keus van één man, Abraham, die de stem van God hoort en die 'de Vader van alle gelovigen' wordt, de keuze van het volk Israël, de zegen die die persoonlijke God geeft, het gebed dat je tot Hem richten mag, wellicht dat in de Mahayana-stroming van het Boeddhisme er een zekere mate van 'weerklank' zou kunnen worden vermoed.
Ook in dat geval echter zijn dat nu uitgerekend elementen die in de leer van de Boeddha zoals die ons overgeleverd zijn nergens, maar dan ook nergens, voorkomen...

Noten:
1. Jan Willem v.d. Wetering. De Lege Spiegel; Ervaringen in een Japans Zen Klooster. De Driehoek, Amsterdam. Z.j pp. 54,55.

2. De Grote Weg naar het Licht. Een Keuze uit de literatuur van het Mahayana-Buddhisme. Uit het Sanskrit vertaald en toegelicht door J. Ensink. Wetenschappelijke Uitgeverij. Amsterdam 1973. pp.17,18.

3. Uit het dertiende canto van de Buddhacarita van Ashvagosa. (1e eeuw) Geciteerd uit Edward Conze. Buddhist Scriptures. Penguïn Books. Harmondsworth. U.K. 1959. ed. 196B. pp. 53,54.

4. geciteerd uit:James Stephens. 'Looking at Buddhist America: A Key to World Evangelization' in International Joumal of Frontier Missions. Buddhism Juli 1993. p.106.

5. Ensink. a.w. 97,37.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief