Schilders visie op de kerk

1995-12-29
  • Jaargang 39
  • nummer 26
In de zomer heeft de hervormde predikant dr. J.J.C. Dee de overstap gemaakt naar de geref. kerken vrijgemaakt. Inmiddels is hij daar beroepbaar gesteld. De op Schilder gepromoveerde theoloog heeft nu een boek laten verschijnen over de kerkleer van Schilder. Ik zou zijn boek willen typeren als een verantwoording van deze overgang.

Hervormd énSchilder-aanhanger
In een interview in het Ned. Dagblad zo'n 5 jaar geleden, zei Dee: "En boven alles heb ik van Schilder geleerd gelovig, echt Schriftmatig over de kerk te denken. Door de studie van Schilder en zijn werk ben ik vooral op dat punt gereformeerd gaan denken. En persoonlijk heeft deze studie voor mij betekend, dat er een heel stuk spanning is gekomen tussen mijn theologisch denken, vooral mijn denken over de kerk, en mijn positie als hervormd predikant." En op het Schilder-
symposium 'Geen Duimbreed!', april 1990, zei Dee: "Schilder en de hervormden waren twee werelden en zullen dat blijven. Het zij tot schade èn tot beschaming van de hervormden en de Hervormde Kerk gezegd." Dr. Dee heeft nu de stap gemaakt die te verwachten was. In hem ontvangen de vrijgemaakte kerken iemand die Schilder heel hoog heeft staan en die het niet lijkt te kunnen hebben wanneer er kritiek op Schilder wordt geoefend. Maar daarover verderop.

Gehoorzaamheid
Puchinger heeft eens geschreven dat een van de Stichwörter bij Schilder 'gehoorzaamheid' is. En, om met Paulus te spreken, dit getuigenis is waar. Wat in Schilders kerkvisie het meest centrale is, zo laat Dee aan de hand van talloze citaten zien, is 'de actuele gehoorzaamheid aan de geopenbaarde norm' (p. 19). Het is van daaruit dat Schilder zich fel verzet heeft tegen de Ned. Herv. Kerk. In 1934 werden nogal wat herdenkingen gehouden ivm. de afscheiding van een eeuw eerder. Herdenkingen door gereformeerden van diverse soorten en door hervormden van diverse pluimage. En er werd heel wat op elkaar gereageerd. Dat Dee trouwens inderdaad in de lijn van Schilder past, blijkt in dit verband uit zijn reaktie op hoe de bekende hervormde predikant J.G. Woelderink de afscheiding herdacht.
Hij zei: "Uit gehoorzaamheid aan God en om der wille van het welzijn der Kerk zijn in 1834 velen tot scheiding overgegaan, maar wij mogen niet vergeten, dat om dezelfde reden velen zijn gebleven; zij wensten eveneens God te gehoorzamen en het welzijn der Kerk te zoeken, maar zij beoordeelden, alles overlegd hebbende, dat dit doel beter kon worden behartigd door niet van de Hervormde Kerk te scheiden." (p. 25) De reaktie van Dee is: "De vraag dringt zich op, of twee tegenovergestelde daden beide voor gehoorzaamheid kunnen doorgaan." (p. 28) En elders schrijft hij: "Geloofsgehoorzaamheid heeft niets te maken met subjectivisme." Een zin, waar ik koud van word!

De kerk als geloofsstuk
Wat wel heel duidelijk wordt uit het boek van dr. Dee, is de grote ernst waarmee Schilder over de kerk spreekt. Hij was diep onder de indruk van het spreken van de Heidelbergse Catechismus over de kerk. We ontvangen in vraag + antwoord 54 niet een definitie van de kerk. Ook geen beschrijving vanuit onze ervaring en werkelijkheid, maar het gaat over het werk van de Zoon van God die zich een gemeente vergadert. Daarmee was ahw. alles voor Schilder beslist. Het gold bij hem in alles, maar zeker in zijn denken en spreken over de kerk, dat we vanuit het gel66f moeten denken en spreken. Een aantal keren haalt Dee dan ook de uitspraak van Schilder aan: "Wij hebben niet elf, maar twaalf artikelen van het geloof". Ook de kerk is een geloofsstuk, want een werk van Christus.

Congregatio en coetus
Deze beide termen zijn door Schilder zo sterk naar voren gebracht, dat zij nog altijd de kortste samenvatting zijn van zijn kerkvisie. Het verwondert dan ook niet dat ook hieraan aandacht wordt besteed. Congregatio wil zeggen dat Christus vergadert, de herder is hier aktief en de schapen passief.
En coetus geeft aan dat het samenkomen van de gelovigen een vrijwillige daad is. En in alles wat we van Schilder over de kerk lezen komen we dan ook steeds bij deze termen en de gedachte daarachter terecht. En niet zelden roept hij op om "gehoorzaam mee te komen met de vergaderende Christus en om niet in ongehoorzaamheid te blijven staan bij het gegeven instituut" (p. 127). Wat mij opvalt in dit deel van het boek, maar het geldt voor heel de teneur ervan, en dat past ook helemaal in de lijn van Schilder, is de gigantische nadruk op de tweezijdigheid van het verbond en dan vooral op de menselijke kant. Dat is iets waarmee ik veel moeite heb. In de zomervakantie heb ik nogal wat van en over Schilder gelezen en een van de blijvende indrukken is het enorme aksent op wat wij doen, moeten doen, waarbij Gods goedheid dreigt te verschrompelen.

Kritiek op Schilders kerkleer
De hoofdmoot van het boek van dr.
Dee vormt hoofdstuk 7, getiteld: 'Enkele momenten in het onderricht van Schilder over de kerk'. In dit hoofdstuk vinden we Schilders visie op de kerk als zaak van het geloof, als resultaat van Christus' kerkvergaderend werk, als congregatio en als coetus, als zaak van gehoorzaamheid ook. Allemaal zaken die eerder in het boek uitgebreid aan de orde zijn gekomen. Dat is iets wat mij wel wat stoorde bij het lezen: je komt heel wat zaken en ook citaten meer dan één keer tegen en dat zal niet voor iedereen een versterking betekenen van het gebodene. Verder gaat h. 7 in op pluriformiteitstheorieën, het onderscheid tussen zichtbare en onzichtbare kerk, kerk als organisme en instituut en de strijdende en de trimferende kerk.
Het voor velen wellicht meest boeiende deel van dit hoofdstuk, heeft Dee bewaard tot het eind, waar het gaat over kritiek op Schilders kerkbegrip. Achtereenvolgens passeert de kritiek van (de tot nu toe voor mij onbekende) P.J. Richel, G.C. Berkouwer en (de vrijgemaakte predikant) H.J.D. Smit. Hoewel deze drie dus aparte aandacht ontvangen, kan Dee het niet laten om al heel snel in dit hoofdstuk, wanneer het gaat over de kerk als zaak va~ geloof, in een noot te schrijveridat de kritiek van Smit niet juist is (~ 244) en in een noot iets verderop lezèn we: "geheel afwijkend van deze fnening (van Schilder) is H.J.D. Smitl" en "ten onechte merkt H.J.D. Smit op...". (p. 246) Smit is, zo lijkt het wel, de kwade genius. Want nadat Dee bij de drie kritici hun visie verwoord heeft, volgt zijn reaktie daarop. Bij Richel gebeurt dat onder het kopje 'Beoordeling van Richels kritiek op Schilder', bij Berkouwer heet het 'Vragen bij Berkouwers verwerking van Schilders ecclesiologie' en bij Smit wordt gesproken over 'Onhoudbaarheid van Smits Schilderinterpretatie'. De reactie van Dee op de genoemde kritici vind ik, eerlijk gezegd, nogal krampachtig aandoen. In dit gedeelte vallen woorden als 'onjuist', 'volkomen voorbijzien aan', 'ver verwijderd van de theologie van Schilder' (wordt letterlijk gezegd ten opzichte van Berkouwer en van Smit!), 'een definitieve scheiding', 'heel anders', 'ten onrechte', 'gebroken met Schilder' etc. Wat mij opviel in dit onderdeel is het tamelijk ongenuanceerd ingaan op kritiek op Schilder èn dat Berkouwer niet door Dee weersproken wordt, maar Dee laat uitvoerig J. Kamphuis aan het woord. Voor de kritiek op Smit geldt, dat die grotendeels bij Dee verwoord wordt via anderen. Wat is dan wel het 'erge' van Smit? Wel, Dee vindt dat Smits weergave van Schilders theologie 'niet betrouwbaar is' en dat er gelukkig artikelen zijn die 'de noodzakelijk correctie van de vele misinterpretaties van Smit ten aanzien van Schilders theologie' bieden. (p. 256) Maar Dee heeft mij bepaald niet weten te overtuigen dat Smits kritiek niet juist zou zijn. Het is met name kritiek op de enorme nadruk van Schilder op onze gehoorzaamheid. Een kritiek, die ik hierboven al genoemd heb als ook mijn moeite met Schilder. In dit verband schrijft Dee ook: "Terecht is ten aanzien van deze verhandeling van Smit gesproken van een "rechtstreekse oorlogsverklaring aan dit radicalisme.' " Jammer, dat dit - ook wat de uitvoering betreft - waardige boek zo'n afsluiting krijgt. Ik vind het afbreuk doen aan het vele besproken materiaal.

N.a.v.: Dr. J.J.C. Dee: K. Schilder - oecumenicus(Oosterbaan & Le Cointre B.V. Goes, 1995); 288 pagina's, f 42,50.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief