Geloofsgenoten?
1995-12-15
‘Door vragen wordt men wijs’. Dit gezegde geldt niet alleen van den vrager, maar ook van den bevraagde. Dat ervoer ik, toen eind oktober wijlen ds. Postma, een van mijn beste vrienden, mij schriftelijk een vraag stelde over Gal. 6:10; ‘Laten wij dan, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar insgezonderdheid voor onze geloofsgenoten.” - Jaargang 39
- nummer 25
Tekst en context
Met dr. W. Sikken 1 liet het hem onbevredigd, dat bij de gangbare vertaling de eenheid van de verzen 6-11 ver te zoeken is. En met Sikken vroeg hij zich af, of het slot van deze passage - in het Grieks 'tous oikeious tès pisteoos' - wel bedoeld was in de zin van 'geloofsgenoten' (of, zoals de Statenvertaling iets letterlijker weergeeft 'de huisgenoten des geloofs'). Sikken schrijff: "Als dit hier eens iets kon betekenen van 'bouwers van het geloof', dan hadden wij de eenheid van vers 6-11." Immers: dan zou Paulus met deze woorden terugkeren naar wat hij in v. 6 geschreven had: "Wie onderricht ontvangt in het Woord, moet zijn leermeester laten delen in alle goede dingen." "Dat goede", zo zou de apostel dan hier aan het slot schrijven, "waarover ik het in v. 6 had, moet je weliswaar tegenover allen betrachten, maar toch wel in het bijzonder tegenover je leraars, die ik in v. 6 noemde; tegenover die mensen dus die het geloof in je plantten en aanwakkerden."
Men moet toegeven, dat deze suggestie van Sikken aantrekkelijk is. Het 'dus' aan het begin van v. 10 laat trouwens al weten, dat Paulus hier nog eens nadrukkelijk wil onderstrepen wat hij in het voorafgaande heeft betoogd. En een z.g. 'ringcompositie', waarbij men een passage afsluit met een herhaling van dat waarmee men die begon, kan men bij Paulus wel meer vlinder'. Maar de grote vraag is: laat het Griekse woord dat Paulus hier bezigt (nI. 'oikeios') zo'n uitleg toe? Ik heb die tot dusver in geen enkele vertaling van Gal. 6 gevonden. En evenmin in nieuwtestamentische woordenboeken. Ook bij onze vertaling in het Gronings zijn wij van de gangbare weergave niet afgeweken. Ik had blijkbaar eerst een expliciete vraag naar de juistheid ervan nodig om wakker te worden en het probleem te zien. En het was wéér eens de zo alert en zorgvuldig lezende ds. Postma die met zijn vraag mij aan het denken én zoeken zette.
Het gebruik van 'oikeios' met de genetivus
Ziehier wat mijn speurtocht heeft opgeleverd. Stephanus" noemt een plaats uit Plutarchus' Publicola (21,9) waar van een groep Sabijnse families, die Clausus op advies van Publicola naar Rome laat verhuizen, gezegd wordt: dit is een groep "die onder de Sabijnen het meest vreedzaam waren en gesteld op een rustig en stabiel leven." Wat ik hier met 'gesteld op...' vertaalde is de verbinding 'oikeios' met genetivus. Stephanus biedt als Latijnse weergave: 'studiosus', d.i. 'zich richtend op' of 'streven naar'. Stephanus haalt als vindplaatsen voor deze betekenis ook uit het lexicon van Schweighäuser op Polybius (Oxford 1822) een vijftal plaatsen aan. Men kan die thans - met nog andere - halen uit het eerste volledige Polybios-Lexikon van Amo Mauersberger (Berlin 1975).
Mauersberger vertaalt in deze gevalle soms met 'zugeneigt', soms met 'darauf aus'. Ik noem er enkele van. Als eerste 5, 87, 3: Ptolemaeus gaat, na een groot succes in de oorlog te hebben geboekt, volgens Polybius al te vlot in op vredespogingen van zijn tegenstander. Polybius wijt dit aan zijn gemakzucht: "hij was niet wars van gemak, maar - meer dan moest - daartoe geneigd." De tegenstelling 'wars van'fgeneigd tot' wordt hier uitgedrukt door de tegenstelling 'allotrios'foikeios' (eigenlijk 'vreemd'feigen'), verbonden met de genetivus ('hèsuchias' = 'gemak').
Vervolgens 38, 5, 4. Daar zegt Polybius van de natuur: "ze houdt er niet van almaar bij hetzelfde te blijven, maar is altijd uit op verandering ('metabolès oikeia')."
Dan als laatste plaats uit Polybius: 4, 57, 4. Daar chartert een overloper uit Aetolië een zekere Dorimachus en diens mannen voor een aanval op een stadspoort waarvan hem bekend is, dat de bewaking veel te wensen overlaat, omdat de bewakers zich plegen te bedrinken. Hij doet, zo staat er, juist op Dorimachus en diens mannen een beroep, "omdat die heel ervaren zijn in dat soort ondernemingen." Opnieuw staat hier 'oikeios' met de genetivus. Het bekende woordenboek van Liddell-Scott-Jones voegt aan deze collectie nog twee plaatsen toe (s.v. IV 2b). De eerste komt uit Strabo (17, 1, 5). Vertellend, hoeveel belangstelling de Ptolemaeën-
vorsten in Egypte hadden voor zaken als de jacht op olifanten, zegt Strabo, dat de vróegere vorsten van Egypte zich niet om dergelijke zaken bekommerden, "ofschoon ze wel degelijk - zij zelf én hun priesters - uit waren op kennis ('oikeioi soflas').' Liddell-Scott-Jones vertalen hier - in overeenstemming met wat we Stephanus in de Plutarchus-tekst zagen doen - 'oikeioi' met 'students of' ('zich toeleggen op').
De tweede plaats die zij aanhalen komt uit de pen van de filosoof lamblichus. In zijn werk 'Het leven van Pythagoras' (30, 176) schrijft deze, dat het volgens de Pythagoreeërs - in navolging van hun meester - "geenszins nuttig of heilzaam was zomaar van de bestaande wetten af te stappen en zich in te zetten voor (staatkundige) vernieuwing ('oikeious einai kainotomias')."
Lijnen van betekenisontwikkeling
Ofschoon het aantal plaatsen dat ik in eerste instantie vond tamelijk beperkt is, laten ze aan duidelijkheid niet te wensen over en wijzen ze eenduidig op een bepaalde ontwikkeling van de betekenis van het woord 'oikeios'.
Heeft men eenmaal zo'n betekenis vastgesteld, dan stelt men zich uiteraard ook de vraag hoe deze betekenis zich uit de grondbetekenis van het woord heeft kunnen ontwikkelen.
Ik heb een vermoeden hoe de semasiologische5 lijnen in het onderhavige geval lopen. Het woord 'oikeios' hangt samen met de woorden 'oikos' en 'oikia', die 'huis' betekenen. 'Oikeios' betekent oorspronkelijk dan ook 'tot het huis behorend'; en vandaar 'eigen' (in tegenstelling tot 'vreemd'). In overdrachtelijke zin gaat het dan, verbonden met de genetivus, betekenen 'thuis in ...', en dus 'vertrouwd met ...', 'bedreven in ...'. Zó vonden wij het daareven in Polybius 4,57, 4. Vervolgens zal er, denk ik, een verschuiving hebben plaats gehad, waardoor het woord niet zozeer de vaardigheid in -, maar meer de (emotionele) betrokkenheid bij een zaak ging uitdrukken.
We zouden kunnen zeggen: van 'thuis in ...' ging 'oikeios' betekenen 'zich thuis voelend bij ...'; en vandaar 'verknocht aan ...', 'gesteld op ...'. In die zin vinden we het woord in Plutarchus' Publicola 21, 9 en in Polybius 5, 87, 3. Van daaruit moet het dan, dunkt mij, zijn doorgeslagen naar de intentionele kant: wie op iets gesteld is, wacht vaak niet passief af tot hem dat in de schoot valt, maar zet er zich ook actief voor in dat te krijgen. Zo komt 'oikeios' uiteindelijk tot de betekenis 'uit op ...', 'strevend naar ...', 'zich inzettend voor ...'. In die laatste betekenis troffen we het woord aan in Polybius 38, 5, 4; Strabo 17, 1, 5 en lamblichus' Leven van Pythagoras 30,176.
Terug naar Gal. 6,10
Nu, met die laatstgenoemde plaatsen is - wat de betekenis van 'oikeios' betreft - Gal. 6, 10, als ik de context in rekening breng, het nauwst verwant. Paulus zal in de laatste woorden van dit vers de mensen op het oog hebben gehad die zich inzetten voor het geloof. En hij bedoelt daarmee de apostelen en hun helpers, die immers erop uit (gezonden!) zijn de mensen te brengen tot het in geloof gehoor geven aan het evangelie, zoals Rom. 1, 5 het uitdrukt; vgl. ook 16, 26.
Een bezwaar tegen de gangbare exegese
Ik vraag mij bovendien af, of, indien Paulus hier mensen op het oog had die door het geloof van vreemd eigen ('oikeios') geworden zijn, hij zich in een genetief-verbinding ('pisteoos') zou hebben uitgedrukt. Als ik parallelle plaatsen vergelijk, zou ik veeleer 'en pistei' ('in het geloof') of 'kata pistin' ('krachtens het geloof') hebben verwacht.
Ik denk hier aan 1 Tim. 1,2, waar Paulus van Timotheüs spreekt als van 'zijn echt kind in het geloof. Het geloof is hier, om zo te zeggen, het vlak waarop Paulus van een vader/zoonverhouding kan spreken. In de paralleltekst Tit. 1,4 heet het van Titus: "mijn echt kind krachtens (of: gerekend naar; Gr. 'kata') het geloof dat wij gemeen hebben." Het geloof is hier het gezichtspunt waaronder Paulus zijn verhouding tot Titus bekijkt; ofwel de maatstaf die hij bij de beoordeling van die verhouding hanteert. Een heel goede parallel biedt ook Jac. 2,5: "God heeft toch mensen die naar wereldse maatstaf arm waren, uitgekozen om in het geloof rijk te worden en erfgenamen van het beloofde koninkrijk." Men zie verder nog Gal. 2,20: Paulus is voor de wet gestorven; voor zover hij leeft, leeft hij in het geloof in den Zoon van God. Slechts in het geloofsdomein kan hij als levende geIden; in het domein der wet is hij een dode. Ook Tit. 3,15 valt hier te noemen: "Groet allen die ons liefhebben in geloof." Het geloof is in hun liefdesrelatie tot Paulus bij deze mensen de bepalende factor.
En omdat dit laatste bij de traditionele opvatting van de tekst ook in Gal. 6,10 het geval zou moeten zijn (dat nl. het geloof de bepalende factor zou moeten wezen, op grond waarvan men de bewuste mensen als 'eigen' ('oikeios') kan betitelen, zou men ook daar 'en pistei' of 'kata pistin' mogen verwachten. Het gebruik van de genetivus maakt daarom de traditionele uitleg van deze tekst voor mijn besef twijfelachtig.
Dienen en gediend worden
Ik was - en ben nog steeds ds. Postma erg dankbaar, dat hij deze zaak bij mij heeft aangekaart. Door zijn vragen ben ik weer heel wat wijzer geworden. En tevens prijs ik me gelukkig, dat ik meteen in de kwestie gedoken ben die hij me voorlegde. Ik heb hem al na enkele dagen mijn bevindingen in grote trekken kunnen voorleggen. Enthousiast heeft hij daarop gereageerd op een briefkaart die hij minder dan een week voor zijn dood mij schreef. Op zijn begrafenis heeft men van ds. Vogel kunnen horen, dat hij deze gezegd had nu nog eens opnieuw over dit Schriftgedeelte te willen preken. Dat heeft helaas niet zo mogen zijn. Maar wel kunnen wij dankbaar vaststellen, dat onze vriend tot in zijn laatste dagen gebleven is wat hij was: een gedreven en begenadigd bijbelvorser.
Noten:
1. Dr. W. Sikken. Uit en bij de brief aan de Galaten, Nijkerk, zJ.
2. a.w., blz. 82 v.
3. Zie mijn artikel Accentverschuiving in Opbouw jrg. 38, blz. 326, kol. 1
4. H. Stephanus, Thesaurus Graecae Linguae, vol. V, Parlstis 1842-1846, col. 1770.
5. Semasiologie is dat onderdeel van de filologie dat zich bezighoudt met de betekenissen van een woord en de relaties daartussen.
6. Men zal moeten toegeven. dat de genetivus 'theou' by 'oikeios' in EJ. 2,19 een heel andere functie heeft: God heeft ons tot zijn eigendom gemaakt. In onze relatie tot God speelt het geloof niet de rol die God zelf daarin speelt.