Hinne ma tov: de EvTA oostwaarts (2)
1994-04-08
Waar ben ik terecht gekomen? Dat vroeg ik me af, toen zelfs het lesrooster van de eerste maandag van ons verblijf in Calcutta onzeker bleef tot op het laatste moment.- Jaargang 38
- nummer 7
Het maakte in één klap duidelijk, dat je in een andere cultuur zit, met een volstrekt ander besef van tijd en ruimte. Waarbij ook meegerekend moet worden, dat de opleiding van ds. Roy nog in de kinderschoenen staat. Nauwelijks 5 jaar draait het Seminarie en het drijft voor een groot deel op de kunde van Sukrit Roy. Al is het wel zo, dat het docentenkorps groeiende is. Naast gastdocenten uit Korea, wordt er ook les gegeven door sommige predikanten uit de grote protestantse kerken van Calcutta en omgeving. Aan dat laatste is te merken, dat ds. Royallesbehalve 'voor zichzelf' begonnen is. Hij hoopt door zijn werk ook de grotere, ingedutte kerken tot nieuw leven te wekken.
Je merkt al gauw bij het lesgeven, dat de opleiding zeer praktijkgericht is.
Zodra het praktisch wordt spitsen de studenten hun oren. Maar als je ze een tekstgedeelte voorlegt en vraagt om enkele pakkende punten uit dat gedeelte te noemen, komen ze niet veel verder dan een brave opsomming, die begint in het eerste en eindigt in het laatste vers.
Twee keer heb ik, als een extraatje, een psalm met ze doorgenomen.
Psalm 23 als eerste, met het beeld van herder-schaap, dat overloopt in dat van gastheer-gast, uitlopend in een slot, waar je de beide beelden ziet vervagen in het licht van de altijddurende thuiskomst bij God. Met daarbij de opvallende trek, dat dit lied zo radicaal een 'ik'-psalm is, terwijl de beelden (schaap-kudde, gast(en), tempelganger(s)) uitnodigen om de collectieve kant uit te denken. Zulke waarnemingen zijn de studenten vreemd.
Ik heb de analyse van de psalm gepaard laten gaan met een krachtige aanmoediging tot precies en aandachtig lezen van (bijbelse) teksten, zowel wat de details, als ook het geheel van de tekst betreft. In nederlandse oren (zeker de theologische) klinkt dat zo gewoon als 'twee maal twee is vier'.
Maar daar in India was het een ongewoon geluid.
Inspelend op hun liefde voor de praktijk heb ik natuurlijk niet nagelaten te zeggen, dat je met zo'n aanpak je winst kunt doen in de verkondiging.
Die wordt er gevarieerder door, verrassender soms. Verder zal aandachtig en liefdevol luisteren naar de stem van de Schrift ook het vermogen trainen om zich in te leven in de hoorder.
Hoe praktisch is dus een nauwgezette studie van de tekst!
Uit het voorgaande zal duidelijk zijn, dat mijn hoofdthema 'de betekenis van het OT voor de brief aan de Hebreeën' de studenten soms zwaar op de maag lag.
Zo nam ik, naar aanleiding van Hebreeën 3 en 4, psalm 95 met ze door, een psalm waarmee de schrijver van de brief aan de Hebreeën je naar de hoofdwegen en kruispunten van het Oude Testament brengt.
Indrukwekkend zoals in deze psalm de Here God in zijn volheid beleden wordt als Redder, Koning, Schepper en Herder, waarbij in dat laatste beeld één van Gods grote doelen beaamde werkelijkheid lijkt te worden: Hij is onze God en wij zijn het volk dat Hij weidt (vgl. Lev 26:12: Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn).
Maar dan splijt het profetische Woord vers 7 in tweeën (vgl. He 4:14-16). Als je ergens in het OT wilt ervaren hoe onvanzelfsprekend het is om deel uit te maken van het volk van God, dan hier wel! Het volk (de pelgrims van psalm 95), dat er klaar voor was om de tempel binnen te gaan, wordt plotsklaps geconfronteerd met de generatie die, op een steenworp afstand van het beloofde land, vastliep in ongeloof.
Daar en toen, bij de grensplaats Kades, had God zich genoodzaakt gezien om een eed van verwerping te zetten tegenover de eed, waarmee Hij aan de vaderen gezworen had (Nu 14:28,30).
Kades en al eerder Massa en Meriba zijn de plaatsen, die spreken van ongeloof en koppigheid, waarvan de geschiedenis van Gods volk zo vol is (vgl. Ps 78). Tegen die scherpe, profetische boodschap liepen de pelgrims op, nauwelijks aangekomen bij de drempel van het Godshuis.
De stilte, die valt na de eed van psalm 95 (nooit zullen ze tot Mijn rust ingaan), is een stilte, die vraagt om verwondering.
Verwondering over het feit, dat God niet moe is geworden om de rust voor zijn volk te blijven zoeken: 'Zijn rust'.
De heilige schrijver neemt deze 95e psalm op in zijn brief, waarbij hij het verdiepend perspectief van dit lied verder uitbouwt. Voor een eerste verdieping had de psalm immers zelf al gezorgd, want met het 'heden' van vers 7 worden de tempelgangers parallel gezet met de generatie aan de grens van het beloofde land. Zo verspringt het beeld voor het oog van de pelgrims van de ingang van het land naar de ingang van de tempel. Waarbij en passant duidelijk wordt, dat ook 'de rust' van het volk niet op bleek te gaan in de bewoning van het beloofde land (als Jozua hen in de rust had gebracht... He 4:8).
In de brief aan de Hebreeën wordt een derde stap gezet, want het nieuwtestamentische volk van God is niet ver van de aankomst in de rust van het hemels vaderland. Waarvan zelfs Abraham, vanuit de verste verten, vermoedens had (He 11:8,10,13,14,16).
Dat perspectief van het OT haalt de schrijver van de brief aan de Hebreeën naar voren in zijn brief. Er blijft nog een rust voor het volk van God.
Een rust, die in die lange geschiedenis van God met zijn rebelse volk, zoveel hoger, breder en dieper bleek, dan bij eerste aanblik. Echt Gods rust (vgl. Ps 95: Mijn rust)!
Waarvoor zelfs een nieuw verbond nodig was, met een Middelaar van gene zijde (He 7), gegarandeerd in dat ene offer van de Zoon (He 8).
Alle reden dus om nu niet achter te blijven, maar de kans (het heden) te grijpen. Helemaal in de lijn van die indringende aansporing uit psalm 95!
Zo onderbouwt de schrijver van de brief aan de Hebreeën zijn woord van aansporing, waarbij de volle ernst van het OT, gebundeld in psalm 95, ter sprake wordt gebracht. De genade van God dringt tot een beslissing! Zeker in het laatste der dagen (He 1:1,2).
Het was ongewoon voor de studenten om zo uitvoerig stil te staan bij een vermanend gedeelte, dat op het eerste gehoor haast vanzelf Iijkt te spreken.
Het viel ze niet zelden zwaar, zodat ik ook zelf af en toe dacht: hoe kom ik er doorheen.
Als ik terugrijdend naar Calcutta onderweg de breedgebouwde ossen zag, die de ploeg door de zware klei van de Bengaalse rijstvelden moesten trekken, dan was daar een glimp van herkenning.
Ploegen is ook nodig, zei ds. Mudde, en zo is het.
Het lastige was ook, dat de studenten met de grondtalen niet uit de voeten konden. Dat maakte de exegese van de bijbelse teksten, zeker als het om de details ging, moeilijker en het bleef zodoende wel eens wat meer aan de oppervlakte dan me lief was.
Na een eerste gesprek met Sukrit Roy hadden we daarom besloten om elke dag een uur hebreeuws te geven.
Heerlijke uurtjes waren dat, waarbij we gebruik maakten van de eerste verzen van Genesis' 1. Het was een weg van groeiend onderscheidend vermogen: eerst de letters, toen de woorden, daarna de samenhang tussen de woorden. Ds. Mudde en ik deden het om de beurt met veel animo.
En we leerden de studenten en passant twee hebreeuwse liedjes: één voor het begin (Hinne ma tov; zie hoe goed, Ps 133:1) en één voor het eind van de les (sjaloom chaveriem, lehitraoot; gegroet vrienden, tot ziens). Juist vanuit deze colleges hebreeuws kwam me de zin van onze missie scherper voor ogen te staan. Onze lessen hebreeuws bleken namelijk maar aan een deel van de studenten besteed. Maar in die studenten zagen we dan ook de predikanten, die in de toekomst coachend en verdiepend werk zouden kunnen gaan doen in hun regio, in het midden van de kring van collega's. Waarbij wellicht enkelen van hen nog eens als docenten zouden kunnen terugkeren op het Seminarie in Canning.
We hopen deze begaafde studenten vanuit het EvTA fonds dan ook een basispakket aan studiemateriaal te leveren, waarmee ze zelfstandig verder kunnen.
Door de praktijkgerichtheid van de studenten, zo vol van het ideaal om het evangelie aan de West Bengalen te verkondigen, raakten we er wel van doordrongen, dat we met broeders en zusters te doen hebben, die nog midden in de 'Paulinische' fase zitten (1 Cor 3:6). Er wordt zaaiwerk gedaan in Bengalen, er wordt met grote toewijding geplant. Dat is iets om verwonderd over te zijn en mild van te worden, als het gaat om de gesignaleerde tekorten. Wij kunnen, als het gaat om het directe praktische, missionaire werk, niet zoveel voor de studenten betekenen.
Daarom, zo zag ik het, stond ons geschut in feite gericht op doelen die achter die eerste fase liggen. Als de gemeentes zullen groeien en verdere opbouw nodig is, de fase, waarbij je meer aan het werk van 'Apollos' gaat denken.
Zo zou ik vooralsnog ons werk in die drie weken willen zien als een diepteinvestering in de kerken van West-Bengalen, voor de tijd dat het werk in de kerken daar meer op dat van Apollos dan dat van Paulus begint te lijken.
Een fase, waarvan we hartelijk hopen en bidden dat die komen zal.
Wie het werk van de EvTA (dit jaar in Bangui, Butare en Calcutta) financieel wil steunen, kan terecht op giro 9710 of bankrekening 33.03.03.724, t.n.v. van de Stichting EvTA, Ommen.