Het boek van Aleid en Jan

1995-12-29
  • Jaargang 39
  • nummer 26
Ik moet beginnen met mijn verontschuldiging aan de schrijvers aan te bieden omdat hun boek zo lang op mijn schrijftafel is blijven liggen. Dat gebeurde trouwens niet uit slordigheid. Ik had gewoon tijd nodig om er wat afstand van te kunnen nemen. Het boek gaat immers voor een groot deel over het kerkelijke conflict met de vrijgemaakten waar ikzelf ook middenin heb gestaan. Bij het lezen komt alles weer boven en merk je hoe betrokken je erop reageert. Het boek een tijdje laten liggen was in dit geval haast geboden. Maar nu dan toch mijn bespreking, nog net in het jaar van verschijning.

Het mooiste
Wat ik van dit boek het mooiste gevonden heb is het eerste hoofdstuk waarin Dr Veenhof de geschiedenis van de vrijmaking beschrijft. Zeer indrukwekkend is daarin de brief die Jans vader, de latere professor en toen nog dominee C. Veenhof aan zijn vriend en medestander professor K. Schilder kort voor diens schorsing door de synode geschreven heeft. Hij is te vinden op p. 37-40 van het boek. Alleen al vanwege deze brief is het de moeite waard dit boek te kopen.
Op een vriendelijke en zeer christelijke wijze probeert Veenhof Schilder onder het oog te brengen dat diens strijdmethode teveel uit persoonlijke gewondheid voortkwam en daardoor de goede zaak die hij voorstond schade berokkende.
"Ik zou zo graag gewild hebben, dat je op de Synode was gekomen toen het nog niet te laat was en dat je meer gesproken en minder geschreven had. Dat moeten wij altijd, in iedere fase, en met iedereen kunnen doen."
En: "Wanneer er nu scheuring komt zal die door en door onzuiver en onwaarachtig zijn. Het persoonlijke zal in pro en contra een dominerende rol spelen."
En: "Nooit ben ik zoo onder den indruk gekomen van de macht van Satan in Christus' kerk."
Hoe anders had alles kunnen lopen als hiernaar geluisterd was! Eigenlijk hoor je in deze brief(wisseling) al het voorspel van het latere conflict in de boezem van de vrijgemaakte kerken. Dat zeg ik niet om uit deze correspondentie een 'buitenverbands' gelijk te slepen, want dan wijs ik er liever op dat zowel 'buiten' als 'binnen' kunnen leren van de hoogstaande wijze waarop deze twee, Veen hof en Schilder, over dit punt van mening verschilden. Waardevol is ook wat Jan Veenhof schrijft over de vaak gestelde vraag hoe het toch mogelijk is geweest dat het kerkelijke conflict juist in oorlogstijd zo heeft kunnen escaleren. Veenhof: "Men moet zich van de oorlogssituatie geen scheef beeld vormen. Vele dingen van het leven gingen gewoon door: werken, trouwen, kinderen krijgen, naar school gaan, vergaderingen beleggen en bezoeken, preken maken en aanhoren, etcetera. Zeker tot aan de spoorwegstaking in 1944 was er veel, dat nog normaal functioneerde" (p. 33). Hierdoor wordt niet alles verklaard, laat staan verontschuldigd, maar het kan ons wel hoeden voor een te hard oordeel. Bovendien, men heeft ook gemeend (het was professor Berkouwer die daarop gewezen heeft) dat juist de druk van de oorlogssituatie ertoe zou kunnen bijdragen, dat de verschillen snel zouden kunnen worden bijgelegd (p. 35). En dan wordt op p. 34 nog een verklaring aangedragen, en wel voor wat het vrijgemaakte aandeel betreft: "Terecht heeft men wel eens gesteld: de vrijheid die men in de staat kwijt was, heeft men in de kerk beleefd".
Alles bijeen genomen is er een zekere reden voor de wat forse conclusie: "Dit alles laat zien, dat het conflict niet zozeer ondanks alswel dankzij de tijdssituatie kon escaleren" (p. 34). Intussen blijft waar dat de agenda der kerk toen andere prioriteiten behoorde te hebben, zoals de toenmalige synodevoorzitter Berkouwer achteraf toegegeven heeft.

De tak waarop men zit
En verder: Ik heb het boek van Aleid en Jan gelezen en herlezen en ik merk bij mijzelf een mengeling van sympatie en weerstand op. 'Van Vrijmaking tot Bevrijding', ik begrijp wat bedoeld wordt maar ik vind deze zegevierende titel toch wat te goedkoop. Of het de schrijvers nu uitkomt of niet, de bevrijding waarin zij zo roemen heeft toch maar de vrijmaking waar ze zo beslist afstand van nemen tot een rn.l, onmisbare vooronderstelling!
Dat brengt mij tot de volgende sociologisch getinte opmerking. Het valt mij op dat de betrekkelijk velen die op de manier van de schrijvers of op vergelijkbare wijze de vrijgemaakte kerk de rug toegekeerd hebben, in de regel in het maatschappelijke leven nogal hoog terecht zijn gekomen. Als je eens nagaat wie er onder de toonaangevende Nederlanders van na de oorlog wel niet allemaal uit een vrijgemaakt nest gekomen zijn ...
Er was en is vraag naar hen. Natuurlijk niet bewust, maar toch. Hoe zou dat komen? Zou dat misschien iets te maken kunnen hebben met die strenge en gedisciplineerde kerkelijke opvoeding die vooral vanwege haar duidelijkheid zo'n vat kreeg op de kinderziel? Dat die opvoeding voor een (positieve) hardheid heeft gezorgd welke voor het geven van leiding, het dragen van verantwoordelijkheid en het bestand zijn tegen zware druk nodig is?
Gereformeerd opgevoede mensen zijn bepaald geen watjes en dat heeft hun (en trouwens ook de samenleving!) geen windeieren gelegd. Aleid zegt ergens (p. 195) dat ze blij is met de stimulans die haar denkvermogen vanuit het kerkelijke milieu waarin ze is opgegroeid, ontvangen heeft. Terecht, deze hommage. Veronderstelt dus, zo vat ik dit punt samen, de latere ontwikkeling de eerdere vorming niet meer dan gedacht wordt? Zelfs zozeer dat het zonder de laatste tot de eerste niet zou zijn gekomen? Zou daarom op dat vrijgemaakte, ook in zijn meest afschrikwekkende vorm, niet met wat meer waarçlering of althans begrip teruggekeken kunnen zijn? Het is toch de tak waarop men zit.

Vrijheid
Jan laat zijn essay over de Vrijmaking uitlopen op een lang citaat van professor Jager over de vrijheid. Het is inderdaad een goed woord over een moeilijke zaak, zoals Jan terecht schrijft (p. 53) "Vrijheid is nooit een vanzelfsprekend bezit. Je moet ze bevechten." Akkoord. En: "Vrijgemaakt is niet hetzelfde als bevrijd." Ook akkoord.
In het vijfde hoodstuk, waarin Jan Veenhof zijn eigen weg naar de vrijheid beschrijft, lezen we waarom hij niet gekozen heeft voor het nederlands gereformeerde. "Toch voel ik, dat ik ook niet met de buitenverbanders in zee zou kunnen. Ik wil verder naar buiten kijken en naar buiten gaan dan zij" (p. 163). Jager, de man van het citaat, is wèl Nederlands gereformeerd gebleven.
Jan daarentegen heeft voor een kerkelijke ruimte gekozen, waarin je elkaars opvattingen vrijwel ontlopen kunt. Mijn vraag aan hem is of dat niet eerder tot een zekere kerkelijke vrijblijvendheid dan tot vrijheid leidt. Is het niet een soort overlevingsstrategie om met het probleem van vrijheid en gemeenschap klaar te komen: Lever je een stukje vrijheid in terwille van de gemeenschap of verdun je de gemeenschap terwille van je vrijheid? Jan Veenhof heeft voor het laatste gekozen. Met alle lek en gebrek kies ik voor het eerste: nederlands gereformeerd, dat wil zeggen, zo dicht mogelijk in de buurt van de vrijgemaakten blijven.
En eigenlijk ervaar ik dat als een keuze voor de figuur, het model, de gelijkenis van het huwelijk tussen Herman en Aya Schilder, die elkaar in verbondenheid vrijlieten en niet vrijlieten.
Dat opmerkelijke huwelijk, waar in het boek terecht de vinger bij gelegd wordt, is voor mij een paradigma voor (lijden aan het) kerkzijn. Een paradigma ook voor de verhouding tussen binnen- en buitenverband. We komen van elkaar niet los maar blijven 'in scheiding verbonden'. Jan en Aleid hebben daarentegen, om in het beeld te blijven, de voorkeur aan echtscheiding gegeven.

'Het is beter met één oog .. .'
Voor Aleid heb ik nog de volgende vraag. We kennen je stelling dat het gereformeerde depressief maakt. Ook in dit boek heb je het daar weer over (p. 189 bv). Ik ontken de werkelijkheid daarvan niet. Althans, voor sommigen niet. Ik ben dat in mijn pastoraat inderdaad wel tegengekomen. En natuurlijk, dan begin je met zo iemand de , weg te wijzen naar deskundige hulp.
Maar dan komt hij of zij onverrichter zake terug, zeggende dat als hij daarmee doorgaat, hij zijn geloof kwijt raakt. Ik herinner mij dat ik toen eens gezegd heb tegen iemand die aan dat depressieve onverbeterlijk leed: Misschien heb je iets aan het woord van de Heiland dat het beter is met één oog het leven in te gaan dan met twee ogen in het helse vuur geworpen te worden (Matt. 5:29). Wat bedoelde ik? Wel, als Christus gezegd heeft dat ons in de wereld verdrukking te wachten staat, zou dat dan voor sommigen ook niet kunnen betekenen dat die verdrukking van psychische aard is? Zeker in tijden dat druk van buiten grotendeels afwezig is? Wie heeft ons eigenlijk gezegd dat wij er recht op hebben om zonder enige zielsaverij de hemelse haven binnen te lopen? Natuurlijk is dat geen vrijbrief om elkaar met psychische tortures te lijf te gaan. Maar dat is hier het punt niet (al komt het veelvuldig voor). Degenen onder mijn bekenden die aan die gereformeerde depressie lijden zijn niet geholpen met een ontkenning van hun moeite. "Het stáát er toch", zeggen ze, "dat de hele wereld strafwaardig wordt gemaakt voor God?" (Rom. 3:19). "In welke wereld ik een voornaamste plaats inneem", vullen ze met Paulus aan.
Er is geen speld tussen te krijgen. Ik althans sta hierbij met de handen in het haar. En ik vind zelfs dat dit geluid in de prediking van het evangelie terecht niet onderdrukt wordt, al zal ik me wachten voor een teveel.
De meesten worden er trouwens niet depressief van, ook diegenen niet die dit bloedserieus nemen. Ze weten de veroordelende stem van hun geweten tot zwijgen te brengen met behulp van de boodschap van de vrijspraak om Christus' wil.
Maar zoals gezegd, sommigen lukt dit niet. Niet door ongeloof, maar door andere oorzaken.
Inderdaad, ze zijn er depressief van. Is het verkeerd hun na het stranden van andere therapeutische hulpverlening te adviseren deze ellendige schade maar voor lief te nemen? Zoals anderen dat weer met andere schades moeten doen.
"Ruk het uit en werp het van u!", - het is bij de één een oog, bij de ander een stuk innerlijke harmonie of psychische heelheid, bij een derde zijn sexualiteit. De ene keer is het 'een afstand nemen van', de andere keer een 'niet meer zoeken naar'. Niemand gaat zonder kleerscheuren het eeuwige leven binnen. (Màg dat misschien ook wat kosten, trouwens?) Zeker, alles komt er daarbij op aan, dat er iets tegenover zo'n verlies of gemis staat, namelijk het alles overstralende weten met het hart - haast buiten je zelf om en niet zelden tegen je zelf in - dat niets ons kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heer. En dat er niets opweegt tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden.
Wel, ik ken er die dit inderdaad met hun 'geest' geloven en getroost zijn, terwijl zij met hun 'ziel' hopeloos in de knoei zitten en blijven zitten. Wat ik dus wil beweren is dat depressie, die een psychische categorie is, ons niet behoeft af te houden van het geloof dat ons behoudt. Nogmaals, dat zeg ik niet om psychotherapeutische hulpverlening overbodig te maken of daar een antistemming tegen te kweken, maar ik kom hier pas mee wanneer blijkt dat die hulpverlening haar doel niet bereikt of de mensen het kostbaarste dat ze bezitten afneemt.
"Neem het maar voor lief en probeer in Christus afstand van je zieke zelf te nemen. Je bent voor God meer dan je kwaal. Eens zul je die achter je mogen laten. En timmer verder maar een vlot, hoe gebrekkig ook, om over de zondvloed heen te varen."
Kan je je voorstellen, Aleid, dat dit voor mij een alternatief is voor jouw benadering? Als ik namelijk zie dat er bij jou, in jouw therapeutische behandeling, toch een beschadiging van de bijbelse boodschap plaats vindt? Een overgang naar een wezenlijk ander evangelie? Dat jij mensen van hun depressie afhelpt, maar tot welke prijs?

Conflictzuivering
Om eerlijk te zijn, tenslotte, het effect van dit boek op mij is dat ik een prikkeling in me voel om het voor de vrijgemaakten op te nemen. Ik zeg dit omdat ik van sommige zeer persoonlijk getinte herinneringen in dit boek aan de laatste kerkstrijd vrees dat ze aan Nederlands gereformeerde kant olie op het vuur zullen gooien.
Laat ik me verduidelijken. Wat mij in het algemeen in de conflictanalyses van Nederlands gereformeerde zijde nogal stoort is dat voortdurend twijfel wordt gezaaid aan de morele gaafheid en onkreukbaarheid van de tegenpartij. Dit boek gaat daar, zeker in de delen waar Aleid de verantwoordelijkheid voor draagt, m.i. te weinig tegenin. En dat is een gemiste kans.
Van mensen die betrekkelijk buitenstaanders geworden zijn, had immers anders verwacht mogen worden. Zij hadden binnen- en buitenverbanders gelijkelijk voor kunnen houden dat ze niet bij vertekeningen van elkaar moeten leven en zij hadden de buitenverbanders die hun het naast staan, een dienst kunnen bewijzen door tegen ze te zeggen dat zij aan het conflict maar beter geen morele draai kunnen geven. "Dat pleegt uitgerekend dan te geschieden", zo hield ik destijds de Wageningse kerkenraad die mij van trouwbreuk beschuldigde voor, "wanneer men bang is dat de godsdienstige argumentatie te kort zal schieten of bij de mensen niet genoeg weerklank zal vinden. Voor een woordbreker vat men nu eenmaal eerder verachting op dan voor een ketter."
(Deze kerke raad - het zij tot zijn eer gezegd - nam daarop royaal dit verwijt terug.) Ik plaats nu, over het besproken boek heen, naar binnen toe deze zelfde opmerking en ik voeg eraan toe dat, heeft men eenmaal iemand als een diehard kunnen brandmerken, er dan geen hond meer is die voor zijn ideeën nog enige belangstelling heeft.
En dat laatste zou ik jammer vinden, want zo gek is wat de vrijgemaakten willen nu ook weer niet. Ik ben het in veel zaken met hen niet eens en wil daar op z'n tijd best een robbertje met hen over vechten, maar ik voel me wat ethiek, moraal of karakter betreft in geen enkel opzicht boven hen verheven. Ik vrij bijvoorbeeld en zij slechts vrijgemaakt?
O gunst, nee! Er zijn op dit punt geen bad guys en good guys.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief